artikel

NVWA: ‘Veel te doen in korte tijd’

Algemeen

NVWA: ‘Veel te doen in korte tijd’

Rob van Lint volgde 1 juli vorig jaar Harry Paul op als inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Fipronil eiste meteen zijn aandacht, maar ook kennisbehoud in de eigen organisatie, een afwijkend standpunt voor Vital en samenwerking met het bedrijfsleven. Hoe kijkt de algemeen directeur terug op zijn eerste jaar waarin zijn organisatie kantelde? Dit artikel is verschenen in VMT 7 van 1 juni 2018.

Waar gaat uw voorkeur naar uit bij de volgende vijf dilemma’s? LNV of VWS?

“LNV.”

Consument of bedrijfsleven?

“Consument.”

Speelbal of Autoriteit?

“Autoriteit.”

Publiek of publiek-privaat toezicht?

“Publiek toezicht.”

Normbepalend of toezicht op norm?

“Toezicht op norm.”

Van Lint antwoordt telkens snel en kort. Alleen op de eerste vraag komt hij later in het gesprek expliciet terug. “LNV en VWS zijn voor mij even belangrijk. Ik heb echter geen enkele behoefte om bij LNV weg te gaan, eenvoudigweg omdat de onrust die dit met zich meebrengt afleidt van de inhoud.”

Hoe heeft u uw eerste jaar ervaren?

“De NVWA ervaar ik als een erg boeiende organisatie waar ik met buitengewoon veel plezier werk. Daarbij wil ik nauw in verbinding staan met het bedrijfsleven, daar ook het gesprek mee aangaan, en onder meer meelopen met inspecties om te weten wat er speelt.”

Wat is uw grootste zorg voor de NVWA?

“Dat we erg veel moeten doen in zeer korte tijd. Het verwachtingspatroon van de buitenwereld is heel erg groot. Een voorbeeld is de ontwikkeling van Inspect, ons geïntegreerde ict-systeem voor de inspecties. De bouw daarvan is al een enorme klus, laat staan dat al onze inspecteurs in al die verschillende domeinen ermee leren werken. Dat is een megaklus.”

Waar bent u het meest trots op?

“Op de integrale risicoanalyses. Die voor de pluimveevleesketen is zojuist verschenen. Daarin laten we zien welke kennis we vanuit verschillende perspectieven van een keten hebben, waar de risico’s zitten, waar we ons toezicht op moeten richten en waar het bedrijfsleven zaken anders moet gaan doen. Ook ben ik trots op de meer open verhouding die we aan het creëren zijn met het bedrijfsleven. De afgelopen maanden hebben we daarvoor een open overlegstructuur opgezet. Als er iets is, gaan we open het gesprek aan met de sector. De deur staat altijd open.”

Hoe heeft u uw eerste crisis ervaren?

“Erg onhandig was dat ik nog te weinig netwerk had kunnen opbouwen, zowel binnen de NVWA als daarbuiten. Ook was ik in de beginfase nog op vakantie.”

De aandacht kwam al snel op de NVWA te liggen. Vond u dat terecht?

“Dat hoort erbij, al stond al die aandacht niet in verhouding tot de aandacht die uitging naar de veroorzakers van de crisis. Belangrijk was onze keuze om – zoals ik al aangaf – open en transparant te zijn. We hebben volstrekt de indruk willen vermijden dat we dingen achter zouden houden, richting het bedrijfsleven maar ook richting consument. Daarbij hebben we de consument vooropgesteld, om die waar mogelijk handelingsperspectief te bieden. Dat is een bewuste keuze die ik steeds vaker zal maken.”

Bedrijven beklaagden zich erover dat ze traceringsinformatie niet snel ontvingen, waardoor ze geen maatregelen konden nemen.

“Zodra we relevante informatie voor recalls hadden, hebben we die beschikbaar gesteld. Dat spreekt voor zich. Je hebt hier echter ook te maken met een Wet bescherming persoonsgegevens. Een werkgroep zal kijken naar de juridische kaders om na te gaan welke informatie wel en niet kan worden gedeeld met private partijen.”

Wat zijn kritische zaken in de NVWAorganisatie die moeten verbeteren?

“De enorme hoeveelheid kennis en intelligente data die in onze organisatie aanwezig is bij elkaar brengen en daaruit de juiste conclusies trekken voor ons handhavingsbeleid. Ten tweede het nieuwe inspectiesysteem werkend krijgen. In de derde plaats is uniformiteit van inspectiebeoordelingen ongelooflijk belangrijk. Doordat meerdere diensten zijn samengebracht in de NVWA, kent onze organisatie nog te weinig uniformiteit in denken en doen. Het vierde is onze dienstverlening, zoals keuringen, zo goed mogelijk aan te laten aansluiten bij de wensen van het bedrijfsleven. Daarbij hoort ook zorgen dat je bereikbaar bent.”

Hoeveel inspecteurs kunt u effectief inzetten voor bedrijfscontroles in het veld?

“Die cijfers heb ik niet zo paraat, maar het is ook niet zo duidelijk. Een deel van het inspectiewerk verschuift naar kantoor, bijvoorbeeld slimme data-analyse waarmee we de fraude met meerlingen bij kalveren op het spoor kwamen. Je zult het veldwerk echter altijd heel hard nodig hebben. Voor sommige sectoren blijft het streven om bedrijven jaarlijks te bezoeken en minder risicovolle sectoren veel minder. Daarnaast hebben we te maken met EG-verordeningen. Je kunt niet alles vanachter een computer doen, maar dat er een verschuiving is, dat is evident. ”

Hoe gaat u borgen dat inspecteurs op dezelfde manier controleren en daarbij dezelfde afwegingen maken?

“Wij hebben de afgelopen tijd een algemeen en specifiek interventiebeleid geformuleerd. Hier en daar moet dat nog verder gestalte krijgen. Daarnaast moet er zowel in als tussen teams afstemming plaatsvinden. Omdat dit een intensief traject is, heb ik het even hiervoor als derde doelstelling genoemd. Inspecteurs zijn echter geen robots. Zij hebben een zekere professionele ruimte nodig en moeten als zij dat nodig achten van de officiële beleidslijn kunnen afwijken door scherper dan wel soepeler op te treden.” Gaat u op misleiding meer inspecteurs inzetten, ook al betreft het vaak geen voedselveiligheid? Of vindt u dit meer een taak van het bedrijfsleven zelf? “Dit is een van onze belangrijke opdrachten die wij uitvoeren en die hoge prioriteit heeft. We maken continu keuzes. Voor partijen die een deelbelang behartigen, is onze aandacht altijd te weinig. Alle wensen van iedereen vervullen, kunnen we echter niet. Zelfs als we veel meer budget zouden krijgen, moeten we keuzes blijven maken. Het begint echter bij het bedrijfsleven. Dat is zelf verantwoordelijk voor de naleving van wetgeving. Het zou hun eer te na moeten zijn als bedrijven daaraan niet voldoen. Dat geldt voor grote maatschappelijke thema’s zoals dierenwelzijn en voedselveiligheid én voor het geven van de juiste informatie aan de consument.” De NVWA zoekt voor haar toezicht de publiek-private samenwerking via ketenborging.nl. Continueert u dit beleid? “Jazeker, dat steun ik van harte. Het aantal schema’s dat we hebben beoordeeld, komt voorzichtig op gang. Een beperkt aantal schema’s is goedgekeurd. Het bedrijfsleven kan daar zeker nog verdere stappen zetten. Denk aan de integrale risicoanalyse van de pluimveevleesketen, waarin ik heb aangegeven dat het systeem van ketenborging. nl zich uitstekend voor deze sector zou lenen.” De Onderzoeksraad voor Veiligheid en de Rekenkamer waarschuwen dat kwaliteitssystemen een papieren werkelijkheid creëren. Neemt u dan niet een groot risico door met deze kwaliteitssystemen rekening te houden bij uw toezicht? “Belangrijk is dat je niet alleen afgaat op een papieren werkelijkheid, maar het systeem zo inricht dat het ook echt werkt. Hebben mensen de juiste bevoegdheden? Wordt informatie op de goede manier verzameld en verwerkt zodat mensen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen en wordt die ook daadwerkelijk genomen? Of ketenborging.nl goed werkt, controleren we in de praktijk via steekproeven.” Het bedrijfsleven maakt zich grote zorgen over afwijkende standpunten die de NVWA inneemt, onder meer bij listeria en allergenen – waar de NVWA zelfs de Vital-normen verwerpt. “Wat betreft de allergenen is er geen geharmoniseerde Europese aanpak, iets dat wij als NVWA wel willen. Dus ga je af op de kennis van ons Bureau Risicobeoordeling en onderzoek, dat daarvoor ook contact heeft gehad met diverse wetenschappers in Nederland, maar onder meer ook in EFSA-verband. Je ziet dat er verschil van inzicht is tussen NVWA, industrie, het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) en de EFSA over welke risico’s men nog verantwoord acht. We zijn over de verschillen in de gehanteerde risicobeoordelingen in gesprek, ook met de industrie. De vraag is: welk risico laat je de consument lopen?”

Voor Vital is nationaal en wereldwijd een breed draagvlak. Creëert de NVWA met haar afwijkende standpunt niet onnodig veel onrust en onbegrip bij bedrijfsleven en zelfs patiëntenorganisaties?

“Ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en schermt met wetenschappelijke resultaten waarop zij zich baseren. Zoals gezegd zijn we in gesprek om de reference doses te harmoniseren.”

Waarom niet eerst Vital geaccepteerd? Als later blijkt dat Europese normen daarvan afwijken, kan de NVWA altijd nog haar beleid daarop bijstellen. Is dat niet een meer werkbare volgorde?

“Ik begrijp dat genoemde verschillen niet in het belang zijn van het bedrijfsleven, maar we hebben ook een publiek belang, namelijk het beschermen van de consument. Het beeld dat in Vital alles volstrekt helder is en wij iets afwijkend doen, daar neem ik echt afstand van. Ook in Vital zijn er aannames die niet altijd goed zijn onderbouwd. Het bedrijfsleven vraagt van ons een soepele houding, de consument zou dat een volstrekt onbegrijpelijk standpunt vinden gezien alle onduidelijkheid die er over aannames en standpunten bestaat.”

Reageer op dit artikel