artikel

‘Noodzaak scholing algemeen geaccepteerd’

Algemeen

Na bijna 40 jaar werkzaam te zijn op het grensvlak tussen onderwijs en levensmiddelenindustrie, neemt Jan Gravemaker (63) afscheid. Hij kijkt terug op een periode waarin er veel veranderde, maar de noodzaak om mensen in bedrijven op te leiden onveranderd bleef. Belangrijk winstpunt in 40 jaar noemt Gravemaker de verdere integratie van leren en werken. Grootste zorg: achterblijven van het mkb in het scholingstraject.

Loopbaan & Opleiding
[Personeel & Opleiding]

Carina Grijspaardt-Vink

Jan Gravemaker neemt afscheid van onderwijs en industrie

‘Noodzaak opleiden door bedrijven algemeen geaccepteerd’

[[Dit niet mee: Onderwijs blijft een dynamisch gebeuren en dat is goed]]
[[Dit niet mee: Ga de beeldvorming voorbij]]

Na bijna 40 jaar werkzaam te zijn op het grensvlak tussen onderwijs en levensmiddelenindustrie, neemt Jan Gravemaker (63) afscheid. Hij kijkt terug op een periode waarin er veel veranderde, maar de noodzaak om mensen in bedrijven op te leiden onveranderd bleef. Belangrijk winstpunt in 40 jaar noemt Gravemaker de verdere integratie van leren en werken. Grootste zorg: achterblijven van het mkb in het scholingstraject.

“De verantwoordelijkheid voor het opleiden van medewerkers ligt bij de bedrijven zelf. Zij moeten de noodzaak daarvan inzien. Het beroepsonderwijs heeft dan de taak om te zorgen voor voldoende gekwalificeerde medewerkers.”
Jan Gravemaker geeft kernachtig zijn visie op de taak van het beroepsonderwijs in de voedingsmiddelenindustrie. Officieel per 1 februari 2010 – zijn afscheid was al medio december – stopt hij bij Aequor. Ook zijn functie van ambtelijk secretaris van de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds in de Levensmiddelenindustrie (SOL) legt hij dan neer. Wel blijft hij als adviseur aan de SOL verbonden. Gravemaker heeft de grote ontwikkeling van het onderwijs gericht op medewerkers in voedingsmiddelenbedrijven van zeer dichtbij meegemaakt. “Er is veel veranderd aan de functies in bedrijven en daarmee ook aan de eisen die aan de mensen worden gesteld.”

Pionierstijd
Gravemaker startte in 1971 als consulent leraar bij de LSBL, de in de jaren zestig ontstane landelijke beroepsopleiding die de scholing van medewerkers in bedrijven verzorgde volgens het leerlingstelsel. Hij maakte in de jaren zeventig de verbreding mee van een, aanvankelijk vrijwel geheel op de zuivelsector gerichte scholing, tot op de totale levensmiddelenindustrie en was nauw betrokken bij de leerstofontwikkeling.
De onderwijsspecialist herinnert zich deze pionierstijd als een bijzondere periode: “Scholing was geen gemeengoed. Ik had dan ook regelmatig leerlingen in de klas die laag waren opgeleid maar over grote capaciteiten beschikten.”

Invloed politiek
De economische crisis in de jaren tachtig gaf de scholing een sterke impuls. Maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid leidden er toe dat de LSBL bijna 1000 leerlingen in het leerlingstelsel begeleidde. Gravemaker werd in 1984 adjunct-directeur van LSBL en ambtelijk secretaris van de SOL.
Het was wederom de politiek die eind jaren tachtig veranderingen in het onderwijs initieerde. In een aantal stappen vond regionalisering plaats en ontstonden de AOC’s (Agrarische Opleidingscentra). De opleidingen volgens het leerlingwezen kwamen bij het mbo te liggen. Een fusie met andere landelijke organen uit de agrarische sector resulteerde uiteindelijk in LOBAS, het Landelijk Orgaan Beroepsopleiding Agrarische Sector. Gravemaker werd er directeur Externe Zaken.
LOBAS had twee taken: ontwikkeling van de kwalificatiestructuur op basis van de vraag van de arbeidsmarkt en erkenning van het leerlingwezen. Daarmee verdween de onderwijsgevende taak uit deze organisatie.
Uiteindelijk ging LOBAS in 2001 over in Aequor. Deze naamsverandering hing samen met een vernieuwing van de landelijke organisatie van het beroepsonderwijs en een veranderende focus richting competentiegericht opleiden.

Internationale projecten
Vanaf medio 2007 zet Gravemaker zijn kennis in als adviseur. Dat deed hij bij de Groene kenniscoöperatie en als directeur Special Projects & Internationalisatie. In die laatste functie heeft hij buitenlandse projecten begeleid in landen die willen toetreden tot de Europese Unie, zoals Tsjechië, Turkije en Letland. “Focus is die landen te helpen de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren en het bedrijfsleven erbij te betrekken.”
Duidelijk is volgens de ervaren opleidingsman dat er nog een lange weg te gaan is. “Vergeet niet dat wij het huidige systeem ook in veertig jaar hebben opgebouwd. In deze landen staan ze nog aan het begin van dit traject, terwijl de druk heel hoog is vanwege de gewenste EU-toetreding. Maar het zou niet goed zijn als het eenrichtingsverkeer wordt en die landen onze uitkomsten – tot stand gekomen in onze poldercultuur – overnemen. Ook zij moeten het proces van ontwikkeling door.”
Gravemaker wordt in zijn functie van directeur Special Projects & Internationalisatie opgevolgd door een fulltime manager Internationalisering die de internationale activiteiten van Aequor verder gaat uitbouwen.

Winstpunt en zorgpunt
Terugblikkend op de afgelopen 40 jaar noemt Gravemaker het grootste winstpunt de algemene acceptatie van bedrijven dat scholing en opleiding noodzakelijk zijn. Daarbij wordt het leren zo veel mogelijk geïntegreerd in de werksituatie. Bovendien werken de ideeën van competentiegericht opleiden door: niet richten op kennis en theorie, maar op de output in de praktijk.
Zorgpunt en tegelijkertijd ook frustratie van de onderwijsadviseur is dat het mkb in het opleidingstraject achterblijft. “De beperking zit in het karakter van de bedrijven. De prioriteit ligt altijd op de korte termijn en er is weinig visie op opleiding en scholing voor de lange termijn. Zo langzamerhand weet ik niet hoe dit te veranderen. Voor ons betekende het altijd veel tijd investeren en zelden resulteerde het in meer dan een project van zeer bescheiden omvang. Eigenlijk zou er bij de subsidieverlener meer ruimte moeten zijn om deze markt te bewerken.”

Productgerichte verdieping
Richting de toekomst zou Gravemaker het betreuren als de huidige structuur van algemene certificaten verdwijnt. “Veel landen kennen een opleiding voor de bakker of bierbrouwer. In Nederland kiezen we ervoor het onderwijs te richten op de operator-achtige aspecten en een productgerichte verdieping via het leerbedrijf. Het risico hiervan is dat de opleiding verder af staat van het perspectief dat het bedrijf heeft. Van de andere kant is de opleiding daarmee geen ‘fuik’, in de zin dat de werknemer alleen bij het specifieke bedrijf kan werken.”
De opleidingsman noemt de kwalificatiestructuur dan ook ‘een groot goed’. “Vooraf is het richtinggevend voor de scholen en achteraf een referentie. Je kunt ook de mensen ermee toetsen die in de bedrijven zijn opgeleid.”

Dynamisch gebeuren
“Het scheidsvlak van vraag en aanbod in het onderwijs levert altijd een zekere spanning op”, besluit Gravemaker. “Denk bijvoorbeeld aan de kosten, maar ook aan de relatie tot de opvattingen in het bedrijf. De HR-manager kiest voor algemene kwalificaties, terwijl de afdelingschef het liefst een medewerker krijgt die direct volledig inzetbaar is als hij in zijn bedrijf aan de slag gaat. Die spanning is nu eenmaal een gegeven. Je moet dit niet willen oplossen. Wel is het zaak met deze wetenschap rekening te houden. Onderwijs blijft een dynamisch gebeuren en dat is goed.”

Reageer op dit artikel