artikel

Foodindustrie meet steeds meer zelf

Voedselveiligheid & Kwaliteit

Foodindustrie meet steeds meer zelf
Medewerker Dave van Doeselaar (49) van Doens Food Ingredients neemt een monster met een speciale speer

Vraag zes experts naar de trends in de wereld van analyses en je krijgt zes totaal verschillende antwoorden. VMT zet de belangrijkste ontwikkelingen op een rij. Van de roep om meer grip in de keten tot de onkunde bij het meten van allergenen. En van de kracht van big data tot het voordeel van meten op de werkvloer zodat je direct kunt bijsturen. Dit artikel is verschenen in VMT 11.

Sjoerd Kanters, QA-manager bij handelsbedrijf Doens Food in IJzendijke, vindt dat er in de branche een discussie mag komen over de zin en onzin van alle metingen en analyses. Doens handelt in biologische grondstoffen. Het bedrijf laat veel verschillende analyses uitvoeren, bijvoorbeeld om aan te tonen dat grondstoffen geen gewasbeschermingsmiddelen bevatten.

Medewerker Joost van de Walle (24) van Doens Food Ingredients vult het NIR-apparaat voor een analyse

“Voor elke grondstof voeren we een zorgvuldige HACCP-studie uit zodat we exact weten welke analyses we moeten uitvoeren. De resultaten van die analyses, die overigens allemaal geaccrediteerd zijn, sturen we met de grondstoffen mee. Vervolgens zien we regelmatig dat klanten nog allerlei analyses uitvoeren als ingangscontrole. Dat geeft veel ruis op de lijn. Zij vinden bijvoorbeeld andere waarden dan wij. Het is alsof je met één klacht naar tien huisartsen gaat en vervolgens tien verschillende diagnoses krijgt.

Of ze meten een gewasbeschermingsmiddel dat van nature in een verhoogde vorm in de plant aanwezig is als je hem oogst op het moment dat hij in de groei is. Op basis van die analyses worden tonnen grondstoffen afgekeurd of maandenlang vastgehouden in de haven. Dat kost handenvol geld.” Kanters vervolgt: “Daarom willen we graag een systeem met ketengarantie. Wij snappen hoe de keten in elkaar zit. Dat is onze expertise. Naast analyseren, gaat het vooral om grip krijgen in de keten. De klant kan erop vertrouwen dat wij de juiste stappen in het proces uitvoeren en dat onder andere de analyses die wij meesturen gegarandeerd kloppen.”

MOSH/MOAH

Het aantal metingen op MOSH en MOAH in grondstoffen neemt toe. “De geaccepteerde grenzen worden steeds lager”, signaleert Wim Boer (Nofalab). “Daarom ontwikkelen we methoden waarmee we steeds lagere waarden kunnen meten.”

Wim Peter van Panhuis, commercieel manager bij NutriControl in Veghel, ziet dat voedingsbedrijven steeds meer analyses zelf uitvoeren. Een voorbeeld daarvan is de NIR-meting (near infrared spectroscopy). “Zuivelproducenten en fabrikanten van petfood voeren deze analyses al langer zelf uit”, zegt hij. “Hiermee kunnen ze binnen tien seconden de voedingswaarde van een product vaststellen. Een NIR-apparaat kost zo’n 40.000 tot 60.000 euro. Het is geschikt voor het meten van alle producten, waaronder pizza en brood. Dit kan ook zonder voorbehandeling. Als laboratorium kunnen wij de ijklijnen daarvoor maken. Voedingsbedrijven sluiten daarvoor een abonnement bij ons af.

Onze ervaring vanuit andere sectoren is dat bedrijven het NIR-apparaat binnen twee jaar hebben terugverdiend.” Ook Jan Robrechts, directeur van Lavetan in het Belgische Turnhout, ziet de opkomst van steeds snellere meetmethoden op de werkvloer. “Het is al goed mogelijk om in vloeistoffen verschillende parameters online te meten, zoals de pH en de geleidbaarheid. We zoeken nu naar oplossingen om ook bij vaste voedingsmiddelen metingen op de werkvloer sneller uit te voeren. Het lastige is dat deze producten vaak een voorbehandeling nodig hebben om een goede meting te doen. Toch zien we dat bij veevoer met een goede steekproef al snel het eiwit- gehalte kan worden bepaald. Dat soort methoden zijn ook geschikt voor de voedingsindustrie.”

Big data

Een andere ontwikkeling is big data. “Met deep learning zijn we steeds beter in staat om data met elkaar te vergelijken”, zegt Robrechts. “De hoeveelheid data is vaak zo groot dat je daar moeilijk conclusies uit kunt trekken. Met artificial intelligence kun je die data met meer intelligentie bekijken. Je kunt er patronen uithalen waardoor je problemen eerder ziet aankomen.”

Ook Aldo Evers, technisch specialist bij Normec Foodlab in Woerden, verwacht dat big data ons veel nieuwe inzichten geven. “Met artificial intelligence kun je verbanden blootleggen die je voorheen niet zag. Je ziet bijvoorbeeld in de microbiologische uitslagen dat een machine telkens steeds vuiler wordt en vervolgens stuk gaat. Uit dat patroon kun je de conclusie trekken dat je de uitval kunt terugdringen door vaker te reinigen. Dat zijn patronen die je zelf niet zou ontdekken, maar die je wel blootlegt door met artificial intelligence verschillende data met elkaar te vergelijken.”

Fraude

“Fraude is steeds beter op te sporen”, zegt Jan Robrechts (Lavetan). “Met DNA-analyses kunnen we bijvoorbeeld vaststellen of een vissoort daadwerkelijk de soort is die geclaimd wordt. Met whole genome sequencing (WGS) kunnen we nagaan of een bepaald type bacterie voorkomt op de productielocatie. Zo kunnen we de herkomst bepalen. Door nieuwe technieken en de toenemende gevoeligheid van bestaande technieken is er steeds meer mogelijk.”

Allergenen

Ook op specifieke gebieden zijn er ontwikkelingen zichtbaar. Zo noemt Pieter Vos, directeur van Nutrilab in Giessen, de ontwikkelingen in het meten van allergenen. “Er is nog veel onkunde op dat gebied”, zegt hij. “Nog altijd worden er sneltesten ingezet die niet geschikt zijn, omdat ze niet gevalideerd zijn voor het specifieke product. Ik verwacht dat de LC-MS-methode (vloeistofchromatografie-massaspectrometrie, red.) daarvoor een oplossing biedt. Wij hopen dat we deze methode volgend jaar geaccrediteerd hebben. Met de LC-MS-methode meet je met meer nauwkeurigheid exact alle allergenen die in een product aanwezig zijn. Voor het meten van één allergeen is deze methode nu vrij kostbaar. Maar voor het meten van meerdere allergenen wordt de LC-MS-methode interessant.”

Van Panhuis ziet veel ontwikkelingen in het meten van vitaminen en mineralen, bijvoorbeeld in babyvoeding. “Babyvoeding wordt thuis geopend en bewaard”, legt hij uit. “Consumenten mogen het poeder zelfs oplossen in water en vervolgens nog 24 uur in de koelkast laten staan. Maar onder invloed van licht, tijd en temperatuur gaat het vitaminegehalte omlaag. Het is een uitdaging om te meten of het product aan het einde van de bewaartijd nog voldoende vitaminen bevat. We zijn bezig met het ontwikkelen van de ‘officiële’ AOAC-analyse waarmee we dat met meer nauwkeurigheid kunnen meten.”

Specifieke bepalingen

Ook Wim Broer, manager development en science bij Nofalab in Schiedam, ziet ontwikkelingen op specifieke gebieden. Zo zegt hij dat het steeds beter mogelijk is om 3-MCPD en glycidol te meten in eetbare oliën. “3-MCPD is zeer toxisch, glycidol is kankerverwekkend”, legt hij uit. “Zo’n tien jaar geleden heeft een te hoog MCPD-gehalte zelfs tot een ketjapcrisis geleid. Toch is het 3-MCPD-gehalte in eetbare oliën lang niet gemeten, omdat er geen goede analytische methode voorhanden was. Die methode is er nu wel, ook al is hij nog wel wat bewerkelijk. Daardoor wordt het steeds meer gemeten.”

Broer verwacht dat er meer vraag komt naar metingen op alkaloïden in kruidenthee en honing. “We zien dat er steeds meer kruidenachtige mengsels gegeten worden, waardoor we sneller over onze limiet heen zijn.” Ook PFOS moeten we in de gaten te houden: “Deze stof komt veel in het milieu terecht en wordt steeds meer gemeten in sloten. Zo komt het in onze kringloop, en uiteindelijk ook in ons voedsel terecht.” Ook mycotoxinen zijn weer in opkomst. “Door de klimaatverandering treedt er steeds meer schimmelvorming op. Daardoor worden mycotoxinen een steeds groter probleem”, zegt Broer.

Acrylamide

“Het aantal metingen op acrylamide neemt toe, omdat dit op de monitoringslijst staat”, constateert Wim Broer (Nofalab). “Voedingsmiddelenfabrikanten zijn bezig om het acrylamidegehalte in hun producten te verlagen.”

Opkomende risico’s

Welke wensen en verwachtingen heeft Kanters voor de toekomst? “Ik zou willen dat laboratoria ons proactiever gaan informeren over opkomende risico’s. Eens in de zoveel tijd duikt er weer een pesticide op waar voorheen niemand van had gehoord. Vaak blijkt dat enkele laboratoria deze stof al wel in hun scope hadden zitten. Het zou ons helpen als ze ons proactief informeren over dergelijke opkomende stoffen die in de toekomst mogelijk een risico vormen.”

Battle of the labs Tot slot zegt Kanters dat hij hoopt dat laboratoria zich blijven focussen op de zaken die voor de industrie belangrijk zijn. “Soms komen laboratoria met nóg lagere detectiewaarden. Waarden die ver onder de ‘bio-normen’ zitten. Intern noemen wij dat ‘the battle of the labs’ . Als bedrijf zitten wij daar niet op te wachten. Het betekent dat er toch weer een getal staat en dat geeft weer onnodige discussies met klanten. We hebben liever dat laboratoria zich focussen op zaken waar we als bedrijf wel iets aan hebben.” Broer begrijpt dat. “Maar als laboratoria volgen we in de keuze van de componenten en de detectie- grenzen wel degelijk de Europese wetgeving of de wensen van de klant. Nog lagere grenzen of het meten van exoten is – als dat niet nodig is – meestal niet ons streven.”

Reageer op dit artikel