nieuws

De staat van de Nederlandse levensmiddelenindustrie: 6 uitdagingen onder de loep

Economie & Bedrijven

Het aantal voedingsbedrijven groeit, net als de werkgelegenheid in de levensmiddelenindustrie. Ook met de omzet zit het wel goed. Toch zijn er een aantal uitdagende kwesties: blijven de R&D-investeringen op peil en hoe ontwikkelt de arbeidsmarkt zich? ‘Het aantal openstaande vacatures in de voedingsindustrie stijgt spectaculair.’

De staat van de Nederlandse levensmiddelenindustrie: 6 uitdagingen onder de loep

Hoe staat de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie ervoor? Die blijkt nog steeds een belangrijke pijler van de Nederlandse economie, die direct werk biedt aan 144.000 mensen. Dit blijkt uit de onlangs gepresenteerde Monitor Levensmiddelenindustrie 2019 van de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI), zie helemaal onder. VMT zet zes belangrijke punten uit het rapport op een rij.

1) Lagere productiegroei, meer omzet

De productiewaarde van de levensmiddelenindustrie kwam in 2018 uit op € 68,7 miljard en minimale groei van 0,2% vergeleken met een jaar eerder. Terwijl in de vijf jaar ervoor de groei uitkwam op gemiddeld 3%.

De industriële sector als geheel kende een hogere productiegroei in 2018: 5%. Maar over een langere periode (2011-2018) bekeken, presteert de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie met een groeicijfer van bijna 8% beter dan de industriële sector, die in dit tijdsbestek niet boven de 6% uitkomt.

Maar in Europa…..

Vanuit Europees perspectief bezien, behoort Nederland tot de koplopers in groei van de productiewaarde. Sinds 2011 neemt die gemiddeld – samen met Polen – met 3,8% het snelst toe van de Europese landen. België, Frankrijk en Duitsland bleven steken op 2,5% groei in het tijdsvlak 2011-2017. Al zijn deze landen wel aan een inhaalslag bezig.

In 2017 groeide de productiewaarde in Nederland met 5%, terwijl die in andere belangrijke voedingsmiddelen producerende landen steeg met tussen de 6,5% en 9%.

De omzet in de voedingsmiddelenindustrie steeg van 2016 naar 2017 met 3,7% naar €76,7 miljard. De toegevoegde waarde nam met 1,3% toe tot €13,2 miljard in 2018 vergeleken met een jaar eerder.

2) Werkgelegenheid levensmiddelenindustrie

In 2018 waren er meer mensen werkzaam in de voedingsmiddelenindustrie, namelijk 144.000. Een jaar eerder kwam dat aantal nog uit op 140.000. In Nederland werkt zo’n 19% in de levensmiddelenindustrie. Utrecht geldt als de provincie waar procentueel de meeste mensen in deze sector werk vinden, namelijk zo’n 29%. Overijssel kent het laagste percentage met 13,5%.

Dat veel mensen brood zien in de levensmiddelenindustrie blijkt uit de groei van het aantal bedrijven. Dit aantal nam ten opzichte van 2018 met 5,5% toe naar 6525 in 2019. Wat opvalt, is dat vooral de hoeveelheid kleine bedrijven (1-9 werknemers) toeneemt. Sinds 2011 bedraagt die toename maar liefst 60%: van 3290 naar 5266 dit jaar. Ook komen er sinds 2017 meer grote bedrijven (meer dan 250 werknemers), van 60 naar 75 in 2019.

Vacatures

Het aantal bedrijven groeit, maar ook het aantal vacatures neemt toe. Deze tendens is al sinds 2013 gaande, maar vooral de laatste jaren zien voedingsmiddelenbedrijven de tekorten aan (gekwalificeerde) arbeidskrachten steeds groter worden. Al sinds 2013 stijgt het aantal openstaande vacatures met circa 22% per jaar. In 2018 was een spectaculaire stijging zichtbaar naar 37% openstaande banen vergeleken met 2017. Dat betekent dat de voedingsmiddelenindustrie vorig jaar 3700 functies niet vervuld kreeg.

Arbeidsproductiviteit

De levensmiddelenindustrie (ruim €115.000 in 2017) presteert beter op arbeidsproductiviteit (toegevoegde waarde per werknemer) dan de Nederlandse industrie (€108.000 in 2017) als geheel. Wat opvalt is de stijging in productiviteit in de chocoladesector met 12% van 128.400 naar 143.700 per werknemer.

3) (Loon) kosten

De personele kosten nemen in 2017 met 5,4% toe tot €8,7 miljard, ten opzichte van het jaar ervoor. Dit is een sterkere kostenstijging dan in de gehele industrie waar de personeelsuitgaven met 4,4% stegen. De overige kosten blijven min of meer gelijk (€8,9 miljard in 2017).

Dan zijn er nog de arbeidskosten per voltijd medewerker. Deze vertellen iets over de concurrentiepositie. Nederland heeft samen met Denemarken de hoogste arbeidskosten van de Europese Unie. Bulgarije en Roemenië hebben de laagste.

De arbeidskosten namen in de Nederlandse voedingsindustrie in 2017 (vergeleken met 2016) met 1,8% toe naar €61.200 per werknemer. In de drankensector stegen ze nog sterker: met 5,4% naar €80.000 per medewerker.

De Monitor maakt wel een kanttekening. Nederland mag dan hoge arbeidskosten hebben, de arbeidsproductiviteit en het opleidingsniveau zijn in Nederland ook hoog.

4) R&D-investeringen

Met de investeringen in onderzoek en ontwikkeling lijkt het weer de goede kant op te gaan. In 2015 was ineens een flinke daling zichtbaar in R&D-investeringen van €374 miljoen in 2014 naar € 315 miljoen een jaar later. Dit blijkt een incident, zo meldt de Monitor Levensmiddelenindustrie 2019 van de FNLI. In 2016 staken voedingsmiddelenbedrijven alweer €371 miljoen in R&D. Maar hoe zit het met 2017 en 2018? Recentere cijfers komen binnenkort beschikbaar en dan zal FNLI de Monitor actualiseren.

De R&D-investeringen lijken in de lift te zitten, maar als geheel liepen de investeringen van de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie in 2017 ten opzichte van 2016 met 2% terug. Desondanks investeert ons land nog steeds meer dan België, Spanje, Duitsland en Italië.

5) CO2-uitstoot

Wat betreft de uitstoot van broeikasgassen doet de levensmiddelenindustrie het niet slecht. De totale uitstoot steeg in 2016 met 3% ten opzichte van 2017, maar in dat jaar nam ook de productiewaarde met 5% toe. Dat betekent dat per euro geproduceerd levensmiddel de CO2-uitstoot in 2017 juist daalde met 2% vergeleken met 2017.

In totaal komt 9% van de broeikasgasemissies (in 2017) in de industriële sector voor rekening van de levensmiddelenindustrie.

“De uitdaging voor de komende jaren wordt het realiseren van een ‘absolute’ daling. De Nederlandse levensmiddelenindustrie committeert zich aan de 49%-reductie in 2030. Daarvoor is een stimulerend klimaatbeleid in Nederland en Europa hard nodig”, licht FNLI-directeur Marian Geluk toe.

6) Uitvoer

De uitvoer van Nederlandse levensmiddelen blijft redelijk stabiel. Wat wel opvalt is dat de export naar onze buurlanden licht daalt. De uitvoerwaarde naar België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bedroeg €24,5 miljard in 2018, een daling van 0,5% vergeleken met 2017.

Een positieve ontwikkeling is de stijgende export van producten afkomstig van Nederlandse voedingsbedrijven naar de rest van de wereld. Deze liet een stijging zien van 4,6%, ofwel €13,7 miljard in 2018 ten opzichte van 2017.

 

Reageer op dit artikel