artikel

Nieuwe EU-etikettering: niet beter, wel ingewikkelder

Algemeen

In januari 2008 heeft de Europese Commissie haar voorstel gepubliceerd voor een Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. De belangrijkste aspecten in dit voorstel zijn een voorgeschreven minimale lettergrootte van 3 millimeter voor alle wettelijk verplichte informatie op een etiket en de introductie van verplichte voedingswaarde-informatie. De levensmiddelenindustrie zet vraagtekens bij het nut van een aantal wijzigingen.

Al dertig jaar geleden werd de eerste Europese Richtlijn voor etikettering gepubliceerd, de Richtlijn 79/112/EEG. Deze Richtlijn is diverse malen gewijzigd en in het jaar 2000 omgezet in de Europese Etiketteringsrichtlijn 2000/13/EG. Grote veranderingen in de laatste jaren zijn de introductie van kwantitatieve ingrediëntendeclaratie (KWID) en verplichte etikettering van allergenen.

Het Commissievoorstel van begin dit jaar is een samenvoeging van de huidige Europese voorschriften voor etikettering (Richtlijn 2000/13/EG) en voedingswaarde-informatie (Richtlijn 90/496/EEG). Reden hiervoor is dat de Commissie de huidige informatievoorziening via het etiket voor verbetering vatbaar vindt. Door middel van verplichte voedingswaarde-informatie op het etiket moet de consument eigenhandig een keuze kunnen maken voor gezonde voeding.

De komende tijd zal er veel discussie zijn over dit voorstel, zowel in de EU-lidstaten als in Brussel. Als het voorstel in de huidige vorm doorgaat, dan zal ieder huidig etiket van elk levensmiddel dat wordt verkocht in de EU moeten worden aangepast. De verwachting is dat de definitieve tekst in 2010 wordt afgerond en alle etiketten in 2013 aan de nieuwe eisen moeten voldoen.

Reikwijdte en algemene beginselen (art. 1-8)
Het voorstel van de Commissie heeft betrekking op alle stadia in de voedselketen voorzover het gaat om voedselinformatie richting consumenten (dus inclusief catering en levensmiddelen voor hen bestemd, maar ook onverpakte producten). Het is aan de lidstaten om te bepalen of alle verplichte informatie in het geval van onverpakte producten ook op een andere wijze dan via een etiket met de consument mag worden gedeeld. De aanwezigheid van allergenen moet te allen tijde zijn vermeld bij het product.

De term ‘voedselinformatie’ wordt omschreven als informatie over een levensmiddel dat beschikbaar wordt gemaakt aan de eindconsument door middel van een etiket, begeleidende papieren of andere middelen waaronder moderne technologiemiddelen. Deze laatste mogelijkheid wordt alleen toegestaan voor onverpakte producten als een lidstaat daar zelf voor kiest.

Het doel van voedselinformatie is enerzijds het nastreven van een hoog beschermingsniveau van consumentengezondheid. Anderzijds is het vrij verkeer van goederen in de EU een belangrijk doel. Ieder levensmiddel bestemd voor de eindconsument of horeca moet zijn voorzien van voedselinformatie.

Verplichte informatie (art. 9-27)
De huidige verplicht te etiketteren elementen zoals benaming, ingrediëntenlijst, houdbaarheidsdatum, naam/adres afzender, enzovoort, zijn allemaal overgenomen in het voorstel. De FNLI (Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie) betreurt het dat niet is overwogen om na te gaan of alle nu verplichte items daadwerkelijk van belang zijn voor de consument. De grootste verwachte wijziging ten opzichte van het huidige etiket is de vereiste minimale lettergrootte van 3 millimeter voor alle verplichte informatie. De reden hiervoor is dat etiketten niet goed leesbaar zouden zijn.

Dit houdt ruwweg in dat het deel bestemd voor deze informatie gemiddeld drie maal zo groot wordt; en dat is onaanvaardbaar voor de FNLI. De FNLI heeft bij verschillende beleidsmakers en EP-leden al bepleit dat leesbaarheid van meer factoren afhangt dan alleen de lettergrootte. Zo moet er rekening worden gehouden met onder andere de kleurcombinaties, het lettertype en contrasterende ondergronden.

CIAA

]De FNLI werkt samen met de CIAA (Europese Koepelorganisatie van de levensmiddelenindustrie) aan een Code of Practice die aangeeft hoe de leesbaarheid van een etiket kan worden geborgd. Het is de intentie om deze Code voor het einde van dit jaar af te ronden. In de huidige concept-Code of Practice is opgenomen dat bij voorkeur een lettergrootte van minimaal 1millimeter wordt gekozen en bijvoorbeeld door bepaalde kleurstelling voor voldoende contrast kan worden gezorgd zodat alle informatie leesbaar is.

Voedingswaarde-informatie (art. 28-34)
De ruimte die moet worden gereserveerd voor verplichte informatie op een etiket moet in ieder geval groter worden omdat de Commissie voorstelt dat voedingswaarde-informatie altijd verplicht moet worden vermeld op het etiket. Op dit moment is nog niet duidelijk welke voedingsstoffen verplicht op de voorkant van het etiket moeten staan.

Zes voedingsstoffen moeten altijd worden gedeclareerd: energie, vet, verzadigd vet, koolhydraten, suikers en zout. Andere voedingsstoffen mogen additioneel worden genoemd. Echter, bij een voedings- of gezondheidsclaim moet ten minste de voedingsstof worden genoemd waarop de claim betrekking heeft. De hoeveelheden van deze zes voedingsstoffen moeten zowel worden vermeld per 100 gram of milliliter als per percentage van een referentie-inname. De voedingswaarde-informatie mag alleen per portie worden gegeven als het levensmiddel is verpakt per individuele portie.

De hoeveelheden van deze zes voedingsstoffen moet bovendien worden vermeld in het zogenaamde ‘belangrijkste gezichtsveld’, en wel als percentages van de referentie-innamen. Onduidelijk is nog de vorm waarin dit moet of mag. Mag de industrie kiezen voor het eigen vrijwillige systeem van de dagelijkse voedingsrichtlijn? Of gaat de EU dit nog voorschrijven en komt er dan bijvoorbeeld een in de ogen van de industrie voor consumenten misleidend systeem als het zogenaamde stoplichtensysteem (zie ook: www.eatwell.gov.uk/foodlabels/trafficlights)?

Nationale bepalingen en schema’s (art. 37-47)
Met de nieuwe Verordening wordt de mogelijkheid gecreëerd dat lidstaten hun eigen voorschriften opstellen voor bepaalde aspecten. Nationale voorschriften schrijven bijvoorbeeld andere vormen voor dan de huidige/standaard uitdrukkingsvormen voor de voedingswaardedeclaratie. Al zijn dergelijke voorschriften vrijwillig, de industrie is daar echter niet gerust op omdat dit kan leiden tot disharmonisatie. Verschillen op nationaal niveau zullen leiden tot verstoring van de interne handel en oneerlijke competitie tussen producenten.

Zo zou het kunnen voorkomen dat één en hetzelfde product in bijvoorbeeld de Engelse supermarkten alleen verkocht kan worden als het ook volgens het zogenaamde stoplichtensysteem is geëtiketteerd, maar in Frankrijk de voedingswaarde weer op een andere wijze moet worden vermeld. Dit houdt in dat etiketten voor verschillende markten in de praktijk toch verschillend moeten zijn en dat leidt dus tot extra kosten voor de producent. De consument is hier niet noodzakelijkerwijs bij gebaat.

Naast eigen voorschriften voor voedingswaarde kan een nationale overheid ook voorschriften opstellen voor verplichte oorsprongsetikettering. Dit kan als consumenten aangeven hier behoefte aan te hebben en er een bewijs bestaat tussen de oorsprong en bepaalde kwaliteiten van het product. De FNLI is van mening dat de bestaande EU-wetgeving hiervoor afdoende mogelijkheden biedt. Denk hierbij aan de mogelijkheid tot het krijgen van een beschermde oorsprongsbenaming, zoals de Noord-Hollandse Edammer of Gouda. Met de huidige wetgeving wordt al voorkomen dat de nationale productie onterecht kan worden voorgetrokken ten opzichte van die uit andere EU-lidstaten. Wie zegt dat spaghetti uit Italië beter is dan die uit Frankrijk?

Inwerkingtreding (art. 53)
Nadat de tekst van dit voorstel definitief is, krijgt de levensmiddelenindustrie drie jaar de tijd om aan de nieuwe eisen te voldoen. Dat lijkt misschien lang, maar is het in de praktijk niet. Alle etiketten moeten namelijk worden herzien en voor producten met een houdbaarheidstermijn van bijvoorbeeld een jaar, zou dan het nieuwe etiket binnen twee jaar gereed moeten zijn.

Daarom pleit de FNLI voor het invoegen van een algemene uitverkooptermijn, zodat producten die binnen deze drie jaar conform de huidige wetgeving zijn geproduceerd nog steeds mogen worden verkocht. Voor bedrijven met minder dan tien werknemers wordt een overgangstermijn van vijf jaar voorgesteld. Echter, deze vijf jaar zou niet nodig zijn als voor de hele levensmiddelenindustrie een uitverkooptermijn wordt ingevoerd en dan geldt tenminste ‘gelijke monniken, gelijke kappen’.

Conclusie
Het voorstel van de Europese Commissie voor één EU-Etiketteringsverordening is helaas geen verbetering ten opzichte van de bestaande etiketteringsvoorschriften. Ook is geen sprake van vereenvoudiging of verduidelijking van de bestaande voorschriften. Alleen de complexiteit is toegenomen. Verder wordt geen concrete ruimte geboden voor het delen van informatie via alternatieve kanalen naast het etiket.

Zo wordt de ontwikkeling van het gebruik van alternatieve informatiekanalen geheel overgeslagen en dit had juist voor de consument een groot voordeel kunnen zijn. De levensmiddelenindustrie zal in gesprek blijven met de verschillende beleidsmakers in Den Haag en Brussel om hen de problemen uit te leggen en te vertellen hoe het ook kan. Uiteindelijk moet het etiket geen extra last zijn voor de producent en de consument, maar een medium van de producent om de consument op de juiste manier te informeren over het product dat hij wil aanschaffen.

Reageer op dit artikel