nieuws

RIKILT-expert: ‘Validatie en borging labanalyses op allergenen is nodig’

Voedselveiligheid & Kwaliteit

RIKILT-expert: ‘Validatie en borging labanalyses op allergenen is nodig’

Voedingsmiddelenfabrikanten worstelen soms met hun allergenenmanagement. Het uitbannen van allergenen in de productie is lastig terwijl de markt in sommige gevallen toch een 0-contaminatie verwacht. En hoe zit het met betrouwbaarheid van allergenenanalyses? En behoort een werkbare drempelwaarde voor producten zonder claims tot de mogelijkheden? Deskundigen van RIKILT-WUR spreken zich uit.

Afgelopen jaar bleek wederom dat de meeste terugroepacties plaatsvonden vanwege allergenen. Het ging om fouten op het etiket en verwisselingen van grondstoffen. Allergenenmanagement is niet altijd even makkelijk. QA-manager Gerrit Straatsma van Zwanenberg Food Group pleitte onlangs in VMT voor “werkbare drempelwaardes” voor producten zonder claim. Ook zijn de tests niet altijd even betrouwbaar, vindt hij.

0-contaminatie

Het volledig uitbannen van allergenen in de productie is voor een fabrikant erg moeilijk, vertelt senior onderzoeker Ine van der Fels van RIKILT Wageningen UR. Zeker als op dezelfde locatie ook producten met het allergeen worden geproduceerd. Een drempelwaarde voor producten zonder claim zou dan een uitkomst zijn, vindt de onderzoekster. “Maar die dient dan wel afgestemd te worden op de maximale hoeveelheden die patiënten kunnen verdragen en natuurlijk de consumptiepatronen.” TNO ontwikkelde voor dit doel speciale software, vult ze aan.

Type allergeen

Maar toch: voor allergenen waarbij een enkel spoor al tot klachten leidt, blijft een 0-contaminatie nodigt, legt Van der Fels uit. Dat betekent: productie op afzonderlijke locaties. “Het ligt dus aan het type allergeen waarover je het hebt. Dutch Spices heeft bijvoorbeeld een unit met overdruk waar zij allergeenvrij produceren.”

Collega Nathalie Smits bevestigt de lezing van Van der Fels, een 0-contaminatie aantonen is soms inderdaad nodig. Want ook al is er een drempelwaarde voor sommige allergenen voor mensen met deze voedselallergie die toch al verzwakt zijn, kan dit grote gevolgen hebben, stelt ze.

Allergenenanalyses

Om allergenen aan te tonen grijpen fabrikanten naar labanalyses, maar hoe betrouwbaar zijn die? Dat hangt onder andere af van de homogeniteit van een product, stellen Smits en Van der Fels. Het nemen van monsters en homogeniseren blijkt in de praktijk zeer moeilijk en ook niet begrepen, weet de eerste. Ze verduidelijkt: “Labwaarden kunnen schommelen door het gebruik van immunochemische assays van verschillende fabrikanten, maar ook doordat het monster niet homogeen is.”

Borging en validatie

Ine van der Fels bevestigt dat de betrouwbaarheid van het product ligt aan de homogeniteit maar ook aan de testen die gedaan worden én hoe deze worden gebruikt. “Er zijn zeker verschillen tussen laboratoria. Wat daarom nodig is, is validatie en borgen van labanalyses op allergenen. Zo’n borging zou RIKILT kunnen opzetten.”

Smits stelt inderdaad dat validatie en borging nodig zijn. “Wat vaak wel vergeten wordt, is dat de assays die gebruikt worden semi-kwantitatief/kwalitatief zijn.”

Nutrilab

Nutrilab voert regelmatig allergenenanalyses uit. Als deze geaccrediteerd zijn, zijn ze betrouwbaar, benadrukt directeur Pieter Vos.

Vos: “Puntbesmettingen waarbij verschillende deelmonsters andere resultaten laten zien, zijn zeker mogelijk. Uit ringtesten blijkt dat de statistische spreiding van de resultaten van de gebruikte testmethode niet afwijkt van soortgelijke methoden. In veel gevallen wordt ELISA toegepast als testmethode. De spreiding van de testmethode van dezelfde fabrikant is vergelijkbaar met de ELISA-testen in het algemeen. Er zijn diverse fabrikanten van ELISA’s voor allergenen. ELISA’s van verschillende fabrikanten kunnen behoorlijk van elkaar afwijken. Laboratoria met veel ervaring kunnen dat onderscheid maken.”

Nauwkeurigheid testen

Laboratoria kunnen allergenen vrij nauwkeurig detecteren. Een verontreiniging van 15 ppm is meestal wel vast te stellen, hoewel dat natuurlijk wel afhankelijk is van de assays, legt Nathalie Smits uit. “En vele assays kunnen zelfs lagere concentraties meten.”

Vos: “Het is zelfs mogelijk om 1 ppm aan te tonen. Voor een enkel allergeen is nog een lagere LOD haalbaar. Het hangt echter van het type monster af of dat voor ieder monster haalbaar is.”

PCR-methode

Een methode die kritiek ontvangt van onder andere kwaliteitsmanager Gerrit Straatsma van Zwanenberg Food Group is de PCR-methode. Zo valt lastig vast te stellen wat gehaltes van bepaalde vleessoorten in een product zijn. “De PCR-methodes zijn ontwikkeld om aan te tonen of een diersoort aanwezig is of niet. Een nauwkeurig resultaat geven op gehaltes van diverse vleessoorten is lastig.”

Snackindustrie

In een rapport uit 2017 dat RIKILT schreef voor de snackindustrie blijkt dat bepalingen van percentages niet erg nauwkeurig zijn. De methodes kunnen wel enig onderscheid maken tussen contaminatie en vermenging, aldus Ingrid Scholtens-Toma, onderzoeker GGO en species detectie van Wageningen University and Research (WUR). “Maar de methodes hebben geen mogelijkheden voor een strakke grenswaarde om te beslissen of iets contaminatie is of vermenging.”

Reageer op dit artikel