artikel

Koëter: ‘Politiek bedreigt organisatie en resultaten EFSA’ (volledig interview)

Algemeen

Op 15 oktober trok wetenschappelijk directeur Herman Koëter de deur van de European Food Safety Authority in Parma achter zich dicht. In zijn afscheidsbrief schrijft hij zich zorgen te maken over de toenemende druk van de politiek op het onafhankelijke karakter van deze organisatie. Over de achtergronden van zijn besluit, de toenemende werkdruk, claims en het door de Europese Commissie genegeerde EFSA-advies over azo-kleurstoffen.

Voedselveiligheid
Interview

Hans Damman

Wetenschapsdirecteur Herman Koëter verlaat Europese Voedselveiligheids Autoriteit EFSA
‘Politiek bedreigt organisatie en resultaten EFSA’

[Intro]
Op 15 oktober trok wetenschappelijk directeur Herman Koëter de deur van de European Food Safety Authority in Parma achter zich dicht. In zijn afscheidsbrief schrijft hij zich zorgen te maken over de toenemende druk van de politiek op het onafhankelijke karakter van deze organisatie. Over de achtergronden van zijn besluit, de toenemende werkdruk, claims en het door de Europese Commissie genegeerde EFSA-advies over azo-kleurstoffen.

[Inleiding]
Vier jaar geleden sprak VMT met Herman Koëter bij de toen nog jonge organisatie EFSA in Brussel. Net een jaar in dienst als wetenschappelijk directeur moest hij het onafhankelijk onderzoek met betrekking tot voedselveiligheid vormgeven en letterlijk opbouwen. Begonnen met nog geen 40 mensen, telde de organisatie toen 140 voornamelijk stafleden. De organisatie moest doorgroeien naar circa 450 mensen en volstrekt onafhankelijk van vriend en vijand gaan opereren. Een mooie laatste klus voordat hij met pensioen zou gaan.
Half oktober dit jaar stapte hij op. Zijn afscheidsbrief aan EFSA-directeur Catharine Geslain-Lanéelle, waarin hij forse kritiek op haar uit, is aanleiding tot een hernieuwde kennismaking, ditmaal in Amersfoort. Rode draad is de toenemende politieke druk waaraan zij – volgens Koëter – te vaak en te gemakkelijk toegeeft.

Hoe kijkt u terug op de afgelopen vijf jaar bij EFSA?
“Het waren de beste jaren uit mijn inmiddels 41 jaar durende arbeidscarrière, al dacht ik dat ook van mijn vorige baan bij de OESO in Parijs. Ik ben snel enthousiast. Wat mij vooral aansprak was het opbouwen van een toch vooral wetenschappelijke en onafhankelijke organisatie. Het vertrouwen winnen van Commissie en Parlement, maar ook dat van de nationale autoriteiten en Europese consumenten. Ook moet je je bestaansrecht rechtvaardigen op het gebied van voedselveiligheid, BSE was destijds de aanleiding om EFSA op te richten, maar ook ten opzichte van andere Europese agentschappen, denk bijvoorbeeld aan het ECHA (European Chemical Agency) in Helsinki voor chemische veiligheid. Al die aspecten waren een enorme uitdaging.”

Wat was uw mooiste ogenblik bij EFSA?
“Mijn beste moment was in mei 2005 toen het EFSA panel over voedseladditieven een sterke uitspraak deed over aspartaam. Ik was destijds plaatsvervangend directeur, en heb toen in Rome, in het hol van de leeuw samen met top-experts een persconferentie gegeven. Met opzet in Rome, want het was een Italiaans instituut dat had gezegd dat aspartaam kankerverwekkend was en wij hadden dat weerlegd. Via life-webcasting is dit door duizenden wetenschappers, journalisten en nationale overheden gevolgd. EFSA is over deze opinie zeer geroemd, met uitzondering van Italië. Wetenschappelijk was het een ijzersterk verhaal, goed gebracht, een goede samenwerking tussen de EFSA communicatie experts en de wetenschappers.”

“Een mooi moment was ook mijn laatste werkdag. Op het tuinfeest dat mijn vrouw en ik jaarlijks in de zomer gaven voor al het personeel en hun gezinnen had ik aangegeven geen afscheidsfeest te willen. Toen ik op 15 oktober wegging, was er toch iets georganiseerd. Dat heeft mij emotioneel heel veel gedaan. Heel veel mensen hebben me daar een hart onder de riem gestoken, van kijk je bent niet alleen. Emotioneel was dat voor mij een belangrijk moment dat ik eigenlijk had willen vermijden; ik was bang dat ik mijn emoties onvoldoende zou kunnen bedwingen en daar heb ik een hekel aan. Maar dat was een erg mooi moment waarvoor ik mijn collega’s zeer dankbaar ben en dat ik voor geen goud had willen missen.”

Hoe belangrijk is EFSA de afgelopen vijf jaar geworden?
“Belangrijker dan ik bij aanvang had gedacht. Ik wist wel dat er nergens op de wereld een organisatie was die op dezelfde onafhankelijke wijze wetenschappelijke opinies (adviezen aan de Commissie, Parlement en Lidstaten, red) vormde. De FDA (Food & Drug Administration in de Verenigde Staten van Amerika) kwam als een van de eerste naar ons toe om een toelichting te vragen op onze opinies omdat zij deze zo relevant vonden. Met hen hadden we ook als eerste een ‘memorandum of understanding’, voor het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens met betrekking tot registratiedossiers voor de veiligheidsevaluatie van stoffen. De industrie heeft daar geen problemen mee omdat zij gebaat zijn bij eenduidige internationale regels. Ook de Japanners zochten ons met grote delegaties direct op. De afgelopen vijf jaar, wat natuurlijk een betrekkelijk korte periode is, kwamen landen als Saoedi-Arabië, China, landen die nog in opbouw zijn met hun nationale economieën en voedselveiligheidsregelgeving, kwamen allemaal langs. De hele wereld kent EFSA. Onze opinies worden zeer breed gelezen en onze aanbevelingen worden wereldwijd toegepast. Ook aan de toenemende politieke druk die op EFSA wordt uitgeoefend, kun je merken dat we invloed hebben op de besluitvorming elders.”

Die politieke druk is de reden voor uw vertrek.
“Niet de druk op zich, maar meer de wijze waarop EFSA ervoor lijkt te buigen. De Commissie heeft zich in 2006 meer dan wenselijk is bemoeid met de benoeming van de hoofddirecteur (Catherine Geslain-Lanéelle, red), al is zij uiteindelijk formeel door de Raad van Bestuur van EFSA benoemd op basis van een voorselectie door de Commissie.”
Even later zal hij over de benoemingsprocedure meer opening van zaken geven, maar bestempelt dit alles als vertrouwelijk. Niet onvermeld mag echter blijven dat hijzelf destijds als waarnemend directeur, ook tot de kandidaten behoorde.
Koëter verklaart de sturende rol van de Commissie in het selectieproces met “mogelijk vond de Commissie de onafhankelijke houding die de vorige hoofddirecteur (Geoffrey Podger, red) en ikzelf altijd richting de Commissie hebben aangenomen ongewenst.”
Dat is ook tegelijkertijd de kern van zijn kritiek op Geslain-Lanéelle. “Zij laat haar hoofd te veel hangen naar de wensen van de Commissie. “Juist daardoor was ik het met veel van haar beleidsbeslissingen niet eens, maar dat bleef uiteraard binnenskamers. In die zin wilde ik haar ook niet schaden, maar het gaat mij nu om het belang van EFSA, en dat kan niet zonder dat er indirect een kritische noot richting de hoofddirecteur gaat.”

Waarom heeft u uw kritiek niet intern geuit, maar via een open brief?
“Al vorig jaar en opnieuw in januari dit jaar heb ik met haar uitgebreid gesproken over mijn zorgen en haar management stijl. Het is wellicht mijn Nederlandse aard om duidelijk je mening te uiten die niet goed aansloot bij de Franse aard om gezag onvoorwaardelijk te accepteren. Het heeft in ieder geval geleid tot haar beslissing om de funktie van wetenschappelijk directeur te vervangen door die van drie afdelingshoofden die onafhankelijk van elkaar aan haar rapporteren. In mijn nieuwe rol van ‘Speciale Adviseur’ heb ik haar vervolgens vaak en gedetailleerd geadviseerd, zowel gevraagd als ongevraagd.
Toen ik geen grip op haar denkwijze en beleid kreeg en de eerste senior medewerkers begonnen weg te gaan of hen werd meegedeeld dat hun contract niet zou worden verlengd, heb ik gesproken met de voorzitter en twee vice-voorzitters van de Raad van Bestuur. Deze Raad heeft vervolgens diverse besloten en indringende gesprekken gevoerd met de hoofddirecteur, maar ook die hebben niet geleid tot echte veranderingen. De Raad van Bestuur, die bestaat uit een groep individuen, waaronder een Directeur-Generaal van de Commissie, ieder met zijn of haar eigen belangen, heeft zich niet als zodanig kritisch kunnen opstellen richting de hoofddirecteur.
Vervolgens is er in het vroege voorjaar een anonieme brief van EFSA staf medewerkers naar diverse personen in het Parlement gegaan. De boodschap kwam in grote mate overeen met die in mijn latere afscheidsbrief. Die parlementariërs hebben dit destijds naast zich neergelegd; met een anonieme brief konden zij niets. In diezelfde tijd werd van het hoofd van onze Legal Department, een door velen binnen EFSA als zeer deskundig gewaardeerde collega, zonder opgaaf van reden het contract niet verlengd. EFSA werkt met vijf-jaar contracten. Zijn vertrek was wel de aanleiding voor veel onrust onder het personeel. Veel mensen dachten toch, dat kan mij blijkbaar ook gebeuren. Vergeet niet dat heel veel mensen met hun gezinnen naar Parma waren verhuisd.

Vervolgens is in mei de IT-directeur van EFSA opgestapt. Deze heeft bij zijn vertrek een brief gestuurd naar de directeur Administratie waaronder hij viel, aan de hoofddirecteur en aan de Raad van Bestuur. Die brief is toen in het publieke domein terecht gekomen. Daardoor ontstond een bredere discussie, zij het op een laag pitje. Leden van het Europees Parlement hebben mij toen benaderd met de vraag hoe ik bepaalde dingen zag. Ik heb toen aangegeven dat als ik weg zou gaan en er niets zou zijn veranderd, ik mijn hoofddirecteur een brief met mijn zorgen zou overhandigen en dat ik die brief zou delen met de Raad van Bestuur, het EFSA Management Team, het Wetenschappelijk Committee en de Personeels Commissie. Dat heb ik ook zo gedaan. Toen bleek dat die brief binnen een uur na verzending al publiek was, heb ik hem ook gedeeld met een aantal Euro-parlementariërs.

Hoe verklaart u deze ‘ontslagen’?
“Met dat zij het niet eens waren met het beleid van de hoofddirecteur dan wel dat zij een bedreiging konden vormen voor enkele personen die zij persoonlijk had benoemd. De directeur Administratie, een jonge vrouw die op aangeven van de directeur was benoemd, en waar het hoofd Legal Department aan rapporteerde, had geen enkele managementervaring en was in veel opzichten de mindere van deze man. Wellicht heeft ze deze medewerker als een bedreiging ervaren.
Deze directiebesluiten waren natuurlijk buitengewoon slecht voor de reputatie van EFSA als deskundige organisatie, maar vooral ook doordat ze de eerder geschetste onrust onder het personeel veroorzaakten. Die kregen zoiets van, we houden ons voorlopig wel gedeisd tot er over enkele jaren weer een nieuwe hoofddirecteur komt. Dat is niet goed. Er moet een open sfeer zijn waar ieder tegen elkaar kan zeggen wat hij vindt, zonder dat mensen bang moeten zijn dat de directeur represailles neemt tegen ‘moeilijke’ medewerkers.
Het Europees Parlement heeft naar aanleiding van de gebeurtenissen begin november in een besloten zitting de hoofddirecteur gehoord, en tegelijkertijd aan het EFSA-personeel de gelegenheid geboden om hen vertrouwelijk te informeren over hun visies en eventuele zorgen.
Het Environment Committee van het Parlement (waar ook volksgezondheid en voedselveiligheid onder vallen, red) neemt deze visies en de uitkomst van de besloten hoorzitting met de hoofddirekteur mee in de besluitvorming en aanbevelingen van de volgende vergadering begin december. Op voorhand heeft het Environment Committee van het Parlement al gezegd dat er een onafhankelijk extern onderzoek naar EFSA’s management zal moeten komen waarvan de uitkomsten in februari dienen te worden gepubliceerd.
Caterine (Geslain-Lanéelle, de algemeen directeur, red) was daar niet blij mee, en eerlijk gezegd kan ik me dat wel voorstellen omdat zo’n onderzoek EFSA ook kan schaden. Ik ben me ook bewust dat ondanks mijn pogingen om in mijn brief EFSA als wetenschappelijke organisatie buiten kijf te laten, mijn kritiek op het beleid van de hoofddirecteur onbedoeld ook schadelijk kan zijn voor EFSA’s algemene reputatie
Wat mij overigens heeft verbaasd is dat er sinds mijn brief van alles is gebeurd, de PvdA en inmiddels ook SP hebben in de Tweede Kamer vragen aan minister Verburg gesteld, zonder dat ik hiervan op de hoogte was. Vanmiddag ben ik door Tweede Kamer-leden van de PvdA uitgenodigd om over de kwestie te praten, en ik ben blij met de gelegenheid om te kunnen nuanceren wat soms erg zwart-wit in de media is overgekomen. Maar misschien is dit in feite een beetje mosterd na de maaltijd.”

Hoe heeft u dit alles ondergaan?
“Wat mij het meest tegen de borst stuit, en wat ik op deze plaats misschien een beetje kan rechtzetten, is dat sommigen dachten dat ik suggereerde dat als ik weg ben het slechter zou gaan met de wetenschap binnen EFSA. Dat heb ik niet bedoeld of gezegd. Ik bepaal niet de wetenschappelijke kwaliteit. Ik ben misschien wel een watch dog, maar de wetenschappelijke kwaliteit wordt bepaald door de EFSA panels zelf. Ik heb wel gezegd dat als er op een aantal door mij aangegeven punten geen ander beleid komt, de druk op EFSA zo groot kan worden, dat de kwaliteit van de wetenschap omlaag kan gaan.”

De wetenschappers in de panels staan volgens u onder politieke druk.
“Laat ik een voorbeeld geven. Het panel dat de risico’s van reeds in gebruik zijnde pesticiden moet herbeoordelen, moet alle stoffen eind dit jaar hebben geëvalueerd. Toen zij aangaven dat zij dat niet zouden halen, kregen zij via de hoofddirecteur van de Commissie te horen dat zij de registraties dan maar wat sneller en misschien wat minder uitgebreid moesten uitvoeren. Dát is iets waar ik tegen gestreden heb. Als een wetenschappelijke opinie tien jaar na het uitbrengen ervan wordt gelezen, in een andere tijd, door andere wetenschappers, dan moeten deze laatste kunnen zeggen: verdorie dat was een uitstekend stuk werk. Niemand zal later zeggen, het was niet zo’n sterke opinie, maar hij was wel op tijd. Met andere woorden: de kwaliteit van je product moet de tand des tijds kunnen doorstaan, niet het tempo waarmee opinies worden afgeleverd.
De beoordeling van GGO’s (genetisch gemodificeerde organismen, red) ligt ook erg politiek gevoelig. Ook van het hoofd van de Unit die bij EFSA het ggo-panel aanstuurt en begeleidt, is het contract zonder opgaaf van reden niet verlengd. Dat zorgde natuurlijk voor een enorme disruptie, vertrouwensbanden werden verbroken, vervanging van deze cruciale post duurde lang waardoor extra vertraging in het werk optrad, enzovoort. De voorzitter van het ggo-panel heeft diverse keren bij de directie om een toelichting gevraagd, maar nooit gekregen.

In de optiek van velen zou de Commissie, wanneer zij voorstellen voor nieuwe regelgeving opstelt waarin EFSA een rol speelt, in een vroeg stadium met EFSA moeten overleggen. Bij voorbeeld in het geval van health claims zou de Commissie zich hebben moeten informeren over hoe gecompliceerd dergelijke beoordelingen kunnen zijn, hoeveel tijd er nodig is voor een gedegen beoordeling… Waarschijnlijk zouden wij in eerste instantie hebben gezegd dat we eerst richtlijnen moeten opstellen met betrekking tot de gewenste inhoud van dossiers en vervolgens praktische ervaring moeten opdoen. Ik beschouw een goede dialoog tussen EFSA en de Commissie van cruciaal belang voor het goed functioneren van de EU-regelgeving voor alle betrokken partijen. Ik zou graag zien dat EFSA van de voorstellen die de Commissie naar Raad en Parlement stuurt, zou kunnen zeggen: daar kunnen wij mee leven want we hebben onze inbreng in het voorstel gehad. Nou, die afstemming gebeurt zelden, niet bij de pesticide regelgeving, niet bij voedseladditieven, niet bij ggo’s en ook niet bij de health claims.
Uiteraard weten onze experts vaak wel van de plannen waaraan de Commissie werkt, zodat we op eigen initiatief onze mening er over kunnen geven, eventueel zelfs via een officiële brief, maar van formele inbreng in een vroeg stadium is nauwelijks sprake.

Behalve het aandringen op minder gedegen opinies is er nog een andere vorm van politieke beïnvloeding, die eigenlijk nog veel gevaarlijker is voor EFSA. Als wij een opinie uitbrengen waarin wij bijvoorbeeld concluderen dat de cultivatie op Europese bodem van een bepaalde ggo veilig is voor de mens en het milieu, dan moet commissaris Dimas van DG Environment dit in de Raad verdedigen. Als Hongarije en Oostenrijk dan zeggen dat zij die bepaalde ggo niet veilig achten, overigens zonder wetenschappelijke onderbouwing te overleggen, dan staat Dimas onder druk. Hij zou de beslissing over die toelating kunnen uitstellen door EFSA te vragen de betreffende opinie te heroverwegen. Als onze directeur daarvoor zwicht, zonder dat er nieuwe, betrouwbare gegevens op tafel liggen, kan Dimas deze beslissing wellicht over zijn zittingsduur heen tillen. Wanneer er in die tussentijd wordt gevraagd waarom het besluit zo lang op zich laat wachten, kan de Commissie snel verwijzen naar EFSA met de vermelding dat wij er nog niet uit zijn en dat het nog wel een poosje kan duren. Dus niet alleen zie ik de acceptatie van zo’n verzoek als een aanslag op de wetenschappelijke kwaliteit van het panel – dat gevraagd wordt of hun mening en dus de opinie ondertussen niet gewijzigd is – maar ook krijgt EFSA nog eens de zwarte piet toegespeeld van het duurt daar altijd zo lang, waardoor ons imago ten onrechte wordt beschadigd.”

Ook het recente niet opvolgen van de EFSA opinie over azo-kleurstoffen zal het imago van EFSA geen goed doen.
“Natuurlijk ben ik van mening dat de Commissie ons advies had moeten opvolgen, maar de Commissie heeft als risk manager het recht en de plicht om zijn besluit te nemen op basis van meer dan de wetenschappelijke opinie alleen. Maatschappelijke, sociaal-economische en culturele overwegingen spelen ook een rol in de besluitvorming. Het belangrijkste is niet dat EFSA’s aanbevelingen worden opgevolgd, maar dat de besluitvorming transparant is. Dus als de wetenschappelijke argumenten aan de kant worden geschoven, moet de Commissie aangeven welke argumenten zij daarvoor heeft. Partijen die het daar niet mee eens zijn, zouden de Commissie om een toelichting moeten vragen. Wijzelf hebben in dit geval geen verklaring ontvangen. Die geeft de Commissie niet zo vaak en zelden uit zichzelf.
Ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en vaak beslist de Raad, dus de lidstaten.”

Als de EFSA adviezen niet worden opgevolgd, kan EFSA deze net zo goed niet meer maken.
“Daar ben ik het niet mee eens. Nogmaals, zolang het proces transparant is, is ieder in staat om de beweegreden voor het volgen of niet volgen van een EFSA advies te achterhalen. Daarna is het aan anderen om dit besluit te accepteren of aan te vechten. Het gebeurt overigens niet zo vaak dat een EFSA advies niet wordt opgevolgd. In die zin is dit een precedent. Achter de schermen wordt er natuurlijk wel met de Commissie over gesproken, maar het is aan de politiek om daar verder formeel over door te praten.”

Maakt EFSA zich over deze kwestie dan geen zorgen?
“Als ik nog bij EFSA zou werken, zou ik over deze kwestie meer communiceren naar alle stakeholders, wellicht tegen de zin van de Commissie. Het zou voor iedereen absoluut duidelijk moeten zijn, en zeker voor de consument, dat EFSA staat voor een heldere analyse van risico’s en veiligheid en dat argumenten die pleiten tegen de aanbevelingen van EFSA wel heel erg sterk moeten zijn. De Commissie zou liever zeggen: je hebt je werk gedaan, nu moet je je verder stilhouden. De huidige hoofddirecteur wil te graag vrienden zijn met de Commissie. Een wat assertievere opstelling zou mij wenselijk lijken. Zou de Commissie herhaaldelijk een EFSA-uitspraak naast zich neerleggen dan zouden wat mij betreft de rapen gaar zijn.”

Waar moet ik dan aan denken?
“EFSA zou een communiqué kunnen uitbrengen, een rapport uitbrengen, met onze stakeholders praten, de consument aanspreken en in voor de leek begrijpelijke bewoordingen duidelijk maken wat de risico’s zijn voor mens en/of milieu van het in de wind slaan van de betreffende EFSA aanbeveling. In de trant van: wij hebben deze opinie uitgebracht, die is niet opgevolgd, waardoor de consument die en die risico’s loopt en daar maken wij ons zorgen over. Ik zou het niet op de spits willen drijven, maar communicatie is ons sterkste instrument na de wetenschap. Daarbij moet je altijd de afweging maken dat je dit instrument aanwendt in het belang van de consument, niet de politiek. Daarmee moet je overigens wel voorzichtig zijn; de consument is vrij gemakkelijk te beïnvloeden.”

De industrie heeft met gemengde gevoelens de eerste opinies over de artikel 14 gezondheidsclaims begroet. Is dat terecht?
“Ik sta pal achter de wetenschap in de opinies die zijn uitgebracht. En ik vind het prachtig dat het panel bij haar standpunt blijft, ondanks de druk.
De fabrikanten waren ervan overtuigd dat zij hun claims goed hadden onderbouwd en dat is begrijpelijk want tot nu toe was er geen onafhankelijke toetsing, geen norm. Zij zijn nu geconfronteerd met een werkelijkheid die aanvankelijk niet geheel die van hun was. Het is een kwestie van tijd, wederzijdse ervaring en veel overleg voordat alle partijen op één spoor zitten.
Vooral de grotere fabrikanten zijn toch wel blij met onze zeer wetenschappelijke, transparante en zeer onafhankelijke opstelling. Bedrijven in de marge die met claims komen die werkelijk opzettelijk misleidend zijn, vallen eruit. Onze adviezen leveren uiteindelijk voordeel op voor de grotere industrieën, maar EFSA kan niet met twee maten meten. Kleine bedrijven zullen het onvermijdelijk moeilijker hebben een claim te onderbouwen: hiervoor missen zij vaak de noodzakelijke know-how en faciliteiten. In deze kan EFSA niet helpen, wel kunnen we adviseren bij wat er komt kijken om een claim te maken, met welke voor EFSA belangrijke elementen zij die moeten onderbouwen. We kunnen hen ook adviseren wie dat voor hen kan uitzoeken enzovoorts. We zullen echter nooit garanderen dat als je het zus of zo doet, dat het dan wel snor zit. Daarover beslist het wetenschappelijke panel. Maar we kunnen ze wel helpen om op het juiste spoor te blijven.”

En zijn duizenden artikel 13- en nog eens honderden artikel 14-claims ingediend. Hoe gaat u die beoordelen?
“Die willen we waar mogelijk gaan bundelen. Als calcium goed voor je botten is, willen we niet dat dit op 700 manieren wordt gezegd; we willen dat aantal drastisch terugbrengen tot zeg honderd duidelijke, niet mis te verstane boodschappen. De consument moet niet iets lezen en denken, bedoelen ze daar nu dit of dat mee? Claims, moeten klip en klare boodschappen zijn.”

Eerlijk gezegd vind ik honderd nog veel.
“Ik ook. Honderd grijp ik zomaar uit de lucht. Het is slechts een voorbeeld om aan te tonen dat we ‘veel’ willen terugbrengen naar ‘beperkt’. Maar er moet een zekere ruimte zijn voor een variëteit aan claims over hetzelfde onderwerp, niet alleen om concurrentie de ruimte te geven, maar vooral ook omdat we nu reeds zijn opgescheept met een groot scala aan reeds geaccepteerde claims in de lidstaten.”

Een claim werd ook afwezen vanwege het algemeen voorkomen van de werkzame stof.
“Een dergelijke claim is al snel misleidend omdat deze suggereert dat de consument alleen voldoende van deze stof binnenkrijgt als hij het bewuste voedingsmiddel eet. Het guidance document omschrijft niet exact alle criteria, maar in dit geval geeft het document duidelijk aan dat het om een stof moet gaan die je, als je het product niet gebruikt, mogelijk onvoldoende binnenkrijgt.”

Krijgen de panels niet veel te veel werk op hun bordje?
“Ja, daar gaat het wel naar toe. Hoe dit aan te pakken, daarover verschillen de meningen. Meer panels is een oplossing om te last te verdelen, meer bijdragen van de wetenschappelijke EFSA staf om een panel te ontlasten is een andere optie. Combinatie van beide lijkt mij de goede weg.
Catherine blijft positief en vindt de teruglopende belangstelling van experts om panellid te worden geen probleem. Maar vijf jaar geleden hadden we voor iedere positie in een panel of staf 200 kandidaten, die allemaal bekwaam waren, nu zijn dat er vier per post. Op zich is dat nog geen probleem, we kunnen nog steeds uit vier bekwame kandidaten kiezen, maar het is wel een signaal dat we iets moeten doen. Natuurlijk heeft het ook te maken met zaken als de verhuizing van Brussel naar Parma.
Panelleden moeten we goed belonen, niet met geld, want een werkelijke marktwaarde voor hun bijdrage kunnen we toch niet betalen. Wel kunnen we de secundaire omstandigheden goed maken. Bijvoorbeeld door videoconferencing, of een keer niet in Parma te vergaderen, maar elders op een goed bereikbare plaats. Daarnaast een goede onkostenvergoeding, een goed hotel… Op die manier kun je veel mensen krijgen.
Ook voor de instituten waar de experts vandaan komen, is het deelnemen aan panels interessant: hun medewerkers komen terug met meer kennis, bouwen netwerken op waarmee ze kunnen samenwerken en dergelijke.
Een maximum voor een panel is toch wel 20, 21 mensen. Je zou dus een panel dat nu werkt aan additieven, aroma;s en enzymen misschien wel kunnen opsplitsen in drie aparte panels, een voor elke groep van stoffen. Niet gemakkelijk want alle panels moeten hun methoden van werk en criteria goed met elkaar afstemmen, maar het lijkt mij de weg te gaan.
Overigens mopperen de Nederlandse deskundigen die lid zijn van een EFSA panel weleens omdat ze zo vaak helemaal naar Parma toe moeten, maar toch komen ze uiteindelijk allemaal en werken stuk voor stuk hard voor EFSA. In the end vinden ze het ook allemaal wel prachtig.”

In hoeverre vond uw vrouw uw brief en vertrek prachtig?
“Prachtig is zeker niet het woord dat zij zou gebruiken. Ook zijn de brief en ons vertrek twee totaal verschilllende grootheden. Wat betreft de brief staat ze pal achter mij, maar zij is niet onpartijdig in deze. Wat betreft mijn vertrek uit EFSA: toen ik vijf jaar geleden bij EFSA kwam, had ik erop gerekend dat ik daar tot mijn pensioen zou blijven en ik hield van mijn werk. Mijn vrouw kende mijn passie voor EFSA en houdt daarbij erg van Italië. Behalve het fantastische klimaat hadden we een fijn huis aan de rand van Parma met navenant fijne tuin en we leefden met onze honden van mei tot oktober buiten. Heerlijk. Wij gingen dus niet met plezier weg.”

Reageer op dit artikel