artikel

Food-sector kan meer met biomassa doen

Algemeen

De Nederlandse energievoorziening kan in principe voor een kwart draaien op biomassa. Dat zou de energievoorziening schoner maken, minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en daardoor uiteindelijk ook betrouwbaarder en goedkoper. De voedingsmiddelenindustrie kan een belangrijke bijdrage leveren. En van de overheid wordt regie verwacht. Aldus in het kort de uitkomsten van de Nationale Expert Meeting Vergisting in Alphen aan de Rijn.

Een groot deel van de energierijke reststoffen afkomstig uit de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie verdwijnt over de grens: resten aardappelzetmeel, bietenloof, uitgepakte voedingsmiddelen die over de datum zijn, enzovoort. Vooral reststoffen die niet geschikt zijn als basisstof voor diervoeders, worden in buitenlandse biogasinstallaties vergist. Vaak in Duitsland.

Soms wordt wel 500 kilometer met een lading gereden. Onze oosterburen hebben al zo’n 2.700 installaties in bedrijf met een gezamenlijk elektrisch vermogen van circa 800 MW. Wat heeft Duitsland wel dat Nederland niet heeft? En hoe kan biomassa ook in Nederland een groter deel van de energiehuishouding voor z’n rekening nemen? Deze en andere vragen stonden centraal tijdens de Nationale Expert Meeting Vergisting, die in oktober vorig jaar op initiatief van SenterNovem werd gehouden in Alphen aan den Rijn.

Biomassa Actie Plan
Naast windenergie is biomassa voor de komende jaren de belangrijkste hernieuwbare bron van duurzame energie. Maar op dit moment draait niet meer dan 1,7 procent van de energievoorziening in ons land op biomassa. En dan gaat het vooral om verbranding van huishoudelijk afval en bijstook in kolencentrales. Op Europees niveau zijn afspraken gemaakt over uitbreiding van de toepassing van biomassa in het Biomassa Actie Plan (BAP). Vergisting speelt hierin een belangrijke rol. Door vergisting ontstaat biogas, dat kan worden gebruikt in wkk-installaties (warmtekrachtkoppeling) voor productie van warmte en elektriciteit, of kan worden opgewerkt tot aardgaskwaliteit.

Level playing field
Wolter Elbersen van de Wageningen Universiteit schat de binnenlandse productie van biomassa plus het saldo van import en export op ruim 40 miljoen ton droge stof per jaar, onder andere snoeihout, bermgras, kasafval, mest, gft (groente-, fruit- en tuinafval), sloophout en reststoffen van de voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI). Dit enorme potentieel is genoeg voor een energieproductie van 740 PJ, ofwel een kwart van de vraag naar energie in ons land.

Binnenlandse VGI-reststromen zijn volgens een berekening van het Regieorgaan Energietransitie goed voor circa 40 PJ per jaar. Momenteel wordt een groot deel van de beschikbare biomassa niet gebruikt. Maar de markt is enorm in beweging. De inzet van reststromen voor energieopwekking levert een extra afzetmarkt op waardoor er meer handel ontstaat. Vervolgens is ook een internationaal level playing field (gelijk speelveld: zelfde regelgeving voor iedereen) nodig om ongewenste concurrentie tussen toepassingsvormen en afzetgebieden te voorkomen.

Omdat transport een deel van de milieuwinst teniet doet, moet het heen en weer slepen van biomassa in afstand immers zoveel mogelijk worden beperkt. Anderzijds is het van belang biomassa in te zetten voor de toepassing met de hoogste toegevoegde waarde. De ondersteuning die nationale overheden geven aan de ontwikkeling van biomassavergisting moet daarom in Europees verband worden afgestemd.

Subsidie
In Nederland vallen twee vormen van vergisting onder de stimuleringsregeling voor duurzame energie (SDE): covergisting van mest en vergisting van gft. Bij covergisting wordt dierlijke mest tot maximaal 50% bijgemengd met andere organische materialen, waaronder reststoffen uit de voedingsmiddelenindustrie. Over 2008 is de vergoeding voor levering van elektriciteit door een vergistingsinstallatie voorlopig vastgesteld op 6,7 cent per kilowattuur. Gerekend met een kostprijs van 12 cent komt de SDE-bijdrage uit op 5,3 cent per kilowattuur. Daarmee is covergisting zeker niet de goedkoopste vorm van duurzame energie. Voor vergisting van organische reststoffen zonder mest is de subsidieregeling (nog) niet toegankelijk. Grootschalige vergisting van energierijke reststoffen uit de voedingsmiddelenindustrie in industriële installaties moet het voorlopig dus zonder subsidie stellen.

Digestaat
Er is nog een tweede beperking die de wetgever oplegt. Alleen reststoffen die voorkomen op de zogenoemde positieve lijst mogen bij covergisting van mest worden meegenomen. Alleen dan mag het digestaat (het residu dat na vergisting overblijft) als organische meststof worden gebruikt op het land. Reststoffen die niet op de positieve lijst voorkomen, mogen wel op deze manier worden verwerkt, maar het digestaat wordt dan aangemerkt als afvalstof.

Veel VGI-reststoffen staan op de positieve lijst, maar soms blijven grote partijen liggen, bijvoorbeeld wanneer een productieproces tijdelijk verstoord is geweest. Daar komt bij dat het binnen de Europese regelgeving op dit moment nog niet is toegestaan om digestaat als kunstmest te gebruiken, ook al zou dat in principe goed kunnen. Regering en sector zouden een lobby kunnen starten om de regelgeving op dit punt te verruimen. Daarnaast zouden de bekendheid en het imago van digestaat moeten worden verbeterd. Nu zijn agrariërs vaak huiverig om het over hun land uit te rijden.

Versnelling
We staan in Nederland nog slechts aan het begin van de ontwikkelingscurve van biomassavergisting. De techniek is klaar voor toepassing op grote schaal en er zijn volop kansen voor een versnelling. Of die versnelling er werkelijk komt, hangt voor een groot deel af van actoren in de maatschappij: overheid, ondernemers, kennisinstellingen en milieuorganisaties. De partijen zijn echter afwachtend.

In tegenstelling tot Duitsland is er in Nederland geen lobby, er zijn onvoldoende middelen, de markt is onderontwikkeld en het ontbreekt aan sturing door de overheid. Als we van biomassavergisting een succes willen maken, moet richting worden gegeven aan het zoekproces. De inzet van een heldere koers kan de uitbreiding van biomassabenutting aanjagen. Dat is een taak van overheid én marktpartijen. Ondernemers moeten zich beter verenigen en daarbij als sector gericht lobbyen voor ondersteunend beleid. Van de overheid mag worden verwacht dat zij ruimte en tijd geeft aan experimenten van ondernemers. Dit kan door een consistent en lang volgehouden beleid, iets waar het de laatste jaren aan ontbroken heeft!

Kansen voor de voedingsmiddelenindustrie
Voor de voedingsmiddelenindustrie zijn er zeker kansen om via de route van vergisting een effectieve toepassing voor reststoffen te vinden. Daarbij gaat het bij voorkeur om oplossingen die binnen een straal van 50 tot maximaal 100 kilometer liggen. Het is van belang om op dat schaalniveau een structurele afzet te realiseren. In een deel van de gevallen kunnen kleine covergisters bij agrarische bedrijven in deze behoefte voorzien.

Andere reststoffen kunnen waarschijnlijk beter en efficiënter worden verwerkt in industriële vergisters. Als eindproduct zijn er naast elektriciteit en warmte ook kansen om het geproduceerde biogas op te werken naar aardgaskwaliteit en bij te mengen in het net. De voedingsmiddelensector kan de mogelijkheden samen met de agrosectoren in kaart brengen, en als de overheid in de aanloopfase subsidie beschikbaar stelt voor vergisting zonder mest, kan deze toepassing zich in Nederland sterk ontwikkelen.

Informatie
De Expert Meeting Vergisting is georganiseerd in het kader van het BAP Driver project, een project van de Europese Unie en ondersteund door het Nederlandse ministerie van Economische Zaken. Zie voor meer informatie www.bapdriver.org.

Reageer op dit artikel