artikel

Samen voor verduurzaming

Algemeen

Om in de hele voedselketen te zorgen voor een duurzamer voedselaanbod richtte het ministerie van LNV in het najaar het Platform Verduurzaming Voedsel op. Vijf partijen: FNLI, CBL, ZLTO, KHN en Veneca maakten afspraken over verduurzaming. Het eerste wapenfeit van het platform is het ontwikkelen van een duurzaamheidssysteem. Wat valt er verder te verwachten?

De oprichting van het Platform Verduurzaming Voedsel is een logische stap om ervoor te zorgen dat duurzaamheid daadwerkelijk structureel een plaats krijgt in de voedselketen. De brij aan initiatieven van partijen uit die keten – boeren, retail en fabrikanten – dienden in één organisatie samen te komen. Ook het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zag dit in en kondigde daarom tijdens het VMT Food Event 2009 voorzichtig aan dat er een platform voor verduurzaming in de voedselketen zou komen.

Directeur-generaal Annemie Burger van LNV riep de voedingsmiddelenindustrie op zitting te nemen in het vehikel. Burger benadrukte destijds dat de samenwerking in het platform niet vrijblijvend mag zijn. “Er ligt een enorme uitdaging, we moeten snel aan de slag”, zei ze. De dg wil dat ketenpartijen trots zijn op hun voedselproductie. “Zodat het buitenland langskomt om te zien hoe het Nederlandse bedrijfsleven het weer geflikt heeft.”

Nota Duurzaam Voedsel
In juni 2009 tijdens de presentatie van de Nota Duurzaam Voedsel vertaalde minister Gerda Verburg de woorden van haar dg in een concrete doelstelling: Nederland moet over vijftien jaar mondiaal koploper zijn in de verduurzaming van de voedselproductie. Dit kan alleen gebeuren als partijen in de keten structureel de handen ineenslaan. Dit moet gebeuren in het Platform Verduurzaming Voedsel. Op 25 oktober was het zover. In het pittoreske kasteel van Woerden zetten de voormannen van de FNLI (levensmiddelen), CBL (supermarkten), ZLTO (agrarische producenten), KHN (horeca) en Veneca (catering) hun handtekeningen onder een samenwerkingsovereenkomst. De oprichting van het platform was een feit.

De partijen verplichtten zich om ervoor te zorgen dat duurzaamheid een integraal deel gaat uitmaken van de bij hun aangesloten bedrijven. Te denken valt aan minder gebruik van water en energie, minder verspilling en meer rekening houden met dierenwelzijn. “Over verduurzaming wordt heel veel gezegd en dat is op zich goed. Maar er moet ook wat worden gedaan. Het blijft nu niet bij woorden, maar de consumenten kunnen de komende jaren daden verwachten. In het schap van de supermarkt, in het restaurant en in de bedrijfskantine”, trapte Verburg af. Na afloop van het eerste overleg van het Platform Verduurzaming Voedsel op 25 januari maakte het overlegorgaan bekend een duurzaamheidssysteem te ontwikkelen, waarvoor komend najaar een uitgewerkt plan op tafel zal liggen.

Het systeem heeft als doel om duurzaamheidsinspanningen in alle schakels in de keten transparant te maken. “Er zal worden bekeken aan welke voorwaarden een dergelijk systeem moet voldoen voor zowel de ketenpartijen als de consument om succesvol te kunnen zijn”, legt Monica de Heide uit, secretaris van het platform. Zo’n systeem kan bijvoorbeeld een mobiele telefoon zijn die scant hoe een product scoort op aspecten als dierenwelzijn en milieu. Er zijn genoeg ideeën op de markt om duurzaamheidsprocessen zichtbaar te maken. Ze zullen worden getoetst aan de voorwaarden, aldus De Heide.

Meer omzet duurzame producten
De komende jaren, in ieder geval tot 2012, gaan de ketenpartijen met elkaar aan de slag om de twee belangrijkste doelstellingen: verankering van het proces van verduurzaming in het beleid van Nederlandse ondernemingen, actief in de voedselketen, en het op de markt brengen van meer duurzame producten. Het is de bedoeling dat na 2012 de samenwerking in het platform doorgaat. Op die manier wil Verburg de ultieme doelstelling om in 2025 koploper in duurzaamheid te worden, bereiken. De periode tot 2012 dient vooral als agendasetting voor de periode erna. Minister Verburg zette onlangs alvast een punt op de agenda: een omzetgroei van duurzame producten van 10 tot 15% per jaar. Is dit realistisch?

De Heide wil eerst een onderscheid maken tussen verduurzaming van het (productie- en distributie-) proces en het uiteindelijke duurzame product. Volgens haar zal het niet altijd mogelijk of wenselijk zijn om de verbeteringen in de verduurzamingsprocessen die door alle schakels doorgevoerd worden, zichtbaar te maken in het eindproduct. De omzetdoelstelling komt pas ter sprake als de definitie van verduurzaming helder is en als het platform de mogelijkheden heeft geïnventariseerd om betrouwbaar te monitoren. Verburg baseert haar doelstelling op twee andere samenwerkingsverbanden, stelt De Heide: het biologisch convenant en het ‘tussensegmenten’convenant (vlees). “Hier meet men één herkenbaar aspect van verduurzaming, zoals een logo, dat direct aan het product kan worden gekoppeld.”

Inspanningsverplichting
Alle partijen in het platform hebben hun eigen zogenoemde inspanningsverplichtingen. Zo ontwikkelen ze allemaal een voorbeeldaanpak voor hun leden en pilots. De voorbeeldaanpak moet aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de leden. Het CBL heeft al een dergelijk stramien ontwikkeld, dat deels samenvalt met de duurzaamheidsagenda van de brancheorganisatie. Per thema vertaalt het CBL concrete doelstellingen of projecten waar de achterban vervolgens mee aan de slag gaat. Met een proefproject in de groente- en fruitketen wil het CBL zorgen voor ‘fatsoenlijke arbeidsomstandigheden’ aan de hand van de Business Social Compliance Initiative (BSCI), een norm voor sociaal-ethisch ondernemen. Verder komt er een Zichtboek voor Verduurzaming waarin supermarkten en ketenpartijen hun visie, activiteiten en ambities uiteenzetten.

Zo concreet als de retail, is het bij de levensmiddelenindustrie nog niet. Samen met haar leden werkt de FNLI achter de schermen druk aan het opstellen van een voorbeeldaanpak en aan het opzetten van pilots. Medio maart verwacht de koepelorganisatie meer duidelijkheid te verschaffen. De levensmiddelenindustrie startte in 2009 met de FNLI- duurzaamheidsagenda, terwijl de duurzaamheidsagenda van CBL twee jaar langer bestaat. Ook is de achterban van de FNLI groter waardoor meer overleg noodzakelijk is, verklaart De Heide.

Verduurzaming processen
Een belangrijke nieuwe doelstelling die verband houdt met de afspraken in het Platform Verduurzaming Voedsel is om jaarlijks 10% omzetgroei te bewerkstelligen in het biologisch segment door de supermarkten. Om het aanbod biologisch te verhogen voert de Task Force Biologische Landbouw het ‘Aanpak Aanbodskrapte’ uit. Dit maakt inzichtelijk wat de kansen en mogelijkheden zijn bij de omschakeling van gangbaar naar biologisch. Het achterblijvende aanbod ten opzichte van de vraag kan een probleem vormen om die groeidoelstelling ieder jaar te verwezenlijken.

De vraag die almaar terugkomt als het over duurzaamheid gaat, is of consumenten wel op een groter aanbod van duurzame(re) producten zitten te wachten. Het platform heeft hier geen onderzoek naar gedaan, omdat er al genoeg studies in omloop zijn. “Een globaal beeld valt lastig te schetsen, maar toch wordt duidelijk dat er veel kansen zijn, mits goed voorbereid.” De Heide verwijst naar recent onderzoek van Blauw Research dat concludeert dat een andere marktbenadering nodig is om de grote groep light-users (mensen die af en toe biologisch kopen, red.) te overtuigen vaker biologisch in hun winkelkarretje te doen.

Volgens De Heide hoeven consumenten niet altijd iets te merken van verduurzaming. De voedingsmiddelenindustrie focust zich meer op processen dan op producten, zoals de retail. “Een groot deel van de verbeteringen zijn niet één op één te vertalen naar het eindproduct. Een buitenstaander kan dan ten onrechte de conclusie trekken dat er weinig gebeurt. Terwijl vanuit het bedrijfsleven terdege beseft wordt wat de impact is van deze verduurzamingsprocessen, omdat dit integraal en branchebreed wordt opgepakt.”

Reageer op dit artikel