artikel

Vaart maken met innovatie

Economie & Bedrijven

Vaart maken met innovatie

Het voedingsonderzoek van TNO bestaat vanaf 1 januari volgend jaar niet meer zelfstandig. Het onderzoek en het personeel gaan op in het voedingsonderzoek van Food & Biobased Research in Wageningen.

Samen vormen ze het Dutch Food Initiative, dat foodbedrijven wereldwijd moet verleiden om in Wageningen toegepast onderzoek uit te besteden.

“Dutch Food Initiative (DFI) is nog een werktitel”, benadrukt Raoul Bino, directeur van Wageningen Food & Biobased Research. “We willen graag Wageningen in de titel hebben, dat is wereldwijd heel erg bekend.” De naam TNO gaat niet mee, meldt directeur Niek Snoeij van TNO Gezond Leven. De afgelopen jaren is het samengaan van het voedingsonderzoek van TNO en Wageningen Food & Biobased Research vaker aan bod gekomen. In 2014 zijn de gesprekken serieuzer geworden, waarvoor het Grand Design aanleiding (zie kader) was, vertelt Snoeij. “De vraag was hoe we het voedingsonderzoek in Nederland konden versterken en verbeteren. TNO en Wageningen startten daarom een samenwerking in twee onderzoeksprogramma’s om alvast aan elkaar te wennen.” Bino: “Het Grand Design was een plan van het bedrijfsleven, TKI Agrifood, het Topinstituut Agrifood en het ministerie van Economische Zaken. Ze vonden het belangrijk dat de krachten werden gebundeld. Dat vonden onze organisaties ook,” vertelt de Wageningse directeur. Beide heren zijn dan ook enthousiast over de fusie.

Jullie werkten in het verleden al samen. Waarom echt samengaan?
Bino: “Door ook echt bij elkaar te zitten en elkaar bij de koffieautomaat aan te treffen, wordt innovatie gestimuleerd. Dat is ook het doel van de Wageningen Campus. Daarom zijn FrieslandCampina en Unilever binnenkort eveneens hier gevestigd. We werken samen in projecten, maar het heeft meerwaarde dicht bij elkaar te zitten om vaart te kunnen maken met innovaties.”
Snoeij vult aan: “Samenwerking is de basis, maar samen op één plek zitten, versterkt de uitstraling van het voedingsonderzoek in Nederland. Zeker naar het buitenland toe.”

Welke kennis brengt TNO mee naar Wageningen? Welke synergie gaat verloren met de rest van het onderzoek bij TNO dat non-food is maar wel bijvoorbeeld onder Gezond Leven valt?
Snoeij: “De researchgroep Functional Ingredients gaat over naar Wageningen. Verbanden met groepen binnen en buiten TNO zullen we zeker behouden. Zo’n onderwerp is bijvoorbeeld het printen van voeding. Binnen TNO wordt samengewerkt met printexperts van TNO in Eindhoven. Het zou jammer als die samenwerking verloren gaat.” Tegen Bino: “Volgens mij vinden jullie dit onderwerp ook interessant voor de toekomst. Dat zouden we wel willen borgen in de nieuwe organisatie.”

Gaan jullie nog onderzoekslijnen afstoten? Of juist samen nieuwe onderzoekslijnen opstarten?
Snoeij: “Nee, ik ga er niet vanuit dat er iets van het voedingsonderzoek achterblijft in Zeist. TNO richt zich op gezondheid, waarbij leefstijl een belangrijk element is. Net als altijd zullen we ook in de nieuwe situatie anticiperen op nieuwe impulsen en veranderende klantvragen. Dit bepaalt wat we uitbouwen of afbouwen.”

Is er overlap tussen de onderwerpen van TNO en WUR?
Bino: “Dat valt wel mee. Omdat we zo lang hebben samengewerkt, zijn de verschillen tussen ons groter dan dat er overlap is. We hebben expertises die tegen elkaar liggen. Eiwitten is een voorbeeld. TNO zit meer in functionaliteit en WUR meer in toepassingen. Bovendien doen wij meer onderzoek aan plantaardige eiwitten dan TNO.”

Bij NIZO is ook een heleboel kennis aanwezig over eiwitten. Hoe verhouden jullie je tot hen? Hadden jullie ze ook niet bij het nieuwe instituut willen hebben?
Snoeij: “Omdat zowel TNO als de WUR onder het ministerie van EZ valt, is het gemakkelijker om ons samen te voegen. NIZO is een zelfstandige organisatie met een eigen bestuursvorm, maar als het project zich ervoor leent, schromen wij niet om hen in te schakelen. We werken in projecten al samen met hen. Juist omdat ze een andere expertise hebben. Ook bij hen weten we precies wat zij kunnen en waar we de aansluiting vinden.”

Welke opdracht krijgen jullie van de overheid mee en krijgen jullie ook extra geld?
Bino: “We krijgen een deel van de inkomsten van de overheid. Dat is voor beide organisaties ongeveer 35 tot 40 procent van het totale budget. Maar het is geen steun. De overheid wil de innovatiekracht van Nederland versterken en heeft daarvoor een kennisinfrastructuur nodig. Die rol spelen wij op het gebied van voeding. Wil je de rol ook in de komende tien, twintig jaar goed blijven uitoefenen, moeten we de krachten bundelen.”

Is het doel een sterk Nederlands onderzoeksinstituut te vormen als tegenwicht tegen vergelijkbare Europese instituten zoals INRA in Frankrijk en het Fraunhofer in Duitsland? Hoe verhouden jullie je ten opzichte daarvan?
Bino: “We zijn geen van allen gelijk, maar zitten wel in dezelfde sfeer. Fraunhofer bijvoorbeeld krijgt meer geld van de overheid en voert meer fundamenteel onderzoek uit. Ook in Denemarken, Engeland en Frankrijk zijn er vergelijkbare instituten. Ik zeg: als grote bedrijven uit het buitenland Wageningen kiezen om onderzoek uit te voeren, dan doen we iets goed.”

Hoe verhouden jullie je tot R&D-afdelingen bij grote bedrijven?
Snoeij: “De tijd dat bedrijven zelf een heel grote R&D-afdeling hebben, is voorbij. Ze zijn veel meer naar een model van open innovatie gegaan. Er wordt veel meer samengewerkt tussen partners, dat was al bij de TIFN-projecten het geval. Ze bogen op de infrastructuur bij instituten. Nederland heeft bewust gekozen voor minder zelf, meer samen.”
Bino: “Organisaties zoals NWO vragen ook steeds meer om bedrijfsparticipatie in zelfs fundamenteel wetenschappelijke projecten bij het verstrekken van subsidie.”

Hoe gaat het met innovatie in Nederland?
Bino: “Heel erg goed. Het bestuur van het Topinstituut Agrifood heeft een overzicht gemaakt van het aantal R&D-projecten op Agri & Foodgebied. Fantastisch! We zijn nummer één van de wereld, dat durf ik zo te zeggen. Dat juist Unilever naar Wageningen komt, wil veel zeggen. Ze hebben over heel de wereld gekeken waar ze hun R&D kunnen plaatsen en de keus is op Wageningen gevallen.”

Kan het mkb ook bij jullie terecht?
Bino: “Ons uitgangspunt is dat we voor het hele spectrum aan bedrijven werken en dat blijft ongewijzigd in de nieuwe constructie. Via het programma TKI Agrifood kunnen kleine bedrijven onderzoek laten uitvoeren, maar het blijft voor ons een uitdaging om te zorgen dat we open en toegankelijk blijven voor het mkb. Grote bedrijven vinden hun weg wel naar onderzoeksinstituten, kleine moet je meer helpen.”
Snoeij: “Grote bedrijven hebben onderzoek ook beter georganiseerd dan kleine, maar mkb heeft dezelfde wetenschappelijke vragen. Door zich te organiseren bijvoorbeeld via de bakkerijkoepel ontstaat ook samenwerking.” Bino vult aan: “We moeten ze wel extra aandacht geven, want we horen dat kleine bedrijven het moeilijk vinden om ons te benaderen. Onderzoek is duur, dat is ook lastig voor hen. Onderzoek moet je kunnen implementeren als bedrijf. Ze moeten het in de strategie opnemen. Dat eist investeringen. Ook iets als IP-bescherming is lastig voor mkb.”

Je gaf net aan dat onderzoek duur is. Wordt onderzoek goedkoper door jullie samengaan?
Bino: “In wezen kun je synergiewinst behalen door samen te gaan. Het gaat daarbij echter niet om goedkoper, maar om beter, sneller en dieper onderzoek doen. Dat is nodig wil een bedrijf de concurrentieslag winnen van de rest. Simpele oplossingen zijn allang bedacht. Ik wil een groot compliment geven aan het ministerie van EZ. Het gevoerde topsectorenbeleid is uitermate belangrijk voor ons en voor het bedrijfsleven. EZ geeft extra aandacht aan agrifood. Deze sector is een banenmotor voor Nederland. Daarom steunt het ministerie dit initiatief.”

Betekent extra aandacht ook extra geld?
Bino: “Ja, maar het is geld dat het bedrijfsleven krijgt om onderzoek te doen in Nederland via verschillende belastingmaatregelen en TKI-regelingen. Wij moeten ook de infrastructuur in stand houden. Een deel van de subsidie wordt daarnaast gebruikt om onderzoek te doen dat niet direct toepasbaar is. Onze tariefstelling is ook hoger dan bijvoorbeeld van het NIZO. Bedrijven moeten echt voor ons kiezen als ze onderzoek willen doen.”

Wat is de volgende stap die moet worden gezet op de weg naar Holland Food Valley? Wat ontbreekt er nog?
Bino: “We zijn uitermate blij dat Unilever hier naar toe komt. Wat nog ontbreekt is een bedrijf dat zich met big data bezighoudt. Alles gaat draaien om big data in de agrifood. Een bedrijf zoals Google of IBM zou daarom hier prima passen.”

Grand Design Topsector Agrifood

In april 2014 heeft TKI Agri & Food een Grand Designtraject gepresenteerd waarmee de agrifoodsector zijn wereldwijd leidende rol verder kan uitbouwen. Het ministerie van Economische Zaken wilde tijdelijke initiatieven waarin bedrijven en onderzoekers samenwerken aan onderzoeksthema’s structureel inbedden in de hele kennisketen. Concentratie van onderzoekscapaciteit was daar onderdeel van. Zo gaat ook het TIFN-onderzoek over naar het TKI Agri & Food.

Reageer op dit artikel