nieuws

Achtergrond: Alternatieve proteïnen en hun weg naar de markt

Algemeen

Achtergrond: Alternatieve proteïnen en hun weg naar de markt

Wat hebben proteïnen, ofwel eiwitten, gewonnen uit lupine, insecten, waterlinzen, algen, zeewier, quinoa en uit kweekvlees met elkaar gemeen? Zij vormen alle een mogelijke vervanging van of aanvulling op (traditionele) dierlijke eiwitten. Maar de weg naar de markt is niet altijd een gelopen race.

Dit artikel (bron: Waar & Wet, december 2017, met toestemming overgenomen, red.) duikt in de mogelijkheden en belemmeringen voor de verhandeling van ‘alternatieve proteïnen’. Hieronder verstaan
wij zowel dierlijke en plantaardige eiwitten, alsmede zogenaamde nieuwe voedingsmiddelen. Auteurs zijn Karin Verzijden en Jasmin Buijs van Axon Advocaten.

Kip en wat dies meer zij

Vleesvervangers een beladen onderwerp? Dat is de insteek van het artikel ‘Het moet wel kip blijven’ in Waar&Wet, nr. 5 van juli 2017. In dat artikel vergelijkt Frans Egberts onder meer de ecologische voetafdruk van vleesproducten en vleesvervangers. Volgens hem valt die vergelijking niet altijd in het voordeel van vleesvervangers uit. Verder verzet hij zich tegen de benaming van sommige vleesvervangers. Doordat zij refereren aan traditionele benamingen voor vleesproducten, zoals in het geval van ‘speckjes’ of ‘gehackt’, zou van misleiding sprake kunnen zijn. Recent stelde de NVWA zich (kortstondig) op hetzelfde standpunt ten aanzien van producten van de Vegetarische Slager.1 Voor de nuance in het debat heeft de redactie WAAR&WET ons benaderd voor een ‘tegengeluid’. Wij hebben zo’n tegengeluid overwogen, maar het leek ons interessanter een toelichting te geven op de veelzijdigheid van producten die kunnen worden geconsumeerd als vleesvervanger of in aanvulling op vlees. Daarbij valt op dat de toegang tot de markt van deze producten per soort verschilt. Dit artikel licht deze verschillen toe tegen de achtergrond van het toepasselijk juridisch kader en op basis van informatie uit de markt.

Noodzaak alternatieve proteïnen

Nut en noodzaak van de consumptie van alternatieven voor vlees zijn tegenwoordig niet meer omstreden. Dit heeft met name te maken met gezondheid, duurzaamheid en dierenwelzijn. Wat betreft gezondheid lijkt het rapport van het WHO-kankeragentschap gepubliceerd op 26 oktober 2015 een keerpunt. Dit betreft een rapport opgesteld door 22 wetenschappers uit 10 landen op basis van 800 epidemiologische studies. De uitkomst vermeldt dat de consumptie van 50 gram bewerkt vlees (zoals worst en ham) per dag het risico op darmkanker vergroot met 18%.2 Op 4 november 2015 publiceert de Gezondheidsraad de vernieuwde versie van de Richtlijnen goede voeding. Deze zijn een weergave van de actuele stand van de wetenschap over de relatie tussen voeding en chronische ziekten. Ook hier is de kern van de aanbevelingen voor een gezond voedingspatroon een meer plantaardig en minder dierlijk dieet aan te houden.3

Het verhaal over duurzaamheid is bekend. De huidige productiemethoden van levensmiddelen (waaronder vlees), vragen te veel van onze natuurlijke bronnen om duurzaam te zijn in 2050, wanneer onze wereldbevolking naar verwachting 9,8 miljard mensen telt.4 Verder bestaat er een disbalans in consumptie: terwijl tegenwoordig 462 miljoen mensen lijden aan ondergewicht, hebben juist 1,9 miljard mensen overgewicht.5 Tot slot valt, wegens toenemende welvaart, op sommige plekken in de wereld toenemende consumptie van vlees te verwachten, bijvoorbeeld in China met zijn 1,4 miljard inwoners.6 Ten opzichte van Europa met zo’n 500 miljoen inwoners zijn dit enorme aantallen. Het is daarom moeilijk voorstelbaar dat ons consumptiepatroon ongewijzigd wordt voortgezet.

Voor een aantal mensen speelt bij hun keus voor vleesvervangers dierenwelzijn een bepalende rol. Ook al is het fokken en houden van dieren voor consumptie gereguleerd en wordt hun welzijn gecontroleerd,7 minder consumptie van dieren betekent simpelweg dat minder dieren behoeven te worden gedood. Soms valt niet te vermijden dat in de veehouderij een virus de kop opsteekt. Om verdere verspreiding tegen te gaan, worden dieren in zo’n geval vaak op massale schaal geruimd. Denk bijvoorbeeld aan de varkenspest in 1997/1998, ontstaan in Duitsland door het voeden van varkens met onverhitte restproducten uit keukens. In deze periode werden in dertien maanden meer dan twaalf miljoen varkens vernietigd. 700.000 hiervan waren besmet met het virus; de overige werden preventief geruimd.8 Ter bescherming van het voortbestaan van de veestapel kan deze maatregel worden verdedigd. Vanuit menselijk oogpunt blijft dit echter moeilijk te verteren, vooral wanneer betreffend virus voor mensen niet besmettelijk is en een groot aantal dieren preventief wordt geruimd.

Novel food of niet?

Als alternatief voor en in aanvulling op vlees bestaat tegenwoordig een groot aantal mogelijkheden die in de toekomst naar verwachting nog zullen toenemen.9 Sommige van deze levensmiddelen worden volgens een hoogtechnologisch procedé vervaardigd. Andere zijn simpelweg nieuw voor menselijk consumptie, althans hier in Europa. Voor dit soort producten is de Novel Food-wetgeving van belang; zij zullen aan specifieke veiligheidseisen moeten voldoen voor marktbetreding. Andere alternatieve proteïnen zijn niet aan de Novel Food-wetgeving gebonden en kunnen zonder enige
belemmering in de EU worden verhandeld. Dit artikel beoogt inzicht te verschaffen waar de scheidslijn van wel of geen novel food ligt. Voor een goed begrip wordt hieronder kort het wettelijk kader van de Novel Food-wetgeving toegelicht, alsmede de op handen zijnde wijzigingen daarin.

Huidige Novel Food-wetgeving

Een ‘nieuw levensmiddel’ of novel food is een levensmiddel of ingrediënt dat voor 15 mei 1997 binnen de EU niet in significante mate voor menselijke voeding werd gebruikt. 15 mei 1997 slaat terug op de datum sinds welke de eerste Novel Food Verordening10 (Vo. 258/97) van toepassing is. Aanvankelijk valt ook genetisch gemodificeerd voedsel onder deze verordening, maar hiervoor is later specifieke wetgeving ontworpen.11 Vooralsnog beslaat de Novel Food Verordening voedingsmiddelen en voedselingrediënten:12
– met een nieuwe of gewijzigde primaire molecuulstructuur;
– die bestaan uit micro-organismen, schimmels of algen;
– die bestaan uit planten of delen die daaruit zijn geïsoleerd en voedselingrediënten die uit dieren zijn geïsoleerd;
– waarvan de voedingswaarde, het metabolisme of gehalte aan ongewenste stoffen tijdens het productieproces op significante wijze is gewijzigd.

Wanneer een voedingsmiddel of voedselingrediënt in een van deze categorieën valt en geen zogenaamde ‘geschiedenis van veilig gebruik’ heeft, moet een autorisatie voor verhandeling worden verkregen. Hiervoor dient een uitgebreid veiligheidsdossier te worden ingediend bij de bevoegde nationale autoriteit (in Nederland het Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen van het CBG), die deze doorstuurt naar de Europese Commissie. De Commissie verspreidt deze aanvrage vervolgens onder de lidstaten, die hun opmerkingen of bezwaren aan de Commissie doorgeven.13 Als een lidstaat bezwaar heeft tegen verhandeling van een novel food, wint de Commissie het advies van de EFSA in.14 Dit orgaan is onder de huidige wetgeving niet gebonden aan een termijn voor haar advies. In
de praktijk kan de gehele goedkeuringsprocedure daarom wel zo’n drie tot vijf jaar in beslag nemen. Positief resultaat behelst een individuele autorisatie voor de aanvragende partij.

Een verkorte procedure is beschikbaar op basis van zogenaamde ‘wezenlijke gelijkwaardigheid’.15 Dit houdt in dat het nieuwe levensmiddel of voedselingrediënt qua samenstelling, voedingswaarde, metabolisme, beoogd gebruik en gehalte aan ongewenste stoffen gelijkwaardig is aan een bestaand voedingsmiddel of een eerder geautoriseerde novel food. In zo’n geval volstaat het dat de bevoegde nationale autoriteit een veiligheidsdossier beoordeelt en de Commissie notificeert dat wezenlijke gelijkwaardigheid is vastgesteld. Zo’n procedure kan aanmerkelijk sneller worden doorlopen dan een gehele goedkeuringsprocedure; doorgaans binnen zes tot twaalf maanden na indienen van het dossier bij de nationale bevoegde autoriteiten. In de praktijk is markttoetreding op
basis van de verkorte procedure veelvuldig voorgekomen.16

Nieuwe Novel Food-wetgeving
Het totaal aantal Novel Food-autorisaties tussen 2000 en 2017 is beperkt gebleven tot 116.17 Waar de eerste Novel Food Verordening heeft bijgedragen aan de veiligheid van nieuwe levensmiddelen, vormt deze wet bepaald geen stimulans voor productinnovatie. De verordening moest daarop op de schop, niet alleen voor het stroomlijnen van de autorisatieprocedure, maar ook voor aanpassing aan de huidige stand van de techniek en anticipatie op de toekomst.

Verder is voorzien in de vereenvoudigde introductie in de EU van traditionele levensmiddelen uit derde landen.
De nieuwe Novel Food Verordening18 (Vo. 2015/2283) is van toepassing op 1 januari 2018. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de huidige wetgeving zijn de volgende:
– stroomlijning autorisatieprocedure: een aanvraag voor een handelsvergunning wordt rechtstreeks ingediend bij de Commissie19, die het totale autorisatietraject beoogt te beperken tot achttien maanden.
– generieke autorisaties: autorisaties worden niet langer verleend op individuele basis, maar worden opgenomen in de Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen.
Ieder die voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend, kan het betreffende levensmiddel op de markt brengen.20 De procedure van wezenlijke gelijkwaardigheid komt hiermee te vervallen.
– vereenvoudigde autorisatieprocedure voor traditionele levensmiddelen uit derde landen: levensmiddelen die ten minste een generatie (25 jaar) een plaats hebben in het dieet in landen buiten de EU, kunnen in de EU worden toegelaten op basis van gedocumenteerde gegevens waaruit een geschiedenis van veilig gebruik blijkt.21
– uitbreiding aantal categorieën novel foods: in totaal onderscheidt de nieuwe Novel Food Verordening tien categorieën novel foods.22 In aanvulling op de bestaande vier categorieën worden nu ook als novel foods benoemd levensmiddelen geproduceerd uit celcultuur (‘kweekvlees’) en uit hele dieren (insecten).

Hieronder wordt beschreven welke impact de huidige en toekomstige Novel Food-wetgeving heeft ten aanzien van zes voedingsmiddelen of voedselingrediënten.

Proteïnen uit koolzaad

Een voorbeeld van plantaardige eiwitten vormt het product dat DSM wint uit koolzaad en verhandelt onder de naam CanolaPRO™. Feitelijk is dit een bijproduct uit de vervaardiging van koolzaadolie, gemaakt uit de cake die overblijft na persing van het koolzaad. Voordat dit product voor de humane consumptie kan worden toegepast, moeten eerst enkele stoffen worden verwijderd. DSM heeft hiervoor specifieke technologie ontwikkeld en ziet goede potentie voor dit product, onder meer ten behoeve van ouderen- en sportvoeding. Koolzaad is immers beschikbaar in groot volume; er hoeft geen extra land voor verbouwing te worden aangewend. Verder heeft het product een gunstig nutritioneel profiel (het bevat alle essentiële aminozuren met een hoge verteerbaarheid23) en heeft het een goede functionaliteit wat betreft oplosbaarheid, emulgerend vermogen, viscositeit (mayonaise!) en stabiliteit. Qua oplosbaarheid komt het in de buurt van wei-eiwit, wat het mogelijk geschikt maakt als vervanger van dierlijke eiwitten.

De DSM-koolzaadproteïne is een novel food. In plaats van zelf het complete Novel Food-traject te doorlopen heeft DSM marktautorisatie verkregen op basis van wezenlijke gelijkwaardigheid. Het referentieproduct betrof een koolzaad proteïne van een Duitse firma, die op 1 juli 2014 een autorisatie voor verhandeling verkreeg.24 DSM heeft aangetoond dat haar product qua samenstelling, voedingswaarde, beoogd gebruik en gehalte aan ongewenste stoffen hiermee overeenstemt. Hierna is op 27 maart 2017 de notificatie van wezenlijke gelijkwaardigheid aan de lidstaten gedaan en opgenomen in het zogenaamde notificatieregister.25 Het totale traject van wezenlijke gelijkwaardigheid heeft na eerste submissie van het dossier bij het CBG, omstreeks negen maanden geduurd.

 

 

Reageer op dit artikel