Voedingssupplementen worden juridisch beschouwd als levensmiddelen. Producenten zijn daarmee verantwoordelijk voor de veiligheid van hun producten, van grondstof tot eindverpakking. De beoordeling start in de praktijk bij de herkomst van grondstoffen. Maar dit is makkelijker gezegd dan gedaan.
Risico's starten bij de grondstof
Plantaardige ingrediënten vragen aandacht voor pesticiden, mycotoxinen en pyrrolizidine-alkaloïden, weet Bas van Driel, marketing & sales director Benelux bij Lavetan (member GBA Group). 'Fermentatieproducten kunnen citrinine bevatten en mariene grondstoffen kunnen zware metalen zoals cadmium en kwik bevatten. Dus logisch nadenken helpt, maar is niet genoeg.'
Logisch nadenken helpt, maar is niet genoeg”
Sommige ingrediënten worden omschreven in de Verordening 396/2005. Ingrediënten waarvan de onbewerkte vorm daarin voorkomt, kunnen worden ingedeeld en zo nodig met verwerkingsfactoren worden beoordeeld. Maar dat geldt niet voor meer exotische extracten, die zijn namelijk lastiger te categoriseren. 'Wanneer geen specifieke MRL’s zijn beschreven, val je terug op een andere verordening, namelijk die van de verontreinigingen in levensmiddelen (EEG) 315/93. En die stelt simpelweg dat voedsel geen contaminanten mag bevatten die toxicologisch niet veilig zijn', aldus Van Driel.
Wanneer limieten ontbreken
Niet alle grondstoffen laten zich eenvoudig indelen. Bij bepaalde extracten of plantendelen is het niet altijd duidelijk onder welke categorie ze vallen. 'Voor sommige contaminanten, zoals cadmium en kwik, kun je met TWI-waarden nog een risicobeoordeling doen: je rekent door of de gemeten hoeveelheid echt een probleem is', vertelt Mathieux Maillette de Buy Wenniger, wetenschapper bij Lavetan. 'Alleen, bij grondstoffen weet je vaak niet hoeveel er uiteindelijk van gegeten wordt, dus dat blijft deels giswerk.'
Voor CMR-stoffen (C, voor cancer, M voor mutageen en R voor reprotoxisch) bestaat geen veilige dosis. Overschrijding van een limiet betekent dat een product niet verhandelbaar en onveilig is. Zonder limiet kom je er niet uit zonder toxicoloog. 'Zonder duidelijke grenswaarden ben je aangewezen op een onderbouwde beoordeling', aldus de wetenschapper.

Arseen en uiteenlopende limieten
Arseen is een CMR-stof die vooral bij supplementen blijft terugkomen. In de Contaminantenverordening (EU) 2023/915 liggen de limieten voor gewone levensmiddelen laag (0,01–0,5 mg/kg). Afhankelijk van de samenstelling vallen supplementen onder de Richtlijn 2002/46/EG en de zuiverheidseisen uit Verordening (EU) 231/2012 — en daarbij kan dat tot 3 mg/kg gaan.
Boven die 3 mg/kg is het vrij duidelijk: dat zit boven alles wat het levensmiddelenrecht toestaat en is dus lastig verdedigbaar. Maar tussen 0,5 en 3 mg/kg kom je in een grijs gebied zonder harde toxicologische grenswaarde, en dan blijft alleen maatwerk over — inclusief het beoogde gebruik van de grondstof.
Zonder duidelijke grenswaarden ben je aangewezen op een onderbouwde beoordeling”
Risicogebaseerd testen als praktische aanpak
Of het nu om grondstoffen of eindproducten gaat: de beoordeling van contaminanten is niet altijd eenduidig. Het vraagt kennis van zowel wetgeving als toxicologie. De verantwoordelijkheid voor veiligheid en verhandelbaarheid ligt daarbij altijd bij de producent, ook wanneer geen duidelijke limieten beschikbaar zijn.
Om met die complexiteit om te gaan, kiezen bedrijven steeds vaker voor een risicogebaseerde aanpak. Daarbij worden analyses en frequentie afgestemd op herkomst en aard van grondstoffen, met een controleplan dat gericht de echte risico’s afdekt. 'Wij zien dat veel bedrijven een periodiek verificatieonderzoek laten uitvoeren', zegt Van Driel. 'Daarmee kunnen zij aantonen dat hun producten voldoen aan de geldende Europese eisen.'
Eindproductcontrole blijft daarbij de laatste check. Een gestructureerde aanpak helpt om die grip te houden — ook als de praktijk net wat weerbarstiger is dan de regels doen vermoeden.
Dit artikel is gesponsord door Lavetan.













