artikel

Opsporing verzocht: Foreign Bodies

Algemeen

Letsel door productvreemde delen is zeldzaam. De kans op klachten en negatieve publiciteit is echter groot. Naast metaaldetectie wordt ook röntgendetectie gebruikt om vreemde delen op te sporen. Deze technologie is volop in ontwikkeling. Toepassingen variëren van detectie van botresten in kipfilet tot glasdelen in ketchupflessen.

Vreemde delen ofwel ‘corpora aliena’ zijn zaken die niet thuishoren in de luchtweg of het spijsverteringskanaal van mensen. Gezien het grote aantal van ruim 130 deelnemers voor het symposium ‘Opsporing verzocht: Foreign bodies’ dat de Nieuwsbrief VoedselVeiligheid op 8 oktober organiseerde, geniet het onderwerp de warme belangstelling van veel QA-medewerkers en hun managers.

Verslikken
Het was verhelderend om vanuit medisch perspectief meer te begrijpen over het werkelijke (medische) risico van corpora aliena. “Verslikken is een typisch menselijke eigenschap die alles te maken heeft met de bouw van onze luchtwegen”, zo vatte Hans Mahieu van het Meander Medisch Centrum in Amersfoort samen. “Waar pasgeborenen nog een volledig gescheiden lucht- en spijsweg hebben is dit bij volwassenen een deels gemeenschappelijk traject. Hierdoor is lucht in de spijsweg of voedsel in de luchtweg nooit helemaal te voorkomen.”

Verslikking treedt op verschillende manieren op: kleine delen (stukje kip, knikker) schieten in het verkeerde keelgat en sluiten daar bijvoorbeeld een longtak af. Een iets groter deel kan zelfs de gehele luchtweg afsluiten met een onmiddellijk verstikkingsgevaar tot gevolg. Grotere ‘corpora’ die zijn doorgeslikt kunnen in een van de vernauwingen in de slokdarm blijven steken. Dergelijke grote stukken kunnen niet uit zichzelf passeren, maar moeten vaak operatief worden verwijderd.
Kleine, maar scherpe voorwerpen zoals een visgraat, botje of glassplinter kunnen acuut gevaar opleveren doordat deze de slokdarm perforeren. Met als gevolg infectiegevaar in de longruimte of in het ergste geval perforatie in het naast de slokdarm gelegen slagaderlijke bloedvat. Dit laatste kan binnen enkele minuten fataal aflopen.

Gevaar voor iedereen?
Studies laten zien dat met name kinderen tot 4 jaar een verhoogd risico hebben op verslikkingsongevallen. Dit omdat ze meer zaken in hun mond stoppen en ook omdat hun vermogen om te slikken nog niet helemaal goed ontwikkeld is. Zo vindt 54% van de ziekenhuisincidenten met vreemde delen plaats bij kinderen van 1-4 jaar (bron: ESFBI studie/prismant). Mahieu benadrukt wel dat hiervan zo’n 40% in oor of neus wordt aangetroffen. “Dat heeft dus niets met voedsel te maken. Het aandeel van ‘foreign bodies’ in voedingsmiddelen is als oorzaak van ziekenhuisincidenten betrekkelijk gering.”

Actie
Hoewel echte ongelukken dus vrij zeldzaam zijn, investeert ieder levensmiddelenbedrijf tijd en geld in het minimaliseren van het risico op vreemde delen in het product. De aanwezigheid van ‘iets vreemds’ op het bord van de consument is veel zichtbaarder dan de aanwezigheid van micro-organismen en leidt dus veel vaker tot klachten en (langdurige) imagoschade voor de fabrikant. Vandaar dat kwaliteitsmanagementsystemen en -normen relatief veel aandacht aan het onderwerp besteden.

Zo werd door Herman Korbee (ISACert) tijdens het symposium zelfs gesteld dat AIB audits (de Amerikaanse tegenhanger van BRC) voor een belangrijk deel ‘foreign materials audits’ zijn. BRC en IFS stellen nadrukkelijk eisen aan preventie, detectie en borging van risico’s rondom vreemde delen. Dat implementatie van bijvoorbeeld BRC-eisen niet eenvoudig is, blijkt wel uit het verschijnen van de BRC interpretatie richtlijn en de Best Practice Guideline; Foreign body detection issue 2, waarvan binnenkort de Nederlandse versie zal verschijnen.

Innovatie
Aandacht voor innovatie in detectiemethoden was er uiteraard ook. Röntgendetectie is relatief nieuw en biedt mogelijkheden voor detectie van niet-metaal verontreinigingen of verontreinigingen in producten met metaalhoudende verpakking. Randvoorwaarde is dat er verschil in dichtheid is tussen product en verontreiniging. Röntgendetectie van ongedierte of hout is om die reden niet mogelijk.
Rob van den Broek, directeur van Broviand, liet zien hoe goede samenwerking met machinefabrikant Meyn succesvol is bij het reduceren van botresten in kipfilets.

“De hoge snelheid in de fileerlijn tot 12.000 halve filets per uur vraagt veel van de detectiemethode. Met hulp van röntgendetectie met de ‘X-ray bone scan’ kan het botpercentage van circa 2% tot 0,3-0,5% worden gereduceerd”, aldus Van den Broek. Helaas heeft de techniek ook zijn beperkingen. “Als wij een filet met een stukje bot 100 keer door de detector halen zal deze toch 1 keer ten onrechte worden doorgelaten. Het voorkómen van botresten heeft dus nog steeds prioriteit.”

Metaaldetectie
Metaal is een foreign material dat vrijwel altijd als risico wordt gezien in levensmiddelenbedrijven. Heel vaak wordt het risico op aanwezigheid van metaaldelen zelfs als CCP benoemd. In de praktijk komt dit neer op continue controle op de werking van de metaaldetector. Of dit altijd terecht is, betwijfelt Frans Henderikx, senior systeem auditor bij de VWA. “Vaak moet het afdoende zijn om het risico op metaalbesmetting weg te nemen met goed onderhoud en andere preventieve maatregelen. Klachtenmanagement en onderzoek van door detectoren uitgeworpen producten geeft ook duidelijkheid over het werkelijke risico op metaalbesmetting”, aldus Henderikx.

Haken en ogen
Het uitwerpen door metaaldetectoren vormt overigens een speciaal punt van aandacht. Het uitstootmechanisme van een detector moeten medewerkers regelmatig testen. “Een detector die wel een besmet product waarneemt, maar dit vervolgens laat doorlopen, is waardeloos”, zo gaf Herman Korbee, operational director bij ISACert Nederland, aan. Dit lijkt een open deur, maar Korbee treft dit in de praktijk regelmatig aan. Ook hier geldt dat gemotiveerd deskundig personeel het verschil maakt.

Verkoopdirecteur Ruud Gruijters van Loma systems vulde Korbee later aan: “Testen van detectors moeten in het midden van het electromagnetisch veld uitgevoerd worden, het minst gevoelige punt. De detector opening moet altijd zo klein mogelijk worden gekozen, uiteraard afhankelijk van het te detecteren product.” Een relatief nieuwe ontwikkeling zijn detectoren die gebruik maken van variabele frequentie. “De detector ‘kiest’ hiermee zelf de meest optimale frequentie”, aldus Gruijters. “Hierdoor kan vooral bij voedingsmiddelen met een groot product effect tot 25% hogere nauwkeurigheid worden bereikt.”

Reageer op dit artikel