artikel

Toename Salmonella en Campylobacter bij slacht

Algemeen

In vrijwel alle schakels van de pluimveevleesketen is de besmetting met Salmonella in de periode van 2002 tot 2005 gedaald. Campylobacter werd in diezelfde periode juist vaker in slachthuizen aangetroffen. Tijdens het slachten nam de besmetting met beide pathogenen toe, voor Salmonella gold dit vooral bij grotere slachterijen. Beter inzicht in het verloop van besmettingen in de keten kan helpen om interventiemaatregelen gerichter in te zetten.

De Salmonella-bacterie is in Europa al vele decennia een van de meest voorkomende veroorzakers van voedselinfecties bij mensen. In 2004 werden volgens EFSA-gegevens gemiddeld 42,2 gevallen van salmonellosis per 100.000 mensen geteld. Belangrijke bronnen voor voedselgerelateerde Salmonella-infecties zijn eieren, varkensvlees en kippenvlees. Ook worden voedselgerelateerde infecties met Campylobacter vaak veroorzaakt door kippenvlees. Het aantal gevallen van campylobacteriosis in de EU was in 2004 gemiddeld 51,6 per 100.000 personen.

Plan van Aanpak
Om de besmetting in de pluimveevleesketen te monitoren en te reduceren, introduceerde de sector samen met de overheid in 1997 het Plan van Aanpak Terugdringing Salmonella en Campylobacter. In dit kader worden sindsdien op verschillende punten in de pluimveevleesketen monsters genomen en geanalyseerd op de aanwezigheid van Salmonella en Campylobacter. Het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) verzamelt de analyseresultaten.

In 2002 heeft het PPE een standaard invulsheet geïntroduceerd om deze data vast te leggen. Het RIKILT analyseerde in samenwerking met het PPE die gegevens om meer inzicht te krijgen in trends over seizoenen en jaren en in factoren die de besmetting mogelijk beïnvloeden. Ook is gekeken naar verbanden in de aanwezigheid van zowel Salmonella als Campylobacter over de verschillende meetmomenten in de keten.

Analyse
Voor de analyses zijn de testuitslagen gebruikt van 22 slachterijen/uitsnijderijen in Nederland in de periode 2002 tot en met 2005. Voor Salmonella ging het om de volgende zes meetpunten in de keten:

1. Vertrek ééndagskuikens van de broederij;
2. Aankomst ééndagskuikens bij de vleeskuikenhouder;
3. Vertrek vleeskuikens bij de vleeskuikenhouder;
4. Aankomst vleeskuikens bij de slachterij;
5. Eind van de slachtlijn;
6. Eind uitsnijden.

Bij de eerste vier meetpunten werden monsters genomen op koppelniveau van respectievelijk dons, inlegvellen en mest uit de stal en mest uit de blinde darm. Aan het eind van de slachtlijn werd het borstvel van één dier van iedere partij (afkomstig van één vleeskuikenhouder) bemonsterd. Na het uitsnijden werden dagelijks verse stukken vlees (meestal kipfilet) bemonsterd. De data, verkregen per kwartaal en per slachterij/uitsnijderij, zijn eerst in één databank opgeslagen en gecontroleerd. De gegevens die zijn verzameld in de periode tijdens en net ná de uitbraak van de vogelpest in 2003 zijn niet gebruikt in de analyses.

Daling Salmonella
Op de meeste punten in de keten werd geen seizoenseffect gevonden, behalve bij de vleeskuikenhouder. Daar was een duidelijke piek in de aanwezigheid van Salmonella te zien in het derde en vierde kwartaal van het jaar (juli – december).

Tussen 2002 en 2005 daalde de prevalentie van Salmonella op het eindproduct (vers vlees/kipfilet) van 3 à 4% in 2002 – 2004 naar 1,5% in 2005. Het lijkt erop dat de daling die Van de Giessen (RIVM) e.a. in de periode 1999-2001 vonden, heeft doorgezet.

Met dit lage gemiddelde cijfer van 1,5% werd het ultieme doel van het Plan van Aanpak 1997, namelijk een besmettingspercentage van ‘nul plus’ in 2010 realiseren, al in 2005 benaderd. Uit de gegevens bleek dat bij een aantal bedrijven gemiddeld minder dan 1% van het eindproduct Salmonella-positief was. Een percentage van 1% of nog lager lijkt haalbaar.

Besmetting in de keten
De gemiddelde besmetting met Salmonella stijgt van eind broederij tot eind slachtproces, en daalt bij het eindproduct (zie tabel 1). De hoogste prevalenties zijn gevonden bij vertrek van het vleeskuikenbedrijf tot en met het eind van de slachtlijn. De toename van de besmetting met Salmonella bij de vleeskuikenhouder wordt waarschijnlijk veroorzaakt door onderlinge verspreiding van de bacterie tussen de dieren.

De toename tussen vertrek van het vleeskuikenbedrijf en begin van de slachterij kan komen door de verminderde weerstand van de dieren door de stress tijdens het transport naar de slachterij. De toename tijdens het slachtproces kan verklaard worden door kruisbesmetting. Deze toename was hoger op de grotere slachterijen. De analyseresultaten vertonen echter een grote variatie tussen de verschillende slachterijen.

De plotselinge daling van de besmetting aan het eind van de uitsnijderij is te verklaren doordat de Salmonella vaak op en in de huid van de dieren zit die bij het uitsnijden wordt verwijderd van het karkas. Maar Salmonella blijkt niet volledig te verdwijnen, waarschijnlijk door (kruis)besmetting van het borstvel tijdens het uitsnijdproces.

Vervolgonderzoek
De resultaten van het beschreven onderzoek geven volop ingrediënten voor verdere studie. Zo wordt momenteel gekeken naar de verschillende Salmonella-serotypen die op de zes meetmomenten worden gevonden. Ook wordt geanalyseerd óf en hoe vaak Salmonella en Campylobacter tegelijk voorkomen op bedrijven. Daarnaast is het raadzaam om te onderzoeken welke factoren ten grondslag liggen aan de toename van besmettingen tijdens het slachtproces, zoals bijvoorbeeld de capaciteit van de slachterij.

Campylobacter
In tegenstelling tot Salmonella is de besmetting met Campylobacter niet gedaald in de periode 2002-2005. In het kader van het Plan van Aanpak worden op drie momenten in de pluimveevleesketen monsters genomen voor analyse op de aanwezigheid van Campylobacter: bij het vertrek van de kuikens van de vleeskuikenhouder, aan het begin en aan het eind van de slachtlijn.

De aanwezigheid van Campylobacter vertoonde een duidelijke seizoensinvloed op elk van de drie onderzochte meetpunten, met een piek in het derde trimester (juli-september). De toename van de Campylobacter-besmetting in deze periode komt waarschijnlijk doordat de bacterie beter gedijt bij een hogere temperatuur. De monsters genomen aan het begin van de slachtlijn laten in de jaren van 2002 tot 2005 een toename in de prevalentie van Campylobacter zien, deze toename is nog sterker aan het eind van de slachtlijn. Voor de aanwezigheid van Campylobacter werd geen relatie gevonden met de capaciteit van het slachthuis.

De huidige hygiënemaatregelen in slachterijen om besmetting met Salmonella te voorkomen of reduceren, lijken daarmee bij Campylobacter niet op te gaan. Aanvullende acties zijn dan ook nodig, evenals een beter inzicht in de Campylobacter-besmetting. Vaker meten in de slachterij en het bepalen van aantallen bacteriën, naast aan/afwezigheid, is hierbij nodig. In 2009 start de sector hiertoe een onderzoek waarbij alle Nederlandse slachterijen kwantitatieve metingen gaan doen aan de slachtlijn. Dit is vastgelegd in een convenant tussen de Nederlandse overheid en de pluimveevleessector.

Reageer op dit artikel