artikel

De vier grootste watervraagstukken voor de voedingsindustrie

Duurzaamheid & MVO

De vier grootste watervraagstukken voor de voedingsindustrie

De beschikbaarheid van voldoende en betaalbaar water van de juiste kwaliteit voor een redelijke prijs: voor veel bedrijven is dat een voorwaarde voor vestiging in Nederland. Maar blijft dit zo? Klimaatverandering kan deze gunstige condities onder druk zetten. Dit artikel is verschenen in VMT 10 van oktober.

Waterafhankelijke bedrijven zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor bijna twintig procent van de totale productiewaarde in Nederland. Een economie zonder voldoende zoetwater van de juiste kwaliteit is in Nederland ondenkbaar. De vestigingscondities zijn goed: ons land is gunstig gelegen in een delta van grote rivieren en beschikt over voldoende water. Daardoor hebben we een concurrentievoordeel ten opzichte van andere landen. Toch staan deze condities onder druk, onder andere door klimaatverandering. De grootste wateruitdagingen liggen op de volgende gebieden:

1. Waterbeschikbaarheid

In Nederland hebben we niet altijd genoeg water op het juiste tijdstip, op de juiste plek en van de juiste kwaliteit. De droge zomer van 2018 toonde nog maar weer eens aan dat watertekorten niet alleen in Zuid-Europa voorkomen. Het jaar 2018 was vergelijkbaar met het recordjaar 1976. Het neerslagtekort was drie keer groter dan in een gemiddeld jaar. Grondwaterstanden op de hoge zandgronden zakten ver onderuit en waterpeilen in sloten, rivieren, kanalen en vijvers konden niet overal op niveau worden gehouden. Ook was er in delen van het land sprake van verzilting van oppervlaktewater. Dit gebeurde zelfs in het IJsselmeer en in het Amsterdam-Rijnkanaal. Dat had niemand verwacht. De overheid werkt binnen het nationale Deltaprogramma aan maatregelen die ertoe moeten leiden dat de toekomstige (zoet)watervoorziening op het gewenste niveau blijft. Naast de overheid, moeten ook watergebruikers een bijdrage leveren. Zo heeft de voedingsmiddelenindustrie een verantwoordelijkheid om water zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Bedrijven moeten inzetten op een duurzame omgang met zoetwater die gericht is op de vermindering van watergerelateerde risico’s. Gelukkig ziet de voedingsindustrie deze verantwoordelijkheid. Cijfers tonen aan dat het watergebruik binnen de sector de afgelopen jaren is gedaald. Maar de potentie is nog niet ten volle benut; er zijn mogelijkheden om het watergebruik verder te reduceren. Dit kan door waterkringlopen te sluiten: in de fabriek, in de keten én door lokaal of regionaal samen te werken met andere watergebruikers zoals agrariërs en natuurbeheerders. Een sprekend voorbeeld hiervan is het project Boer Bier Water, waar onder meer Brouwerij Bavaria bij betrokken is.

2. Waterkwaliteit

In een klein land als het onze staat de kwaliteit van grondwater, rivieren, sloten en plassen voortdurend onder druk. Dit komt door mest, gewasbeschermingsmiddelen, medicijnresten en nieuwe, nog onbekende chemische stoffen die in het water terechtkomen. Overheden en bedrijven werken hard aan de kwaliteit van het water. Met resultaat. De Nederlandse wateren zijn in decennia niet zo schoon geweest. Tegelijkertijd halen incidenten met lozingen in rivieren en plassen de laatste jaren het nieuws en worden er wereldwijd steeds meer chemische stoffen geproduceerd en gebruikt. Vaak zijn de eigenschappen van deze stoffen niet goed bekend. Deze ‘opkomende stoffen’ kunnen een risico vormen voor de waterkwaliteit, maar ook voor drinkwater dat gemaakt is uit oppervlakte- of grondwater. Het verder verbeteren en op orde houden van de waterkwaliteit is een gigantische klus waaraan veel partijen een bijdrage moeten leveren. Voor voedingsmiddelenbedrijven is het van belang dat zij de kwaliteit van het ingenomen oppervlakte- of grondwater scherp in de gaten houden en zicht hebben op risicovolle activiteiten in de omgeving van de winningen. Zo kunnen bodemenergiesystemen – zoals systemen voor opslag van warmte en koude – een risico vormen voor de grondwaterkwaliteit.

3. Waterkosten

Het verwijderen van al die ‘nieuwe’ stoffen vergt extra inspanningen van de overheid: de waterschappen zullen hun zuiveringen moeten aanpassen. Dat betekent dat waterzuivering duurder wordt. Voedingsmiddelenbedrijven die hun proces(afval)water nu nog naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap sturen, moeten zich realiseren dat ze in de toekomst waarschijnlijk meer zuiveringsheffing moeten gaan betalen. Het kan dan ook zinvol zijn om te onderzoeken of je als bedrijf het water niet beter zelf kunt zuiveren. Dat kan goedkoper zijn dan zuivering door het waterschap. Uiteraard vereist dit wel investeringen in een eigen zuiveringsinstallatie. Zelf zuiveren kan ook nog andere voordelen hebben. Zo is het bij bepaalde typen installaties mogelijk om de operationele kosten van de zuivering te verminderen en energie te produceren in de vorm van biogas. Biogas is een hernieuwbare energiebron die kan worden gebruikt voor elektriciteits- en warmteproductie. Een andere mogelijkheid is het gezuiverde water opnieuw inzetten in het productieproces. Inmiddels bestaan er technologieën waarmee proceswater (deelstromen) voor dat doel kan worden behandeld. Dit kan een duurzame oplossing zijn waarmee ook nog eens kosten kunnen worden bespaard omdat er minder (drink)water ingekocht hoeft te worden.

4. Waarde van water in circulaire economie

Afvalwater bevat waardevolle hulpbronnen die kunnen worden teruggewonnen en hergebruikt. Denk aan energie, fosfor, stikstof, kalium en de bouwstoffen voor bioplastics. Grondstoffen terugwinnen uit bijvoorbeeld afvalstromen voorkomt dat bronnen uitputten. Daarnaast kan er energie en geld mee worden bespaard. Waterschappen experimenteren al enige tijd met de ‘Grondstoffenfabriek’ (zie pag. 27). In zo’n fabriek wordt volop onderzoek gedaan naar het terugwinnen van grondstoffen uit afvalwater. Fosfaat bijvoorbeeld is een steeds schaarser wordende grondstof die gebruikt wordt bij de productie van voedsel. Het winnen van fosfaat uit afvalwater is niet alleen goed voor het milieu, maar bespaart ook kosten. Er zijn hiervoor goede mogelijkheden voor samenwerking. Een voorbeeld is Waterschap Rijn en IJssel dat de nieuwe grondstof Kaumera Nereda Gum wint uit het restwater van de productielocaties van FrieslandCampina in Lochem en Borculo. Probleem voor de korte termijn is dat de huidige wet- en regelgeving nog een hinderpaal vormt voor de afzet van grondstoffen zoals Kaumera Nereda Gum. Aangezien de grondstof uit afvalwater wordt gewonnen, heeft het een ‘afvalstatus’. Toch wordt verwacht dat grondstoffenterugwinning kansrijk is op de wat langere termijn. Niet alleen voor waterschappen, ook voor voedingsbedrijven die te maken hebben met afvalwater zijn er mogelijkheden.

 

 

 

R. Tummers is directeur van de Vereniging Energie, Milieu en Water (VEMW), rt@vemw.nl

Reageer op dit artikel