artikel

Hobbels op de weg naar succes

Algemeen

Hogeschool Van Hall Larenstein biedt een minor Food Safety, Quality and Health waarbij studenten, docenten en mensen uit het bedrijfsleven samen oplossingen zoeken voor een voedselveiligheidsvraagstuk uit de praktijk. Deze aanpak en de combinatie van vakgebieden binnen de minor zijn veelbelovend. Maar het fenomeen minor heeft nog een aantal hobbels te nemen.

Opleiding & Loopbaan
Thema: Werken en leren in food

Ivonne Sleutels

Minor Food Safety, Quality and Health
Hobbels op de weg naar succes

Hogeschool Van Hall Larenstein biedt een minor Food Safety, Quality and Health waarbij studenten, docenten en mensen uit het bedrijfsleven samen oplossingen zoeken voor een voedselveiligheidsvraagstuk uit de praktijk. Deze aanpak en de combinatie van vakgebieden binnen de minor zijn veelbelovend. Maar het fenomeen minor heeft nog een aantal hobbels te nemen.

Arnold Dijkstra en Joyce Polman, lector Voeding en Gezondheid en docent aan Van Hall Larenstein, zijn trots op hun minor Food Safety, Quality and Health (FSQH). De bedoeling is om de minor dit jaar ook beschikbaar te stellen voor mensen uit het bedrijfsleven. “Er is eigenlijk geen fatsoenlijke bijscholingscursus voedselveiligheid”, legt Dijkstra uit. “Tenminste niet een met aandacht voor zowel de natuurwetenschappelijke als sociaal-maatschappelijke kanten van voedselveiligheidsvraagstukken. Bovendien is er vooral veel aandacht voor communicatieve vaardigheden.” Mensen uit het bedrijfsleven die zich willen verdiepen kunnen een half jaar lang (van september tot januari) één dag per week aanschuiven bij een groep studenten en docenten. Het liefst met een concreet vraagstuk uit de eigen praktijk waar ze met zijn allen induiken. De deelnemer krijgt naast de kennis en kunde van de minor uiteindelijk dus ook een advies aangereikt voor het aangeleverde vraagstuk. Twee vliegen in één klap zou je zeggen.
Maar de belangstelling voor de minor blijft nog achter bij de verwachtingen. Vorig jaar bood de hogeschool de minor voor het eerst aan en waren er vier deelnemende studenten van Van Hall Larenstein. Eerder bestonden er wel al losse modules adviseur voedselveiligheid waaraan steeds tussen de vijf en tien studenten deelnamen.
Een heel belangrijke oorzaak van de matige belangstelling is het beperkte aantal studenten dat een voedselgerelateerde opleiding volgt bij Van Hall Larenstein. Lage studentenaantallen zijn een landelijk probleem, legt Dijkstra uit. Maar dat is zeker niet de enige oorzaak.

Minorvoucher
“Als er ten opzichte van het eigen aantal studenten relatief veel studenten van andere hogescholen deelnemen kost dat Van Hall Larenstein te veel geld.” Met deze uitspraak legt Polman een groot pijnpunt van het fenomeen minor in het algemeen bloot. Hogescholen en universiteiten worden namelijk betaald op basis van de ingeschreven studenten. “Als studenten hun minor elders volgen, krijgen ze geen geld mee, maar ze kosten de collega-hogeschool wel geld”, valt Arnold Dijkstra haar bij. En dat terwijl de minor ooit in het leven is geroepen om studenten te stimuleren buiten hun major of zelfs buiten hun hogeschool kennis op te laten doen. “Het zou een verbreding van de horizon moeten geven aan de student, maar helaas gebeurt nu nog maar nauwelijks”, zegt Dijkstra. Hij zou graag zien dat iedere student een ‘minorvoucher’ krijgt die verzilverd kan worden bij een hogeschool naar keuze. Zo ontvangen de hogescholen per minorstudent een vergoeding voor hun inspanningen. Dit stimuleert ook marktwerking waarbij onderwijsinstellingen met elkaar concurreren op minoren en dat komt de kwaliteit weer ten goede. “Maar dat is een beslissing die door de politiek, de ministers van OCW en LNV, genomen moet worden”, aldus Dijkstra.

Moeilijk in te passen
Naast de financiering is er ook nog een organisatorisch probleem dat de uitwisseling van studenten tussen onderwijsinstellingen belemmert. In de praktijk blijkt namelijk dat lesperioden bij de verschillende hogescholen en universiteiten niet gelijk lopen. Iedere hogeschool heeft een eigen periode waarin de studenten geacht worden een minor te volgen. Daarom is het niet altijd mogelijk om een minor buiten de eigen instelling in te passen in het lesprogramma. Het is een hele toer om de onderwijsprogramma´s van alle onderwijsinstellingen landelijk op elkaar af te stemmen.
Specifiek voor Van Hall Larenstein is er een vorm van interne concurrentie. Studenten van de hogeschool mogen hun minor invullen met vakken aan Wageningen Universiteit. Studenten die dit kiezen willen vaak na het HBO-diploma verder studeren aan de universiteit. Omgekeerd willen studenten aan de universiteit niet graag hun minor bij een hogeschool doen. “Blijkbaar vinden ze dat toch stapje omlaag”, legt Polman uit. Bijkomende complicatie is dat nog geregeld moet worden dat het volgen van een HBO-minor geaccepteerd wordt binnen het universitaire curriculum.
Voor sommige studenten is er tenslotte een taalbarrière. Het onderwijs aan Van Hall Larenstein in Wageningen is volledig Engelstalig, omdat juist hier veel internationale studenten het HBO geheel of gedeeltelijk volgen.
Ondanks de hobbels verwachten Polman en Dijkstra op de wat langere termijn een goede bezetting van de minor, voornamelijk als gevolg van toename van het aantal potentiële studenten.

Crisis
Wat biedt de minor FSQH? “Wij leiden mensen op tot gespecialiseerde generalisten”, zegt Dijkstra. “De opleiding voedingsmiddelentechnologie is vrij technocratisch, met vooral specialistische vakken als microbiologie, chemie, natuurkunde, proceskunde, productontwikkeling en marketing. En daar wilden we wat aan doen.” Het komt er op neer dat de studenten de vaardigheden van technisch specialisten, sociale wetenschappers, politici en ethici combineren en met die vaardigheden een advies geven over een voedselveiligheidsvraagstuk.
De minor bestaat uit twee gedeeltes: risk assessment en risk management. Een praktijkcase en communicatie lopen als rode draden door het geheel. Binnen het blok communicatie valt ook persoonlijkheidsontwikkeling. Talenten als het gaat om adviesvaardigheden worden vastgesteld via testen. Hieruit volgen ook de contratalenten en wat de student daaraan kan doen. Verder wordt er halverwege het tweede blok een crisis in scene gezet, ook een beoordelingsmoment. “Vorig jaar was dat een weergaloos succes, waar studenten veel van leerden”, zegt Polman. Er zouden kinderen ziek zijn geworden na het drinken van sap uit de Sapfabriek in Ede. Iedereen werd opgetrommeld om dit probleem op te lossen. Dijkstra: “We hebben zelfs een van de studenten ziek van huis gehaald, want dat zou in een echte situatie ook gebeuren.” Ook de pers werd ingeschakeld. Alle studenten moesten de plaatselijke tv-zender op een correcte wijze te woord staan. Het laatste beoordelingsmoment is een case waar de studenten binnen één dag met een advies moeten komen rond een voedselveiligheidsvraagstuk. Ook hierbij wordt het bedrijfsleven ingeschakeld.

Lawaai maken
Of er dit jaar genoeg aanmeldingen binnen zullen komen om de minor in september 2009 te starten, weten Dijkstra en Polman nog niet. De beslissing valt uiterlijk 1 juli. Minimaal acht tot tien studenten of drie studenten én drie deelnemers uit het bedrijfsleven moeten zich aanmelden. “Ideaal is een groep van vijftien tot twintig studenten en/of bedrijfsdeelnemers. Maar de pool studenten waar we uit putten is nu wel erg klein”, zegt Dijkstra. “Het is jammer dat de minor in zo’n kleine opleiding zit. Maar we gaan actiever bedrijven benaderen en meer lawaai maken. Daarnaast zullen we ook breder kijken naar niet-voedingsmiddelenopleidingen binnen Van Hall Larenstein in Leeuwarden, Velp en Wageningen. Het gaat immers vooral om het leren problemen integratief en multidisciplinair aan te pakken, inclusief een stevige dosis communicatieve vaardigheden en persoonlijke ontwikkeling. Dat is voor iedere student – en eigenlijk ieder mens – een waardevolle investering”

Reageer op dit artikel