artikel

WFSR: ‘Risico’s tackelen voor ze op de radar staan’ (longread)

Voedselveiligheid & Kwaliteit

Wageningen Food Safety Research (WFSR) is een feit: een samenvoeging van het Laboratorium voor Voeder- en Voedselveiligheid van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Rikilt Wageningen University & Research. Hoewel WFSR vooral voor het Rijk werkt, denkt directeur Robert van Gorcom dat de voedingsindustrie volop kan gaan profiteren van de innovaties vanuit het nieuwe instituut. Dit artikel is verschenen in VMT 8.

WFSR: ‘Risico’s tackelen voor ze op de radar staan’ (longread)

Elf jaar duurde het proces van het samengaan van de laboratoria van NVWA en Rikilt. Robert van Gorcom is blij dat het achter de rug is, omdat het voor alle medewerkers duidelijkheid geeft. Ook voor iedereen die iets met voedselveiligheid doet in Nederland moet het duidelijkheid verschaffen. Minister Carola Schouten van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) gaf bij de opening van WFSR aan dat ‘burgers en de overheid moeten kunnen vertrouwen op laboratoriumonderzoek van de hoogste kwaliteit’. Volgens Schouten was het NVWA-laboratorium in de oude situatie vooral gericht op monsteranalyses en had het lab onvoldoende capaciteit om flexibel in te kunnen spelen op incidenten en crises. WFSR heeft die flexibiliteit wel degelijk, stelt Van Gorcom. VMT stelde hem een aantal vragen.

De bundeling van de labs is een lang gekoesterde wens. Ook al ver voor de fipronilaffaire. Maar heeft de crisis het proces versneld?

“Nee. Maar door de fusie is het wel efficiënter geworden om een dergelijk issue te lijf te gaan. Alleen al door het feit dat er gewerkt gaat worden met één LIMS (laboratory information management system, red.). We hebben meer capaciteit en kunnen analyses flexibeler uitvoeren omdat we met meer mensen zijn, nu ruim 350 man. Ook schuiven we als WFSR aan tafel bij de NVWA bij een incident. Dat deed voorheen alleen het lab van de NVWA zelf. Je kunt dus sneller schakelen. Bovendien is er door de bundeling veel meer dieptekennis ontstaan. Dat was hard nodig. Vergeet niet dat er de afgelopen jaren bij de NVWA, ook in de laboratoria, heel veel is bezuinigd waardoor er veel kennis verdwenen is. De kracht van het oude NVWA-deel zit in routine en die wordt binnen WFSR gebundeld met wetenschappelijke kennis.”

Is het niet vreemd dat de overheid nu geen eigen lab op het gebied van voedselveiligheid in huis heeft?

“Dat valt wel mee. De helft van food zat al bij het RIKILT. Voor dierziekten heeft de overheid het al sinds mensenheugenis niet meer in huis. We hebben een als WFSR een expliciete opdracht dat we functioneren als rijkslaboratorium. Daarom heb ik twee bazen: Louise Fresco vanuit de WUR en voor het overheidswerk is de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Carola Schouten.”

Wat kan Wageningen Food Safety Research betekenen voor de voedingsmiddelenindustrie?

“Primair is WFSR bedoeld voor de overheid, maar natuurlijk gaan we ook kijken in hoeverre ons onderzoek en onze innovaties relevant zijn voor de BV Nederland. Samen met bedrijven in publiek-private samenwerkingen (PPS-constructies) kijken proberen we met onze kennis en kunde bij te dragen aan een oplossing. Onze meerwaarde zit in snellere, betere en accuratere diagnostiek: methodeontwikkeling en risico-onderzoek. Zijn er methodes te ontwikkelen die online of inline (in de productielijn, red.) al allergenen, contaminanten, residuen, et cetera kunnen aantonen voordat het echt een probleem wordt?”

Kan WFSR naast overheidswerk ook rechtstreeks werk doen voor het bedrijfsleven?

“Nee, tenzij de NVWA en de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en LNV vooraf toestemming geven. Dat geldt voor het bedrijfsleven, ngo’s en overheidsprojecten waar een bedrijf bij betrokken is. De voorwaarden zijn strikter geworden en het moet in het belang zijn van de volksgezondheid. Rikilt mocht zonder meer analyses doen voor het bedrijfsleven. Toestemming van de NVWA was niet nodig. Melden moesten we pas als een bepaalde stof boven een norm was. Bij WFSR moet er al goedkeuring van de NVWA komen bij de initiële vraag van een bedrijf om iets te gaan meten of te onderzoeken. Dat is natuurlijk een andere fase, een fase van vermoeden. Dat zal invloed hebben op het aantal opdrachten vanuit het bedrijfsleven.”

Waarom zijn die voorwaarden strikter?

“De belangrijkste reden is de compromitteerbaarheid van de autoriteitspositie van de NVWA. De toezichthouder wil niet in de situatie komen dat een bedrijf kan zeggen: ik heb iets laten meten door jullie eigen lab en nu komen jullie met een ander resultaat uit hetzelfde lab. Stel de NVWA wil metiningen gaan doen op het gebruik van fipronil. Stel een bedrijf komt daar achter en die laat zijn producten snel testen bij ons, maar voorziet ons als dan niet bewust van schone monsters. Dan bestaat het risico dat er een discussie ontstaat over de kwaliteit van de monsternames. Daar wil je als autoriteit uit blijven.”

Een belangrijk onderzoeksterrein van WFSR is het vroeg signaleren van risico’s. Kunt u voorbeelden geven waar de industrie profiteert van uw onderzoek?

“Voedselveiligheid en het denken daarover is steeds meer aan het verschuiven naar ‘safety by design’. Risico’s wil je al heel vroeg kunnen tackelen, liefst ver voordat het koekje in de verpakking zit. We doen dit onder andere door voorspellende modellen te ontwikkelen. Daarnaast ontwikkelen we ook nieuwe testmethoden. Een goed voorbeeld is een methode die we recent met een Chinese partner hebben ontwikkeld om neonicotinoïden (een groep neuro-actieve insecticiden die chemisch verwant zijn met nicotine, red.) eenvoudig te kunnen aantonen. Dat zijn de middelen die ervan verdacht worden dat ze de bijenpopulaties verzwakken. Hiervoor is een simpele test ontwikkeld die nu door bedrijven wordt gebruikt. Verder leveren we al heel lang een immunologische test op chlooramfenicol voor vis- en vleesproducten. Die wordt wereldwijd gebruikt. Onze kracht zit dus in het ontwikkelen van dergelijke simpel te hanteren testen.”

WFSR doet ook onderzoek naar testen met de mobiele telefoon. Wat is de voortgang?

“Dan gaat het over screeningstesten die niet alleen kunnen worden gebruikt door de industrie, maar ook door de inspecteur en zelfs de consument. We werken bijvoorbeeld aan een test waarbij je met je mobiele telefoon een scan kunt maken van olijfolie. Die scan wordt vervolgens vergeleken met een database, waarna je de melding krijgt: ‘Hier is wat mee aan de hand, koop maar een andere fles’. Zo’n scanner kijkt dan door het glas heen onder meer naar de vetzuursamenstelling. Deze test komt binnen enkele jaren binnen handbereik van de consument. Op dit moment coördineren we een groot Europees project gericht op smartphonetesten op heel diverse terreinen.”

Financiering

De overheid financiert ruim 80 procent van het WFSR-werk. Het overige geld komt van de EU (voor onderzoeksprojecten), publiek-private samenwerkingen en – een paar procent – vanuit het bedrijfs- leven. WFSR heeft twee grote contracten met de overheid: het oude Rikilt-contract gericht op beleid en opsporing en een contract met daarin alle handhavingstaken die zijn overgenomen van het NVWA-lab.

Komen die smartphonetesten ook voor de consument beschikbaar?

“Dat is een kwestie van tijd. Infraroodcamera’s worden straks gewoon in de smartphone gebouwd. Met de juiste app kun je dan testen doen. Dit soort ontwikkelingen zijn om twee redenen belangrijk. Enerzijds kun je gevoelige, bijvoorbeeld allergische consumenten een middel in handen geven waarmee ze iets meer controle hebben over hun levensmiddelenpakket. Maar dan moeten de testen geen foute resultaten geven, anders is het gevaarlijk. Maar ook op het gebied van voedselfraude en voedselveiligheid kunnen consumenten zo zelf inschatten of een product integer of bonafide is. Dat zou het imago van sommige voedingsmiddelen kunnen verbeteren.”

Stel dat straks iedereen mogelijke fraude met olijfolie vast kan stellen met de telefoon, maak je daarmee fraude onmogelijk?

“Je zult het in elk geval heel sterk terugdringen. Weet je, controle is van alle tijden. De eerste voorloper van het WFSR stamt uit 1893, dat was de Keuringsdienst in Rotterdam. Binnen een jaar na de oprichting van het lab werd in Rotterdam de hoeveelheid voedselfraude met de helft teruggedrongen. Dat kwam niet alleen door de controles, maar de wetenschap dat je bekeken wordt, doet al heel veel. Dus als consumenten straks zelf kunnen controleren, zal dat ervoor zorgen dat de slechte spelers snel boven komen drijven. Daar heeft het grootste deel van de bedrijven dat het wel goed doet profijt van.”

Belangrijk voor de voedselveiligheid is ook het vroegtijdig signaleren van onbekende en opkomende risico’s. Hoe kan WFSR eraan bijdragen dat een toekomstige fipronilcrisis wordt voorkomen?

“De voedselketen, maar ook wij als lab, zou veel beter moeten gaan nadenken over de vraag: welke problematiek speelt er nou precies in elke keten? Achteraf gezien had iedereen kunnen zien dat de bloedluis een gigaprobleem is in de kippenstallen. Dan weet je dus dat die bedrijven nadenken over de bestrijding ervan. Je moet de problematiek (her)kennen en je realiseren dat er naar oplossingen zal worden gezocht. Hoe gaan toeleveranciers daarmee om? Welke middelen worden er gebruikt? Dat is de risico-inschatting. Vervolgens
is het de taak van het lab om methoden te ontwikkelen die opkomende verschillen kunnen ontdekken in de aanwezigheid van chemicaliën. Een dioxine-incident in 2004 kwam aan het licht door een Rikilt-onderzoeker die in een melkanalyse een dioxinepiekje zag op een plek waar het anders nooit zit. Dat piekje was ver onder de limiet, een normaal lab zou er daarom niet ‘op aanslaan’. Toch vond onze meer forensisch ingestelde onderzoeker dat vreemd: ‘Hé, normaal zit hier nooit een piek’. Uiteindelijk bleek het te gaan om één boerderij die twintig keer boven de norm zat omdat de boer aardappelschillen als diervoeder gebruikte. Die schillen kwamen van een chipsfabrikant die een nieuwe manier van aardappels sorteren had geïntroduceerd en daarbij klei gebruikte die uit een verkeerde mijn uit Duitsland kwam. Dat ‘zien’ van nieuwe signalen wil je eigenlijk borgen en liefst automatiseren. Het zou mooi zijn als alle overheids- en private laboratoria alle informatie niet herleid- baar delen in een centrale database waarna je met speciale software kunt gaan analyseren, zoeken naar patronen, trends en speuren naar pieken op plaatsen waar je ze anders nooit ziet. Vroeger keek je chemisch analytisch alleen naar een specifieke stof. Met de moderne massaspectrometrie kun je continu het hele spectrum bekijken. Deze techniek is breder, gevoeliger, ruis verdwijnt en informatie kun je delen.”

Referentielab

WFSR functioneert tevens als nationaal en Europees referentielaboratorium. Het NVWA-lab had de NRL-taak (NRL = Nationale Referentie Laboratorium, red.) voor pesticiden en ook voor foodborne virussen, zoals Hepatitis A en E en het norovirus. De referentietaken van Rikilt zijn bij WFSR gebleven. De meeste referentietaken voor pathogene bacteriën liggen bij het RIVM, terwijl het dagelijkse onderzoek op pathogenen vrijwel volledig bij WFSR gebeurt. Van Gorcom: “Daar ben ik ook heel blij mee, want Rikilt deed als grootste lab niets aan pathogene virussen en bacteriën. Dat vond ik een gemis. Ook heeft Rikilt er in 2018 een heel belangrijke EU-referentietaak bij gekregen op het gebied van mycotoxinen en planttoxinen. In het licht van de klimaatverandering is dat van belang. Daarnaast hebben we een referentietaak op het gebied van groeibevorderaars. Daarmee hebben we twee Europese referentiefuncties. Met WFSR zijn we nu weer een compleet voedselveiligheidsinstituut.”

Is dat niet wat utopisch?

“Misschien ben ik wat idealistisch. Maar ik vind wel dat we moeten nadenken over wat er mogelijk is over vijf of tien jaar en daarnaartoe gaan werken.”

Zijn er al eerste stappen?

“We kijken nu wel hoe we in de brede spectra zelf onbekende signalen kunnen opvissen. Van machine naar machine en van lab naar lab is een volgende stap, maar daar zijn we nog ver vanaf. Maar er is nog meer big data waar je iets mee kunt. Neem de social media, kranten, wetenschappelijke literatuur. Er zijn steeds meer manieren om die informatie aan elkaar te knopen. Stel dat je in een bepaald land dat het aantal koeien gelijk blijft en de melkproductie tegelijkertijd sterk stijgt, dan is er iets vreemd aan de hand. Dergelijke data kan een startpunt zijn om verder te kijken. Gebeuren er dingen in de wereld die een voorspellende werking kunnen hebben op een problematiek die eraan komt. We weten dat er bijvoorbeeld steeds meer drugsafval wordt gedumpt in Nederland. We zouden gek zijn als we in de buurt van dat afval dan niet gaan zoeken naar veranderingen in het grondwater of op voedselproductie. Dat zijn stoffen die je niet in je voedsel wenst.

Een andere trend die je daarin ziet is circulaire landbouw. Minister Schouten heeft daarover een visie uitgebracht. We willen naar circulaire economie. Dat betekent rondpompen van stoffen. Maar daarbij doemen nieuwe risico’s op. BSE was hét voorbeeld van een circulair probleem. Dat geldt ook voor chemische veiligheid. We moeten dus nadenken over de mogelijke risico’s van een circulaire keten. Je proces moet erop zijn ingericht dat je ophoping van rotzooi voorkomt. Zomaar iets hergebruiken kan niet. Je zult moeten testen. Hoe kun je mest van een beest dat ziek is geweest en waar dus mogelijk antibioticum in zit hergebruiken? Is er een voorbehandeling nodig? Over al dat soort vragen moet worden nagedacht.”

Hoe actief moet de voedingsmiddelenindustrie hierin zijn?

“Heel actief. Een groot onderwerp binnen de industrie is de reductie van zout in producten. Wat je ziet is dat zout vaak wordt vervangen voor kruiden. Kruiden komen uit het plantenrijk en daar komen de meest giftige stoffen voor. Zelfs in basilicum komen stoffen voor die je niet teveel moet binnenkrijgen. Bij elke verandering in recept of proces moet je nagaan of er nieuwe potentiële risico’s ontstaan. Daarom is de interactie tussen mensen uit verschillende disciplines zo belangrijk. Dat wordt veel te weinig gedaan.”

Komt er vanuit het WFSR geen standaard signalering richting de voedingsmiddelenindustrie om te wijzen op mogelijke nieuwe risico’s?

“Het zou goed zijn als er veel meer interactie zou zijn op dat vlak. De industrie komt immers zelf ook veel tegen. Er is één sector waar dat de afgelopen jaren best goed is opgezet, de kalversector. Daar wordt inmiddels best veel info uitgewisseld, ook met ons en de NVWA. Maar in veel sectoren zien we dat niet. Zelf ben ik bezig geweest met een initiatief om tussen de rijkslaboratoria meer informatie uit te wisselen. Want zaken die de douane tegen komt, kunnen ook voor ons van belang zijn. Informatie over drugsafval vanuit het Nederlands Forensisch Instituut is voor ons relevant. Een jaar geleden hebben we dit besloten en nu een overlegstructuur voor op te zetten. We spreken elkaar een paar keer per jaar en kunnen in een afgeschermde omgeving informatie uitwisselen. ‘Early warning’, ik kom iets tegen, misschien kan het ook voor jullie relevant worden.”

Is het niet slim om ook het bedrijfsleven hieraan te koppelen?

“Het zou goed zijn als je tweezijdige transparantie zou creëren. We hebben wel eens een relatie met zo’n voedingsmiddelenbedrijf gehad. Dat was ook heel transparant naar de NVWA toe. Maar dat is nu niet meer het geval. Dat heeft altijd met mensen en vertrouwen te maken.”

Reageer op dit artikel