artikel

‘Je moet ergens beginnen’

Algemeen

Het ‘cradle to cradle’-principe wint steeds meer terrein in Nederland. Zozeer dat de Duitse initiatiefnemer van deze kringloopgedachte Michel Braungart zich in ons land gevestigd heeft. In de food-industrie is hier echter nog weinig van terug te vinden, al is er vooral op het gebied van verpakking aardig wat te winnen.

“Veel bedrijven zien cradle to cradle als iets visionairs: prachtig, maar laat eerst maar eens praktische toepassingen zien. En complete businesscases zijn er nauwelijks. Ze zijn wel te maken, maar vooral op onderdelen uit het C2C-concept. Maar je moet wel ergens beginnen.” Aan het woord is Bram van Schijndel, consultant bij CapGemini en onderzoeker naar C2C-toepassingen. “In Nederland vindt het concept vooral zijn weg in duurzaam bouwen, maar in de food-industrie is het nog minimaal doorgedrongen.”.

Verpakkingen
Cradle to cradle valt uiteen in twee kringlopen: een technische, waarbij afval hoogwaardige grondstof wordt; een biologische, waarbij afval gecomposteerd wordt (voor energie of als grondstof, bijvoorbeeld in de landbouw). In de food-industrie komen beide kringlopen samen, waarbij verpakking op korte termijn de meeste mogelijkheden biedt, meent Van Schijndel.

Daar is Hans Havers, met zijn bureau 2Evoke adviseur op het gebied van C2C, het mee eens. “Er is op dat gebied ook al het een en ander gaande. “We zijn ook al bezig met toeleveranciers zoals Tetrapak en voeren gesprekken met andere bedrijven die voor de voedingsmiddelensector van belang zijn.” Volgens Havers is het vooral belangrijk om op een positieve manier met afval om te gaan. “Cradle tot cradle gaat uit van afval als nieuwe grondstof. Duurzaamheid gaat om zuiniger omgaan met grondstoffen en energie. C2C gaat over op een hele andere manier omgaan met grondstoffen en energie, niet per se zuiniger.”

Aan het begin
Maar bewijzen dat het geproduceerde afval inderdaad een hoogwaardige grondstof is, is nog moeilijk. En vaak is dat ook niet zo. Van Schijndel: “Wat je nu ziet, is dat PET-flessen gerecycled worden tot grondstof voor Amsterdammertjes of fleecetruien. Veel meer kan niet, vanwege alle zogeheten antimonen (metaal) in het materiaal. Door al aan het begin van het traject die antimonen uit het materiaal te laten voor de PET-flessen, kun je er achteraf veel meer mee doen. Dat is waar we nu met bedrijven uit de verpakkingsindustrie mee bezig zijn.” Van die bedrijven zul je het dan ook vooral moeten hebben, meent Van Schijndel. Want de overheid is nog weinig actief en budgetten voor projecten of onderzoek zijn er nauwelijks. Maar de acceptatie door het bedrijfsleven is ook een lange weg. Grote drempel zit in praktijkgerichte mogelijkheden en betaalbaarheid.

Havers: “Dat merken we ook uit gesprekken met bijvoorbeeld Unilever en Albert Heijn. De bereidheid om erover na te denken is er, de technische mogelijkheden zijn in veel gevallen ook al aanwezig. Maar het moet te betalen zijn en het moet praktisch toepasbaar zijn. Dat is ook logisch. Nederland kent veel procesindustrie. Je vraagt die bedrijven nogal wat als je wilt dat ze hun processen allemaal aanpassen. We staan echt aan het begin en het vergt misschien wel decennia van verandering. Maar je moet wel een keer en ergens beginnen.”

Unilever: geen toegevoegde waarde
Gevraagd naar het befaamde verhaal over het ijsje met afbreekbare verpakking plus bloemzaadje, zegt Unilever-woordvoerster Els de Bruin: “Er is ooit sprake geweest van iets dergelijks, maar dit heeft nooit tot een concreet product geleid.” Unilever kent het C2C-concept, maar ziet er geen toegevoegde waarde in. Het concern heeft sinds een aantal jaren eigen programma’s op het gebied van duurzaamheid, “waarmee we ook hoge waardering krijgen in de Dow Jones Sustainability World Indexes”, aldus De Bruin. “Zeker bij voedingsmiddelen biedt de C2C-benadering geen enkele extra dimensie als het gaat om het verbeteren van de milieubalans, zoals wij die al vele jaren hanteren.”

Reageer op dit artikel