artikel

Philip den Ouden verlaat na dertien jaar zijn FNLI : ‘Leg je keuzes uit’

Algemeen

Philip den Ouden verlaat na dertien jaar zijn FNLI : ‘Leg je keuzes uit’

Vanaf de oprichting in 2004 gaf directeur Philip den Ouden leiding aan de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI). Politiek Den Haag kan al lang niet meer om de brancheorganisatie heen. Intern is de sfeer dan ook goed, daarbuiten heerst wantrouwen “Durf je kwetsbaar op te stellen, licht keuzes toe en ga het debat aan”, zegt Den Ouden. Andere grote uitdagingen zijn de energietransitie en de digitalisering van de voedingsketen. Boos wordt hij over het populisme bij politiek, ngo’s en samenleving.

Officieel zou hij pas in oktober met pensioen gaan, maar op het vallen van de blaadjes wil hij niet wachten. Daarom neemt Philip den Ouden, boegbeeld van de Nederlandse levensmiddelenindustrie, al op 1 juni officieel afscheid van FNLI en sector. VMT sprak hem eind april op de dertiende verdieping van de Haagse Zwaan. We beginnen met enkele ja/nee stellingen.

De FNLI boet in aan bestaansrecht.

“Nee.”

De gedragscode levensmiddelenketen moest er al lang zijn.

“Nee.”

 De overheid hecht bij zaken als vestigingsbeleid en subsidies te weinig belang aan de agrofoodindustrie.

“Nog steeds, maar we zijn wel een stuk opgeschoven de laatste jaren.”

De voedingsmiddelenindustrie is te afwachtend met inspelen op ontwikkelingen.

Na een korte stilte: “Daar kan ik gewoon geen ja of nee op zeggen.”

De voedingsmiddelenindustrie is te veel in zichzelf gekeerd.

Direct en stellig: “Ja!”

De consument zal de industrie altijd blijven wantrouwen.

“Nee.”

Philip den Ouden 32

“De hele industrie zal zich kwetsbaarder moeten opstellen, ook om er voor te zorgen dat de toon in het debat constructiever wordt.” (Foto’s: Marco de Swart)

 

Wat was uw grootste uitdaging bij uw aantreden?

“Mijn opdracht was simpel: zorg dat ze in Den Haag weten wie wij zijn en welke belangen we vertegenwoordigen, zodat niet alleen grote concerns, maar de hele industrie aan tafel komt. De tweede opdracht was: bouw de organisatie uit en geef die een stevig fundament. Ik denk dat we in beide opdrachten goed zijn geslaagd.”

 

Toch nodigde de Tweede Kamercommissie Economische Zaken in september 2014 de FNLI en CBL niet uit voor het overleg over voedselveiligheid, wel de Consumentenbond en Dierenbescherming.

“Zeker in de beginjaren was het niet vanzelfsprekend dat de industrie werd uitgenodigd. De primaire sector viel onder het ministerie van Landbouw, waar EZ de FNLI ook onder vond vallen. Alleen met VWS spraken we, maar dat ging vooral over warenwettelijke zaken, geen economische. Die tijd is wel heel lang voorbij. In Den Haag wordt niet over voedingsmiddelen gesproken zonder dat de FNLI daarbij aan tafel zit.” (93)

 

Is de sector niet erg versnipperd over de ministeries?

“Ja en nee. Overigens gaat één ministerie dat niet oplossen. Belangrijk is dat de coördinatie tussen de voor ons vier belangrijkste ministeries verbetert: EZ, I&M, BuZa en VWS. Daarmee is begonnen, zo bleek bij de Nationale Voedseltop toen de ambtelijke top van deze ministeries meer met elkaar praatte.”

 

Wat is u erg tegengevallen?

“Consumenten hebben een ingebouwd wantrouwen tegen de industriële voedselketen en verwachten niet dat wij effectief antwoord kunnen geven op een aantal maatschappelijke problemen. Dus als wij resultaten boeken met het verminderen van zout, vet, calorieën. Natuurlijk vertaalt dat zich ook naar de politiek.”

 

Een goed voorbeeld daarvan is hoe foodwatch op kindermarketing duikt?

“Wat je ook doet, het is niet genoeg. Sinds 2005 is de reclame voor kinderproducten stapsgewijs met tientallen miljoenen euro’s afgenomen. De laatste jaren neemt ook de weerstand tegen bekende kindericonen, karakters, op verpakkingen toe. Die zouden bijdragen aan de obesogene omgeving. Iedere keer ligt de focus op één item. Alsof voeding en voedingspatronen zo simpel zijn. Als we suiker met 50% verminderen, zijn we dan van het probleem af? Vijf, tien jaar gelden was het vet. Nu suiker, terwijl vet weer deels is gerehabiliteerd. De discussies illustreren dat consumenten voor een omvangrijk en ingewikkeld probleem graag snel een gemakkelijke oplossing willen zien. Dat kan natuurlijk niet als je naar echte oplossingen zoekt.”

 

De industrie slaagt er blijkbaar niet in om de consument van het tegendeel te overtuigen.

“De voedingsmiddelenindustrie moet zich actiever in het debat roeren, met beleidsmakers, maar ook met hun burgers. Dat is ook een van de redenen waarom we met Nederland Voedselland zijn gestart. Niet om dat als branche aan te sturen, maar om een platform te creëren waar onze individuele leden en hun medewerkers zelf aan dit debat kunnen deelnemen. Producenten maken hun keuzes voor product en productiewijze op een integere wijze, alleen moeten we beter uitleggen waarom we deze keuzes maken.”

 

Mist de industrie een boegbeeld die dit beter kan uitleggen?

“Sterker nog, de industrie mist heel veel boegbeelden. We moeten de industrie weer individuele gezichten geven. Laat een productontwikkelaar maar vertellen over zijn product! Ik herinner me nog een uitzending van de Keuringsdienst van Waarde bij Remia waarin de presentator riep: ‘Maar meneer, er zit 70% water in de fritessaus!’. Waarop de productontwikkelaar repliceerde: ‘Dat was ook de vraag van de consument: minder vet en toch lekker’. Onlangs heeft Vion de nek uitgestoken met een filmpje over zijn slachtproces. Varkens in Nood ging daar direct overheen door te laten zien hoe dieren op het verdoven met CO2 reageren. Die discussie heeft heel veel aandacht getrokken, ook op Nederland Voedselland. Ik begrijp dat bedrijven huiverig zijn om dergelijke discussies te voeren, zeker als je ziet wat er op sociale media gebeurt. Toch zal de hele industrie zich kwetsbaarder moeten opstellen, ook om ervoor te zorgen dat de toon in het debat constructiever wordt.”

 

De soms tegenstrijdige belangen in uw achterban maken het innemen van standpunten niet altijd gemakkelijk.

“Ik ben er buitengewoon trots op dat we de afgelopen dertien jaar bijna altijd tot een gezamenlijk standpunt zijn gekomen. Men beseft dat het gezamenlijke draagvlak veel belangrijker is dan een of twee afwijkende standpunten. De sfeer binnen het bestuur is wat dat aangaat heel goed.”

 

Een issue dat regelmatig de media haalt, is de prijsdruk in de keten waar de retail de overeengekomen gedragscode niet naleeft.

“Als er nu een onderwerp is waar we het met de collega’s van supermarkten niet altijd over eens zijn, dan is het dit. De code Eerlijke handelspraktijken is er uiteindelijk gekomen, maar wordt met regelmaat overtreden. Beide partijen zijn het er inmiddels over eens dat onder leiding van een onafhankelijk iemand uit bijvoorbeeld de rechtelijke macht deze klachten moeten worden beoordeeld. De gesprekken lopen, maar ook hier geldt dat simpele en snelle oplossingen niet bestaan. Overigens zijn retail en industrie de laatste tien jaar heel erg naar elkaar toegegroeid bij grote vraagstukken als verduurzaming, maar ook de productsamenstelling. Het aantal raakvlakken en samenwerkingsverbanden is, zeker de laatste vijf, zes jaar, sterk toegenomen. Daardoor weten we elkaar veel beter in de keten te vinden (51).”

foto2

‘De industrie mist heel veel boegbeelden’

Het aandeel huismerken stijgt nog steeds

“Vooral kleinere merken zijn uitgevallen. B- en C-merken kent niemand meer. Daarom praat ik alleen nog over fabrikanten- en winkelmerken. Afgezien van de topline van retailmerken, zie je dat dit oprukkende marktaandeel ten koste gaat van innovatie in het schap. Onder de huismerken is er heel veel imitatie. (51) Laten we maar eens kijken wat de markt over vijf, tien jaar brengt. De hele digitalisering heeft een enorme impact en biedt fabrikanten de kans om direct met de consument te gaan communiceren. Welke positie kunnen fabrikanten daarin innemen? Hoe gaat de consument zich daarin bewegen? Wat gebeurt er als de Chinezen of Amerikanen op onze markt komen? Alles is in beweging. Als FNLI kijken we naar de gevolgen van de automatisering, zoals de online etiketinformatie die we bij GS1 hebben onder gebracht. Met hulp van subsidie van EZ onderzoeken we in het Trusted Source-project hoe informatie door de keten zo goed mogelijk kan worden geborgd. Er zijn ook nieuwe vragen voor regelgeving: hoe is de verantwoordelijkheid geregeld voor bijvoorbeeld de voedselveiligheid bij de thuisbezorging van versproducten? Hoe gaan we daar de HACCP borgen, moeten dadelijk niet de wettelijke regels worden bijgesteld? (74)”

 

Speelt de industrie voldoende in op deze aardverschuiving?

“Laat ik dat illustreren met de etiketteringsverordening. Tijdens een pilot merkte een directeur uit ons bestuur op dat hij hiervoor het overleg tussen logistiek en IT moest uitbreiden met regulatory affairs, productontwikkeling, en waarschijnlijk ook marketing. Nergens in zijn bedrijf praatten deze vijf disciplines tegelijk met elkaar. Dat moest hij opeens gaan organiseren. Dat vroeg om een heel andere organisatie dan voorheen. Grote bedrijven hebben het daar erg moeilijk mee. Wordt het delen van data al in hun raad van bestuur besproken? Wat gaan zij doen met hun data en waar gaan die heen binnen en buiten het bedrijf? We zijn nu samen met GS1 bezig om de kwaliteit van de data op een zodanig peil te brengen dat we zeker weten dat ze betrouwbaar zijn. (125)

De etiketteringsverordening is maar een speldenprikje in wat digitalisering teweeg brengt. Wat gaat er bijvoorbeeld in de productie gebeuren? 3D-printen brengt producten dichter bij de consument; krijgen we dan andere productie-eenheden? Er zijn hele snelle technologische ontwikkelingen gaande.”

 

Zal door dergelijke ontwikkelingen een groot deel van het mkb verdwijnen?

“Waarom? Wat wordt straks de optimale productiegrootte, de optimale bedrijfsgrootte? We zien ook een tendens dat kleine merken regionaal groeien. Kleine, sterke merken bloeien lokaal op. Kijk naar de biermarkt. Het kan alle kanten uit. Het ledenbestand van de FNLI kan er over tien jaar heel anders uit zien. Dat vraagt van ons om permanent in gesprek te blijven met onze leden en contacten te leggen met nieuwe partijen in de markt om ook hun belangen te behartigen.”

 

Welke bedrijven hebben de toekomst?

“Nederlandse bedrijven beschikken over een enorm adaptief vermogen. Dat ligt aan hun eigendomsstructuur. We hebben een aantal multinationals, grote coöperatieve verenigingen die overigens altijd zeer versatiel zijn gebleken, juist omdat ze in verbinding staan met hun grondstof. Dan hebben we een relatief klein aantal met private equity gefinancierde bedrijven en heel veel bedrijven in privé-eigendom, waarvan het merendeel familiebedrijven zijn, zoals Mars (het grootste), Ferrero, Peijnenburg, Smilde en Bavaria (het oudste). Deze bedrijven kunnen op een andere manier beslissen, hebben een andere tijdshorizon en zijn daardoor slagvaardiger.”

 

Uw leden klagen dat de NVWA steeds vaker een eigen interpretatie geeft aan wetgeving.

“Een goede toezichthouder is voorspelbaar in de normen die hij hanteert en de interpretatie van de wetgeving waarop hij toezicht uitoefent. Die kan niet opeens 180 graden veranderen. Dat moet op zijn minst van tevoren bekend worden gemaakt en liefst ook eerst met de industrie worden besproken. Een aantal beleidswijzigingen vinden wij onbegrijpelijk. Bij allergenen bijvoorbeeld, waar rechtszaken zijn voorkomen doordat we de inzichten van de NVWA hebben kunnen bijstellen. Soms gaat het om buitengewoon ingewikkelde kwesties, zoals: wanneer is iets wel of niet versleping en wanneer is dit structureel of niet. Waar het daarbij dan vooral om moet gaan is waar de risico’s zijn en hoe groot die zijn. Niet altijd kan de NVWA dergelijke zaken duidelijk maken. Denk aan Vital, maar ook het boetebeleid. Dat moet helder en voorspelbaar zijn. Harry Paul heeft ons dat vorig jaar toegezegd, maar de overlegstructuur daarvoor bestaat nog steeds niet.” (165)

 

Heeft de industrie voldoende bereikt bij duurzaamheid?

“In 2008 hebben we duurzaamheid, naast voeding en gezondheid, als groot maatschappelijk thema op de agenda gezet. Momenteel zijn we ons beleid aan het herijken. Dan zie je dat we enorm zijn opgeschoten. Waar we eerder spraken van energiebesparing, spreken we nu over de energietransitie en het terugbrengen van CO2. We zijn zeer actief rond het schrijven van die transitieagenda’s, biomassa en voedsel, maar ook met de kunststofketen vanwege het gebruik in verpakkingen. Het klimaatbeleid is de tweede grote vraag. De grote opdracht is 40% absolute reductie van CO2 in 2030. We zijn de afgelopen jaren veel minder energie per eenheid gaan verbruiken, maar onze export is ieder jaar gegroeid, dus in absolute hoeveelheden zijn we meer energie gaan verbruiken.”

 

Moet in het kleine Nederland, tweede exporteur van de wereld, die productie nog wel verder stijgen?

“Ja natuurlijk, waarom niet?”

 

Vanwege milieudoelstellingen. Kijk naar de primaire sector, waar uitgerekend de provincie Noord-Brabant een krimpbeleid van de intensieve veehouderij voert.

“Er is niets mis mee dat wij Noordwest-Europa van kwalitatief hoogwaardige voedingsmiddelen voorzien, mits onder meer de productie, het transport circulair is en klimaatneutraal. Natuurlijk kleven daaraan wel een aantal milieu- en verduurzaamheidsvraagstukken, maar het is toch helemaal niet gek dat de productie zich hier concentreert. Nederland Food Valley! Denk aan Silicon Valley dat bijna net zo groot is als Nederland.”

 

Wat zijn de grootste obstakels bij het behalen van de milieudoelstellingen?

“De CO2-reductie. We zullen op zeer korte termijn een heel diepgaande energietransitie moeten realiseren van olie en gas naar andere energievormen. Alleen al voor de voedingsmiddelenindustrie zijn 2.000 hectare zonnepanelen of 400 grote windmolens nodig om de doelstelling van 40% CO2-reductie in 2030 te halen. Dat is geen klein bier meer. De FNLI maakt de komende tijd een plan met zeer concrete doelstellingen.”

 

Waar maakt u zich soms erg boos over?

“Af en toe heb ik toch moeite met de manier waarop de politiek te gemakkelijk met moeilijke vraagstukken omgaat. De kennis is er en vanuit hun verantwoordelijkheid mogen politici die soms beter tot zich nemen in plaats van feitenvrij gemakkelijk scorende dingen in de Tweede Kamer te roepen, onder het motto van: ik moet scoren van mijn fractieleider.”

 

Wat was voor u een hoogtepunt?

“Een ervan is ons rapport ‘De Stille Kracht’ in 2010, waarmee we de eerste fase van de FNLI afsloten. Daarin hebben we ons bestaansrecht in Den Haag gevestigd door te laten zien dat er in Nederland maar één vertegenwoordiger van de voedingsmiddelenindustrie is: deze vereniging.”

 

Komt dat bestaansrecht niet enigszins in gevaar? Neem het stoplichtensysteem, waarmee de FNLI en FDE worden ingehaald door Coca-Cola, Mars, Mondelez, Nestlé, Pepsico en Unilever die recent aangaven dit te gaan doorvoeren op hun verpakkingen?

“Dit soort dingen zullen zich voor blijven doen. Ik vind het ook helemaal niet erg als koplopers op een gegeven moment de kat de bel aanbinden. Soms zijn dat soort processen nodig, omdat het in Europa soms buitengewoon moeilijk is om besluiten te nemen. Maar het zullen uitzonderingen blijven. Ook grote concerns beseffen dat zij het mkb nodig hebben. Andersom ook, om samen bij politiek en instituties effectief te kunnen optreden.”


Reageer op dit artikel