artikel

Met ketenpartners werken aan CO2-reductie om grotere stappen te zetten

Algemeen

Met ketenpartners werken aan CO2-reductie om grotere stappen te zetten

Volgens de Klimaatwet moet Nederland in 2050 nagenoeg klimaatneutraal zijn. Dit betekent dat de foodindustrie voor een enorme opgave staat. Samen met hun ketenpartners zullen ze moeten werken aan een aanzienlijke CO2-reductie. Hoe gaat die samenwerking in de keten tot nu toe? En waar zien de ketenpartners nog kansen voor verbetering? Dit artikel is verschenen in VMT 11 van 28 september.

“In de hele keten zien we dat de retail nog weinig doet om de uitstoot van CO2 te verminderen”, zegt Jasper Scholten, manager life cycle assessments bij Blonk Consultants. “Retailers oefenen nog nauwelijks druk uit op hun leveranciers en ze passen het eigen assortiment nog niet aan. In de winter wordt er bijvoorbeeld nog altijd groenten en fruit ingevlogen. Dat heeft zo’n hoge CO2-footprint dat je dat vanuit milieuoverwegingen gewoon niet meer moet doen.” Hij ziet dat er wel voedingsmiddelenbedrijven zijn die serieuze stappen zetten om de CO2-footprint in de keten te verlagen. “Machtige bedrijven kiezen vaak voor het opleggen van een norm aan hun leveranciers. Dit is een snelle oplossing waarbij ze weinig kennis nodig hebben van hetgene wat ze van hen vragen. Een nadeel kan zijn dat er weinig aandacht is voor de berekeningswijze en dat leveranciers het zien als iets dat snel moet worden afgevinkt. Minder machtige partijen kiezen vaker voor een samenwerking. Het voordeel daarvan is dat je de leverancier aanspreekt op zijn intrinsieke motivatie om te verduurzamen. Dit zijn langdurige trajecten waarbij er ook wordt gekeken naar de kennis en het budget dat nodig is om het doel te behalen.”

Premie

In veel ketens heeft de agrarische sector een hoge CO2-footprint. “Uit onderzoek van Trouw blijkt dat 85% van de boeren aangeeft duurzamer te willen landbouwen”, zegt Hedwig Boerrigter, directeur van Stichting Veldleeuwerik. “Daar hoort ook fi nanciële duurzaamheid bij en daar zit vaak de bottleneck.” Haar stichting zet zich in voor het verduurzamen van de akkerbouw. Boerrigter ziet dat er hier en daar wel goede initiatieven ontstaan. Zo geeft SuikerUnie haar toeleveranciers een premie voor de duurzaamheidsstappen die zij zetten. “Dit gaat slechts om een klein bedrag. Maar het is beter dan niets. Je moet het zien als een schouderklopje”, zegt Boerrigter. Ook Heineken, Koopmans Meelfabrieken, HAK en de Rabobank hebben een (kleine) incentive voor de Veldleeuwerik-telers. Boerrigter vindt het bovendien belangrijk dat afnemers het gesprek met de boeren aangaan. Klaas Hoekstra, teler en bestuurslid bij de stichting, is dat met haar eens. “Het klakkeloos opleggen van normen geeft gerommel in de marge. Om echt grote duurzaamheidsslagen te maken, is het belangrijk om het grotere geheel te zien. Dat kan alleen als alle partijen hetzelfde doel voor ogen hebben en zich daar gezamenlijk voor inspannen.” 

Nieuwe rassen

Hoekstra vertelt dat er nog veel vraag is naar producten van oude rassen die kwetsbaar zijn voor ziektes en die niet efficiënt omgaan met de stikstof uit de mest. Daardoor zijn telers genoodzaakt om meer mest en bestrijdingsmiddelen te gebruiken dan ze zouden willen. “Veredelingsbedrijven willen wel rassen ontwikkelen die een minder hoge milieu-impact hebben. Maar ze moeten daar wettelijk de ruimte voor krijgen én de afnemers moeten bereid zijn om de producten van die rassen te kopen.” Hoekstra ziet dat er op kleine schaal wel goede samenwerkingen in de keten ontstaan. Zo heeft Bionext aangekondigd dat het bepaalde rassen die gevoelig zijn voor ziektes over vijf tot tien jaar niet meer accepteert. Dit betekent dat veredelingsbedrijven genoodzaakt zijn om nieuwe rassen te ontwikkelen die robuuster zijn. De oude rassen worden uitgefaseerd. Ook in de suikerbietteelt zijn er de afgelopen jaren grote stappen gezet. De suikerbiettelers gebruiken nu rassen die twee keer zo efficiënt omgaan met stikstof dan vroeger. “Dat zijn mooie stappen vooruit”, vindt Hoekstra. “Maar de realiteit is dat we als telers aan de wereldmarkt leveren. Daarom is het niet voldoende als alleen afnemers hogere duurzaamheidseisen gaan stellen. Ook internationale overheden zouden sturend moeten optreden. Zij kunnen opleggen dat rassen met een hoge milieu-impact niet meer mogen worden geteeld. Dat draagt eraan bij dat we grotere stappen vooruit zetten, daar ben ik van overtuigd.”

Machines vervangen

Naast de agrarische sector, zorgen ook energieverslindende machines voor een hogere CO2-footprint. Ron De Keersmaeker, director processing solutions & equipment bij Tetra Pak, zegt dat er de afgelopen jaren veel vooruitgang is geboekt. “Vroeger lag de focus bij het ontwerp van een productielijn alleen op het leveren van een hoge capaciteit. De laatste tien jaar is er veel meer aandacht voor de reductie van energie, water en voedselverspilling. Het probleem is dat veel machines twintig tot dertig jaar meegaan. Het vergt een enorme investering om de bestaande machines te vervangen. Dit kost tijd. Gelukkig werken we vandaag de dag steeds meer met modulaire systemen. Daardoor kunnen we in de toekomst modules vervangen en upgraden als er betere technologieën beschikbaar komen.” De Keersmaeker vertelt dat hij echt grote duurzaamheidsstappen kan zetten bij nieuwbouw- en grote renovatieprojecten. “Het mooie van nieuwbouw is dat je met een holistische blik naar het productieproces kunt kijken. Zo konden we in de nieuwe Beemster-kaasmakerij processtappen samenvoegen. En we hebben de nieuwste generatie separatoren met vacuümtechnologie toegepast. Qua energieverbruik zijn dat grote stappen vooruit.” In zijn totaliteit verbruikt de nieuwe Beemster-kaasmakerij nu 25% minder energie, 75% minder water en er wordt 25% minder afvalwater geproduceerd.

Productstromen scheiden

Ondanks alle inspanningen zijn er ook processtappen waarbij het moeilijk is om energie te reduceren. Sproeidrogen is daar een voorbeeld van. De Keersmaeker: “Het verpoederen van producten kost zoveel energie dat je je moet afvragen of je dat bij alle type producten nog wel moet doen. Vanuit energie-oogpunt is het beter om meer met concentraten te werken.” De Keersmaeker zegt dat er in veel productieprocessen ook nog winst valt te behalen door productstromen te concentreren of van elkaar te scheiden. “Door bijvoorbeeld melk te concentreren heb je minder vrachtverkeer nodig dat de melk van de boer naar de fabriek transporteert. Door productstromen te scheiden kun je een specifi eke behandeling geven aan een klein deel van de stroom. Dit doe je bijvoorbeeld bij het homogeniseren van melk waarbij het volstaat om alleen de room te homogeniseren en niet de hele melkstroom.” Ook is er nog energie te besparen door voedselverspilling tegen te gaan. “Er gaat nu nog altijd veel product verloren bij de reiniging van machines”, zegt De Keersmaeker. “En er wordt nog relatief veel product afgekeurd, bijvoorbeeld bij de opstart van een lijn. Je kunt slimme oplossingen inzetten om dit tegen te gaan. Maar het is ook goed om je te realiseren dat de voedselverspilling door consumenten vele malen groter is. Dit is te verminderen door de houdbaarheid van de producten te verlengen.”

Elektrisch transport

Een derde belangrijke stap bij het terugdringen van CO2 is het verduurzamen van het transport. Voor grote vrachtwagens is er nog nauwelijks zero-emissietechnologie beschikbaar. Voor kleine vrachtwagens die korte afstanden rijden lijkt elektrisch rijden de winnende technologie en is de beschikbaarheid al veel beter. “Nu elektrisch rijden bij kleine vrachtwagens een succes lijkt, zal deze technologie zich verder doorontwikkelen”, zegt Eelco den Boer, senioronderzoeker bij CE Delft . “Wellicht wordt deze technologie daardoor in de toekomst ook toepasbaar voor grote trucks. Maar deskundigen zijn het daar nog niet over eens. Het zou ook zomaar kunnen dat rijden op waterstof voor grote trucks de toekomst heeft .” Den Boer zegt dat voedingsmiddelenbedrijven zeker een bijdrage kunnen leveren in deze ontwikkeling. “De auto-industrie ontwikkelt pas modellen als vervoerders daarom vragen. Vervoerders op hun beurt maken pas de overstap als hun opdrachtgevers dat van hen verlangen. Je hebt dus bedrijven nodig die hun nek uitsteken. Heineken is daar een goed voorbeeld van. Dit bedrijf heeft aangegeven dat het graag wil investeren in volledig zero-emissie transport. Heineken kan meedoen met pilots en experimenten met nieuwe modellen. Dat zal de ontwikkeling versnellen. Toch verwacht ik dat het nog tien tot vijft ien jaar zal duren voordat grote zero-emissie trucks op grote schaal worden geproduceerd.”

Lege kilometers

Den Boer zegt tot slot dat er ook kansen zijn voor het vervoer per boot of over het spoor. “Dit zijn goede alternatieven omdat de wegen dichtslippen. Nederlandse treinen zijn vaak al emissievrij. De meeste boten varen nog op diesel. Maar er worden ook elektrische schepen ontwikkeld.” Daarnaast ziet hij mogelijkheden voor het terugdringen van het aantal lege kilometers. “De branche zou kunnen investeren in een gemeenschappelijk digitaal platform waarop opdrachtgevers vrachten aanbieden. Of denk aan constructies waarbij Unilever bijvoorbeeld met volle vrachtwagens naar de distributiecentra van supermarktketens rijdt. Op de terugweg zouden zij enkele winkels kunnen bevoorraden. Hier valt een behoorlijke milieuwinst mee te behalen. Maar het vergt veel van de markt om dit goed te organiseren en van de grond te krijgen.”
  

Reageer op dit artikel