artikel

‘Sterke merken zullen overeind blijven’

Algemeen

Freek Rijna is sinds deze zomer voorzitter van koepelorganisatie Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI). Wie is hij en hoe denkt hij over zaken als concurrentiepositie, retail en duurzaamheid? Belangrijke uitdaging is het FNLI-beleid verder vorm te gegeven. Dit houdt vooral een verdiepingsslag in.

Het interview vindt plaats aansluitend aan de officiële instelling van het Platform Verduurzaming Voedsel op 28 oktober in Kasteel Woerden. FNLI-directeur Philip den Ouden ondertekent die middag de samenwerkingsovereenkomst met vier andere ketenpartijen.

Voorzitter Freek Rijna (54) legt vooral contacten; duurzaamheid is één van de vier werkgebieden van de FNLI.

Wanneer beide mannen zijn aangeschoven, stel ik ‘als kennismaking’ enkele vragen die Rijna met ja of nee dan wel met enkele zinnen dient te beantwoorden.

Wat is het grootste probleem voor de FNLI?
Rijna, verrast vanwege het ‘luchtige karakter’ van deze eerste vraag, reageert lachend: “De nieuwe voorzitter, denk ik.” Humor is hem niet vreemd.

Wat moet er anders bij de FNLI?
“Daar kan ik nog geen antwoord op geven.”
Den Ouden licht toe: “Freek is de eerste voorzitter die niet vanuit het bestuur is benoemd.”

Wat moet u bij de FNLI over drie jaar minimaal hebben bereikt?
“Dat we beleid hebben geformuleerd op de belangrijkste thema’s. Voor mij zijn dat duurzaamheid en de concurrentiekracht van onze industrie.”

Ja of nee. Retailers zijn een noodzakelijk kwaad.
Rijna na enige aarzeling: “Nee.”

Ja of nee. De overheid heeft voldoende oog voor de belangen van de industrie.
Rijna: “Nee.”

Ja of nee. Toezichthouder VWA functioneert goed.
Rijna: “Ja.”

Maak af. Uw grootste wens richting minister Verburg is …
Rijna: “Dat we het technisch overleg met de captains of industry succesvol blijven doorzetten.”

Maak af. Minister Klink dient in ieder geval …
Rijna: “Regelmatig met de FNLI om de tafel te zitten.”

Na dit voorafje het eigenlijke interview. Kunt u zichzelf kort schetsen?
Rijna: “Ik heb een gezin met drie studerende kinderen die midden in het leven staan. Via hen sta ook ik midden in het leven omdat zij je als het ware een spiegel voorhouden. Qua karakter kan ik soms humeurig overkomen. Verder ben ik zeer duidelijk en doelgericht en hecht ik erg aan vertrouwen.”

Waarom opnieuw een zuivelvoorzitter?
Rijna: “Omdat ik gevraagd ben. Vanuit FrieslandCampina heb ik al een drukke baan. Daarnaast ben ik nu namens de FNLI voorzitter van Nedvang. Toch heb ik – vanuit een stuk verantwoordelijkheidsbesef – ja gezegd. Natuurlijk ook omdat de vier werkgebieden waarvoor de FNLI zich inzet, mij zeer aanspreken. Dat zijn: Voeding, gezondheid en voedselveiligheid; Concurrentiepositie; Duurzaamheid en tot slot Efficiency en balans in de keten.”

De FNLI ontwikkelt een beleidsagenda. Wat zijn daarop belangrijke onderwerpen?
Rijna: “We werken met de industrie hard aan het prioriteren van acht thema’s. Dat doen we samen met Landbouw en waar relevant met Economische Zaken. Als je elkaars standpunten kent, kun je daar vervolgens beter je eigen beleid op ontwikkelen.”

Den Ouden: “De thema’s zijn gekozen als de peilers onder onze concurrentiepositie. Hoe zorgen we ervoor dat de voedingsmiddelenindustrie, gemeten naar omzet en toegevoegde waarde, over tien jaar minimaal zo sterk is als nu? Daarbij meet je je ook aan collega’s in de ons omringende landen.”

Is de FNLI na vijf jaar zover om dergelijk beleid te formuleren?
Rijna: “Dat denk ik wel. Je hebt één, twee jaar nodig om jezelf te organiseren.”

Den Ouden: “Het aantal bestuursleden is verdubbeld tot 22, 23, zodat alle branches zijn vertegenwoordigd. Alle belangen komen op tafel die je vervolgens onderling kunt afwegen. Het draagvlak is daardoor sterk toegenomen.”

Rijna: “Vervolgens ga je met de belangrijkste thema’s aan de slag en ontwikkel je als industrie daarvoor beleid. Maar natuurlijk heb je ook te maken met overheden, ngo’s … Dat is de fase waarin we nu zijn beland.”

Den Ouden: “Een extra stimulans was het rapport ‘The competitiveness of the European agro-food industry’ dat de Europese Commissie dit voorjaar uitbracht. Voor ons was dat aanleiding om samen met LNV eens te kijken naar de positie van de Nederlandse voedingsmiddelensector in Europa en daarvoor samen de prioritaire thema’s vast te stellen.

Overigens heeft ons bestuur eind 2006 al de huidige vier werkgebieden geformuleerd. Het gaat nu vooral om een verdere verdieping van het al in gang gezette beleid en het aanpassen daarvan aan een veranderende markt. Het midden van Europa is niet meer de Rotterdamse haven, maar ligt ergens in Zuid-Duitsland of Tsjechië. Ook zaken als de belangrijke exportgebieden, de herkomst van grondstoffen en de landen waar producenten graag hun fabrieken vestigen, zijn veranderd.”

Met het nieuwe machtsblok van Jumbo en Schuitema resteren nog drie inkoopcombinaties. Het machtsoverwicht wordt groter en groter.
Rijna: “Het afgelopen jaar zijn er diverse affaires geweest. Denk aan Coca-Cola en Vrumona. Blijkbaar zijn deze merken toch sterk genoeg om in dergelijke situaties overeind te blijven. Ook met het opbouwen van marktaandeel in de buitenhuismarkt en op buitenlandse markten kunnen bedrijven hun positie richting retail verbeteren.

De afgelopen jaren zijn er nieuwe merken in de schappen gekomen. Er zijn dus wel degelijk kansen. Maar het zijn harde tijden waar je op je tenen moet lopen en waarin alles moet kloppen. Dat je oog hebt voor maatschappelijk ondernemen, voor duurzaamheid, overgewicht, acquisities en dat je de eerste bent met innovaties.”

Innoveren is het toverwoord?
Rijna: “Sterke merken en innovaties zijn cruciaal om als A-merk overeind te blijven. Daar geloof ik heilig in. Het enige waar ik wel moeite mee heb, is de manier waarop de strijd wordt gevoerd. Je levert als fabrikant in feite aan je directe concurrent die je schapruimte bepaalt.”

Die concurrent weet via de kassagegevens precies welke merkproducten succesvol zijn en kan met beperkte risico’s en met hulp van uw specificaties heel gericht concurrerende huismerkartikelen laten ontwikkelen. Is hier geen sprake van oneerlijke concurrentie?
Den Ouden: “Je kunt je natuurlijk wel vragen stellen of dit nog wel een ‘gelijk speelveld’ is. Misschien moet er gekeken worden of daarvoor in onze keten ook spelregels moeten komen.”

Biedt duurzaamheid kansen voor A-merken?
Rijna: “Bij duurzaamheid moet je door de gehele keten kijken, niet naar de afzonderlijke schakels. Vandaar ook dat die schakels allemaal in het platform duurzaamheid zijn vertegenwoordigd. Duurzaamheid wordt bijna een ‘conditio sine qua non’. Sommige merken profileren zich al nadrukkelijk met duurzaamheid en zijn daar ook succesvol mee. Vaak zijn het merken met een beperkte marktvraag; waar je op zich niet van kunt leven. Je zult dus producten krijgen die duurzaam, duurzamer en het duurzaamst zijn.”

Een consument zal dat niet begrijpen.
Den Ouden: “Het probleem van duurzaamheid is dat er geen eindstadium is. Als fabrikant kun je focussen op bepaalde aspecten van je productieproces en je producten daarmee positioneren. Naarmate er voortgang wordt geboekt zullen de prioriteiten van verduurzaming ook weer evolueren.”

Maakt dat bedrijven niet erg kwetsbaar voor acties van ngo’s? Zij vinden altijd wel inconsequent gedrag.
Rijna: “Dat is ook zo. Daarom moet je ook kijken waarom zij dat doen. Soms om oneigenlijke redenen. Bijvoorbeeld omdat je als fabrikant bekend bent. Maar soms hebben ze gelijk en is het een kwestie van uitleggen wat je aan het doen bent. Daarom is het ook belangrijk dat je als industrie samen met de overheid en ngo’s dergelijke zaken bespreekt en aanpakt. Je kunt dan als industrie, maar ook als bedrijf, je vorderingen laten zien. Bijvoorbeeld dat de CO2-uitstoot van de gehele industrie jaarlijks daalt met drie procent.”

Recent was de FNLI zelf mikpunt van een actie van De Hartstichting. Hoe kijkt u daar op terug?
Den Ouden: “Er bleken veel emoties te spelen en bovendien was men niet goed geïnformeerd. Wij hebben onze leden opgeroepen reclame voor jongeren onder de 12 jaar niet meer uit te zenden. Doen zij dat toch, dan dienen zij via de website zorgvuldigereclame.nl aan het publiek daarover verantwoording af te leggen.”

Rijna: “De FNLI zal haar leden daar nadrukkelijk op aanspreken; het is wat ons betreft zeker niet vrijblijvend.”

Den Ouden: “De les die we hier wel uit hebben getrokken, is dat we ngo’s beter moeten informeren. Nu wilden we hieraan pas ruchtbaarheid geven op het moment dat de site daadwerkelijk in de lucht ging. Het was dus meer een kwestie van timing.”

Welke doelen en acties zijn afgesproken in het kader van het Platform Verduurzaming Voedsel?
Den Ouden: “Ieder van de vijf ketenpartijen zal een aantal zaken uitvoeren. De industrie zal bijvoorbeeld een duurzaamheidsagenda ontwikkelen. De volgende stap is om te kijken hoe deze op verschillende bedrijven in verschillende branches kan worden toegepast en hoe we voor het meten van de vorderingen een soort benchmark kunnen ontwikkelen. Als FNLI zullen we dit proces de komende twee jaar op gang helpen.

Tussentijds zal er worden gekeken naar dwarsverbanden, zodat we effecten helemaal tot aan de consument kunnen doorrekenen. We spreken in feite af om hier een raamwerk voor te creëren, zodat we op termijn grote slagen kunnen maken. Een derde aspect is dat we met deze overeenkomst voor drie jaar een fundament willen leggen voor een langdurige samenwerking.”

Rijna: “Ik vind dat de FNLI hierin een goede rol speelt. Zij heeft mkb-bedrijven geïnformeerd over wat duurzaamheid is en wat dit inhoudt voor hun bedrijf. Verder helpen wij hen om daadwerkelijk met duurzaamheid aan de slag te gaan.”

De FNLI staat op het punt het Convenant Gezond Gewicht te ondertekenen.
Rijna: “Inderdaad. We zijn blij dat daarin de Epode-aanpak is gekozen, een uit Frankrijk afkomstige benadering die op lokaal niveau de levensstijl van jongeren verbetert en daarmee overgewicht voorkomt. Verder zijn we momenteel erg druk met het volgen van en discussiëren over de claimsverordening. Dat er duidelijke regelgeving komt en dat helder is hoe de regels moeten worden toegepast.

Een belangrijk dossier is natuurlijk ook zoutreductie. Recent hebben we het onderzoek van de Consumentenbond gezien. Zelf zullen we volgend jaar over onze voortgang rapporteren.”

De door de FNLI toegezegde reductie van 12% wordt gehaald?
Den Ouden: “Ja, dat denk ik wel. We zullen de komende tijd gebruiken om na te gaan wat we missen, hoeveel we missen en of we van de meetmethode van de Consumentenbond iets kunnen leren. Denk bijvoorbeeld aan welke producten representatief zijn voor een categorie.”

Die 12% is nog ver weg van de gewenste 40% zoutreductie.
Den Ouden: “Het is belangrijker dat er iets gaat rollen, vanwege het sneeuwbaleffect. Uit de industrie hoor ik dat er in alle sectoren hard aan zoutreductie wordt gewerkt. Hier en daar zijn er grote technologische hobbels te nemen, denk aan houdbaarheid, structuur, smaak… Ook lopen onze leden tegen onverwachte zaken aan.

Bijvoorbeeld dat het acrylamide-gehalte in koekjes stijgt wanneer daarin het zoutgehalte wordt verlaagd. Tal van innovatietrajecten zijn gaande. We zijn vrij optimistisch dat de verlaging verder zal doorzetten. In welk tempo is nog de vraag, maar dat we naar de zes gram per dag gaan, staat vast. Zeker nu de supermarkten, de horeca en de cateraars zich bij een verbrede Taskforce aansluiten.”

Reageer op dit artikel