artikel

Focus op beheer van allergenen

Voedselveiligheid & Kwaliteit

Focus op beheer van allergenen

Allergenenbeheer krijgt in voedselveiligheidssystemen een steeds prominentere rol. Hoewel de beheersmaatregelen bij producenten toenemen, stijgt het aantal allergenenrecalls.

In Nederland is dat vorig jaar verviervoudigd. Ook in Europa (RASFF) is er een stijging zichtbaar. De vraag is of de focus in allergenenbeheersystemen wel op de juiste punten ligt.

De aanwezigheid van een allergeen dat niet op het etiket staat, kan verschillende oorzaken hebben. Allergenen Consultancy stelde vijf basispijlers in allergenenbeheer vast, waar fouten kunnen ontstaan met nietgeëtiketteerde allergenen tot gevolg:

  1. Grondstofinformatie. Informatie over de producten zoals de fabrikant die inkoopt bij zijn leverancier.
  2. Receptuurbeheer. De manier waarop een producent de samenstelling van een product beheert.
  3. Ontwerp van het etiket (op basis van pijler 1 en 2).
  4. Verwisseling. Wanneer een producent grondstoffen, halffabricaten of etiketten verwisselt, komt de informatie van het etiket niet overeen met de samenstelling van het verpakte product.
  5. Kruisbesmetting. Onbedoelde aanwezigheid van andere ingrediënten of producten door teelt en verwerking van producten.

Vaak wordt bij allergenenbeheer direct gedacht aan pijler 5, kruisbesmetting. Bij afwijkingen op de overige vier pijlers is echter geen sprake van sporen of kleine hoe veelheden. Daar bestaat de mogelijkheid dat een allergeen ingrediënt is gebruikt zonder dat dit op de verpakking staat vermeld. De risico’s voor allergische consumenten zijn dan vaak groter dan door kruisbesmettings risico’s. De eerste vier pijlers blijken echter in de praktijk regelmatig onderbelicht of worden niet altijd als voedselveiligheidsrisico gezien. Gestructureerd werken – ook bij inkoopprocessen en marketing of commerciële afdelingen – en een goed databeheer met koppeling van gegevens, zijn bij dit alles erg belangrijk om fouten te voorkomen.

Allergenenrecalls

Het aantal allergenenrecalls in Nederland is vorig jaar opvallend gestegen. Van 10 meldingen in 2014 naar 40 in 2015, terwijl dat er in 2013 slechts 5 waren (zie figuur 2). Wat opvalt in de meldingen over 2015 is dat afwijkingen bij pijler 3 en 4 de hoofdoorzaken waren. Fouten in verpakkingsontwerp en verwisseling zijn verantwoordelijk voor 80 procent van alle allergeenmeldingen. De vele fouten in ontwerp en beheer van etiketten zijn opvallend, aangezien van de vijf basispijlers met name pijler 3 wettelijk is geregeld. Verordening (EU) 1169/2011 stelt eisen aan een juiste ingre diëntendeclaratie, inclusief de gebruikte allergene ingrediënten. Fabrikanten beheersen deze wettelijke verplichting blijkbaar nog niet voldoende.

Verandering standpunt retail

Onder andere vanwege allergenenrecalls, maar ook door toegenomen consumentenbewustzijn en vragen, leggen retailers de lat steeds hoger voor hun privatelabelproducenten. Vooral de Engelse retail hanteert al jaren strenge standards of guidelines met daarin eisen aan allergenenbeheer. Ook in Nederland is een duidelijke tendens te zien, waarbij een omslag heeft plaatsgevonden in zienswijze en aanpak van allergeneninformatie. Waar voorheen de gemeenschappelijke insteek gold dat alleen een mogelijke kruisbesmetting met noten en pinda’s werd geëtiketteerd, is het beleid per retailer nu verschillend. De meesten onderkennen de beperking van de waarschuwing van noten en pinda’s. Andere allergenen kunnen immers ook aanwezig zijn door kruisbesmetting en voor ernstige reacties zorgen. Het wijdverbreide misverstand dat alleen pinda’s en noten anafylactische reacties kunnen veroorzaken, lijkt daarmee langzaam te verdwijnen. Alle IgE- gemedieerde voedselallergieën – ook voor garnalen, vis of melk – kunnen een heftige reactie veroorzaken. Het concept van hoogrisicoallergenen houdt daarmee geen stand.

Lange lijsten ongeloofwaardig

Fabrikanten zouden dus een waarschuwing voor andere allergenen dan noten en pinda’s ook op het etiket mogen vermelden. Om – dat er veertien wettelijke allergenen zijn, zouden daarop lange lijsten met waarschuwingen komen te staan. Onzorgvuldigdig waarschuwen voor allergenen – met lange lijsten – of voor allergenen die niet aanwezig kunnen zijn, tast de geloofwaardigheid van product en merk aan. Retailers zijn bij het vaststellen van de allergenenwaarschuwing op de verpakking echter afhankelijk van de kwa liteit van de informatie die zij van hun privatelabelproducenten krijgen. Hoe hun leveranciers met deze problematiek omgaan, varieert van goed onderbouwde keuzes tot indekken en gemakzucht. Meerdere retailers vragen dan ook om een onderbouwing van allergenenwaarschuwingen. Albert Heijn heeft onlangs zijn privatelabelproducenten opge dragen om deze onderbouwing met behulp van de VITAL-systematiek uit te voeren.

Risicobeoordeling en VITAL

VITAL is een risicobeoordelingssystematiek waarbij wordt berekend of kruisbesmetting met een bepaald allergeen een risico vormt voor de allergische consument. Pas wanneer een risico kan optreden en niet met preventieve maatregelen kan worden voorkomen, wordt – bij toepassen van de VITAL-aanpak – overgegaan tot het plaatsen van een waarschuwing op het etiket. Overigens wordt er wel van uitgegaan dat een goed functionerend allergenenmanagementsysteem aanwezig is. VITAL is dus de laatste stap in allergenen management om de overgebleven risico’s in te schatten. Veel bedrijven blijken nog niet zo ver te zijn (zie vijf basispijlers en recalls). Zij dienen dus eerst de basis op orde te brengen voordat zij VITAL zinvol kunnen toepassen. Daarnaast blijkt in de praktijk dat veel gegevens, met name op het vlak van grondstof- en procesinformatie, niet standaard beschikbaar zijn. Denk aan gekwantificeerde kruisbesmetting van ingre diënten. Met alleen een plus, een min of vraagteken, zoals allergenenlijsten meestal zijn ingevuld, kan een producent niet rekenen.

Voordat een bedrijf met VITAL kan star – ten, zal het extra gegevens bij toeleveranciers moeten opvragen en procesgegevens, zoals hoeveelheid achterblijvend product, moeten bepalen. Vaak zijn voor deze voorbereidingen enige maanden nodig. Gelukkig zijn steeds meer B2B-toeleveranciers zich hiervan bewust. Zij passen op hun eigen productieprocessen ook VITAL toe en kunnen zo de gevraagde informatie leveren. Mits alle cijfers aanwezig, zijn de uiteindelijke berekeningen niet tijdsintensief.

Reference doses

VITAL is ontwikkeld door het Australische Allergen Bureau, dat ook de rekentool VITAL Online beheert en tegen betaling beschikbaar stelt. Uiteraard kan ook een eigen berekening worden uitgevoerd zonder dit aangeboden hulpmiddel, zolang er geen rekenfouten worden gemaakt en de reference doses worden gebruikt. Deze laatste vormen de basis van het systeem. Een reference dose is de absolute hoe veelheid allergeen eiwit (mg) die een aanvaardbaar risico op reacties bij een allergische consument oplevert en daarmee als veilige grens gezien kan worden. Binnen VITAL is het maximale risiconiveau vast gesteld op 1 procent milde reacties, die geen medische ingreep vereisen, bij mensen met een allergie. Voor elk allergeen is een eigen grens vastgesteld. De reference dose is overigens niet gelijk aan een concentratie in een product. De reference dose is gesteld in mg, een concentratie in mg per kilo (ppm), en moet dus worden omgerekend aan de hand van de consumptiehoeveelheid van het product.

Europese allergenen

In de Australische wetgeving zijn minder allergenen vastgesteld dan in de Europese. Lupine, mosterd, weekdieren en selderij staan in Australië niet op de lijst met te etiketteren allergenen. Op dit moment zijn binnen VITAL wel reference doses vastgesteld voor lupine en mosterd, maar nog niet voor selderij en weekdieren. Aan dat laatste wordt gewerkt door het Allergen Bureau (vital.allergenbureau.net) in samenwerking met het Wetenschappelijk Expert Panel, waar TNO deel van uitmaakt, zodat producenten de in Europa wettelijk vastgestelde allergenen met behulp van het VITAL-systeem kunnen berekenen. Op dit moment vinden voorbereidende aanpassingen plaats aan VITAL Online zodat een proefversie met daarin de in Europa verplichte allergenen eind mei kan worden getest. Daarna is het mogelijk om te kiezen tussen allergenen volgens Australische of Europese wetgeving.

Wereldwijde acceptatie

De acceptatie van het reference dose-principe voor allergenen neemt wereldwijd toe. Daarmee komt de weg vrij voor een risicogebaseerde aanpak en het nemen van passende maatregelen aan de hand van de vastgestelde risico’s. Sommige landen hanteren echter nog steeds een nultolerantie. Tot voor kort was dat in Nederland ook het geval. Elke besmetting met allergenen moet een producent officieel melden, maar op dit moment bestudeert bureau Risicobeoordeling & Onderzoekprogammering van de NVWA (BuRO) de reference doses voor allergenen. De NVWA geeft op haar website aan dat ze tot publicatie van het advies BuRO per incident de risico’s zal inschatten.

Wetgeving

Kruisbesmetting met allergenen is niet expliciet wettelijk geregeld. Met name over de definitie ervan bestaat tussen stakeholders discussie en verschil van inzicht. Verordening (EG) 1169/2011 vermeldt als definitie van een ingrediënt: “elke stof of product … die/dat … wordt gebruikt en nog in het eindproduct aanwezig is”. Voorstanders redeneren dat “als een allergeen detecteer baar is, is dit dus aanwezig” en daarmee beschouwen zij een kruisbesmetting dus als een ingrediënt. Tegenstanders wijzen erop dat bij deze redenering wordt voorbijgegaan aan het zinsdeel waarin wordt gesteld dat de stof “wordt gebruikt”. Volgens hen impliceert dit een bewuste handeling en dat is niet het geval bij on bedoelde aanwezigheid van een kruisbesmetting. Daarnaast stelt artikel 36 dat de Commissie een zogeheten uitvoeringshandeling zal opstellen voor de volgende vrijwillige voedselinformatie: informatie over de mogelijke onbedoelde aanwezigheid in voedsel van stoffen of producten die allergieën of into leranties kunnen veroorzaken. Om deze uitvoeringshandeling vast te stellen, is in januari de EU-Task Force on Precautionary Allergen Labelling gestart.

Eisen schema’s niet compleet

Schema-eigenaren als de BRC breiden de eisen voor allergenenmanagement in elke versie uit. De eisen zijn voornamelijk gericht op het voorkomen van kruisbesmetting met allergenen. Kruisbesmetting is echter maar één onderdeel van het allergenenbeheer. Uit de recalls is op te maken dat in de praktijk vaak andere oorzaken aan te wijzen zijn voor allergenenissues. In bestaande certificatieschema’s worden echter geen of erg summier eisen gesteld aan receptuurbeheer. De pijler verwisseling krijgt wel aandacht, maar de schema-eigenaren richten zich alleen op het voorkomen van etiketverwisseling. Verwisseling van halffabricaten wordt niet belicht. Denk aan preventieve maatregelen als het identificeren van normwagens, kratten, bins of bigbags met halffabricaat of afgewogen ingrediënten die zijn bedoeld voor verdere productie. Ook is het aantal te toetsen eisen tijdens een audit groot en de beschikbare tijd kort, waardoor diepgang vaak ontbreekt. Dit hiaat wordt opgelost door het in ontwikkeling zijnde certificatieschema SimplyOK. Dat is uitsluitend gericht op allergenenmanagement en informatie en dient als aanvulling op bestaande schema’s. Het certificatieprogramma van SimplyOK is ondertussen gereed.

SimplyOK is opgezet met als doel om consumenten te informeren over de manier waarop de allergeneninformatie op het etiket tot stand is gekomen (volledige en betrouwbare informatie). Hiervoor is ook een beeldmerk ontwikkeld. Dit zal voorlopig nog niet op verpakkingen verschijnen. Fabrikanten en retail hebben op dit moment vooral behoefte aan onafhankelijke toetsing van allergenenmanagementsystemen, juiste toepassing van VITAL en betrouwbare allergeneninformatie. Ook om te kunnen aantonen aan B2B-afnemers dat het allergenenbeheer onder controle is, is SimplyOK een ideaal instrument.

Analyse

Wanneer producenten VITAL toepassen en daarbij, afhankelijk van de concentratie keuzes maken, willen zij maar ook hun afnemers, auditors en toezichthouders, de aannames en uitkomsten ervan controleren. Vandaar dat er steeds vaker producten worden geanalyseerd op de aanwezigheid van allergenen (kader). Omdat een laboratorium geen inzicht heeft in de precieze samenstelling en bewerking van een product, moet degene die monsters instuurt zelf vaststellen of de analyse geschikt is. Dat kan door, eenmalig, een positief en een negatief monster te laten analyseren. Dit voorkomt onnodige analyses en foutieve conclusies.

Standaarddetectietechnieken

De standaardtechnieken voor detectie zijn immunologische (ELISA) en PCR-testen. Beide kennen voor- en nadelen. Er is geen gouden standaard. In het ene geval is een ELISA- test geschikter en in het andere een PCR-analyse. Dit heeft vooral te maken met:

1. Het allergeen in het product.
Voor selderij zijn alleen PCR-testen beschikbaar. Maar ook het eiwitgehalte en de eiwitsamenstelling van het allergene ingrediënt zijn van groot belang. Eigeel wordt bijvoorbeeld niet vastgesteld met een test die uitsluitend eiwitten uit het wit van ei detecteert. Ook zal een sojatest in geraffineerde soja-olie geen soja-eiwit detecteren. Het is daarin namelijk niet aanwezig.

2. De productbewerking.
Bij hoogverhitte producten worden vaak lagere allergeengehaltes gemeten dan er daadwerkelijk inzit. Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij ei- en sojatesten. Maar met extreem verhitte producten, zoals frituurolie, hebben alle allergenentesten moeite. Vaak is er geen detectie, maar dat wil niet zeggen dat het allergeen niet aanwezig is en allergische reacties niet zullen optreden.

3. De productsamenstelling.
Andere componenten kunnen een analyse beïnvloeden en zowel vals positieve als vals negatieve resultaten veroorzaken. Bijvoorbeeld door kruisreacties met andere stof-fen of door onderdrukking van de reactie. Zo geeft raapzaad een positieve uitslag in mosterdanalyses en wordt in producten met een hoog vetgehalte vaak minder tot geen allergeen gedetecteerd, terwijl dit wel aanwezig is.

Reageer op dit artikel