artikel

Kapot tegeltje mag blijven

Algemeen

Het kapotte tegeltje, symbool van bureaucratie, regelzucht en zinloosheid bij het overheidstoezicht, mag voortaan blijven. Niet langer staat het middel, maar het doel van de wetgeving voorop. Bedrijven krijgen meer eigen verantwoordelijkheid en vullen die onder andere in met sectorale zelfreguleringssystemen.

Niet het middel, het kapotte tegeltje, maar het doel, veilige voedingsmiddelen, staat in het nieuwe handhavingsbeleid van de VWA voorop. Goed nieuws voor veel fabrikanten die een jarenlange frustratie over deze tegeltjes en vergelijkbare zaken hebben opgebouwd.

In het nieuwe handhavingsbeleid mag het kapotte tegeltje rustig op zijn plaats blijven, betoogt programmamanager Hans Beuger die bij de VWA voor voedselveiligheid in de levensmiddelensector verantwoordelijk is. “Dit tegeltje zal na twaalf jaar nog steeds als een geringe overtreding worden gezien, waarvoor wij niet langer een waarschuwing, laat staan een boeterapport uitschrijven.” Beuger sprak tijdens een door de Productschappencommissie Levensmiddelen Wetgeving (PLW) georganiseerde themamiddag over het nieuwe handhavingsbeleid en nut en noodzaak van zelfreguleringssystemen.

Handhavingsbeleid

In het nieuwe handhavingsbeleid kent de VWA drie typen overtredingen: een geringe overtreding, een overtreding en een ernstige overtreding. “Voor de geringe overtreding zullen wij nooit een waarschuwing of boeterapport geven.” Wel zal deze mededeling in het inspectierapport worden vermeld, maar een herinspectie om te controleren of de fabrikant het euvel heeft verholpen, blijft achterwege. Vandaar dat het ene kapot tegeltje jaar in jaar uit kan blijven zitten; achterstallig onderhoud is natuurlijk iets geheel anders.

Advies
Nieuw is ook dat de VWA-inspecteurs de ondernemer met advies zullen bijstaan om het geconstateerde euvel te verhelpen. Daarmee lijkt de VWA een beetje terug te komen van eind vorige eeuw ingezet beleid, dat een controleur controleert en niet adviseert. Hoe de ‘nalevingshulp’, zoals de VWA deze advisering zelf aanduidt, er precies uit zal zien, is nog niet geheel duidelijk.

Zeker is wel dat daarbij voor de brancheorganisaties een zekere (lees grote) rol is weggelegd, gezien Beugers opmerking dat de hulp er ook in kan bestaan de ondernemer erop te wijzen waar hij informatie kan krijgen om het geconstateerde euvel te verhelpen.

Veel tijd hebben de VWA-controleurs ook niet om bedrijven te adviseren. Daarvoor is de tijdsdruk veel te groot al wordt dat deels gecompenseerd door een veel lagere inspectiefrequentie. “Het aantal controles dat een slager of bakker krijgt, is de laatste jaren al teruggelopen van gemiddeld vier naar gemiddeld 0,7 bezoekjes per jaar”, zegt Beuger.

Zelfcontrole
Gezien de geringe controlecapaciteit bij de VWA is de toezichthouder er veel aan gelegen dat de branche kan aantonen dat zij veilige voedingsmiddelen produceren. Een belangrijk knelpunt zijn de grondstoffen. Ondernemers kunnen moeilijk bewijzen dat deze geen risico voor de volksgezondheid vormen. Certificaten en andere begeleidende papieren bieden geen absolute garantie en dus moet de ondernemer nagaan of deze een goede afspiegeling zijn van de werkelijkheid. Met andere woorden: hij moet zijn toeleveranciers (laten) auditten. Een onmogelijke situatie, zeker voor de kleinere (ambachtelijke) bedrijven.

De oplossing is gevonden in het maken van een zelfreguleringssysteem voor de gehele sector. De bakkerijsector loopt daarbij voorop. De betrokken brancheorganisaties en het Productschap Akkerbouw hebben elkaar gevonden en in een kleine twee jaar tijd, wat ongelooflijk kort is, RiskPlaza opgezet. Hierin zijn de mogelijke gevaren van ingrediënten centraal in kaart gebracht zodat leveranciers hun producten daarvoor kunnen screenen.

Als verificatiestap is daarbij een audit+-systeem opgezet waarbij certificatie-instellingen toeleveranciers beoordelen. De VWA heeft dit systeem inmiddels geaccepteerd zodat bakkers kunnen volstaan met aan te tonen dat hun grondstoffen afkomstig zijn van deelnemende toeleveranciers.

Andere sectoren
Ook diverse andere sectoren zijn bezig om zelfreguleringssystemen op te zetten. Op de PLW-bijeenkomst werden over IKB Ei (consumptie-eieren), Food Compass (groente- en fruitsector) en een systeem in de MVO-sector – deze had nog geen naam – presentaties gehouden.

Maar ook andere sectoren zijn bezig met het opzetten van dergelijke systemen, zoals de vleessector, en natuurlijk zijn er de vele door bedrijven zelf opgezette ketenbeheerssystemen, als het joint suppliers audit-systeem waarmee mouterijen kunnen inschrijven op een onafhankelijke audit van gersttelers of de graanhandel die afneemt van telers die gecertificeerd zijn volgens de GZP-beoordelingsrichtlijn, GMP+, TrusQ in de diervoedersector, enzovoort.

Al dergelijke systemen kunnen hun systeem, sommige als hygiënecode, door de VWA laten beoordelen (of hebben dit al gedaan). Het is echter aan de diverse partijen zelf om aan te tonen dat zij voldoen aan de gemaakte afspraken. De bakkerijsector zet als eerste, een flinke stap verder, doordat juist die verificatiestap ingebed is in het systeem.

“Het voorbeeld van RiskPlaza laat goed zien hoe je het je als sector gemakkelijker kunt maken”, aldus Beuger. Wel tekende hij daarbij aan dat een dergelijk systeem minimaal een onafhankelijke toets van een derde moet bevatten, transparant moet zijn en over een zelfreguleringssystematiek (inclusief correctiemechanisme) moet beschikken. Uitgebreide criteria zullen binnenkort op de VWA-site zijn te raadplegen.

MVO
De oliën- en vettensector gaf te kennen in navolging van de bakkerijsector graag zijn zelfreguleringssystemen in de vorm van sectorale risicobeoordelingen te laten goedkeuren door de VWA. De toezichthouder was er tot nu toe niet bij betrokken, maar werd ter plekke uitgenodigd voortaan mee te denken over de vraag hoe dit systeem op hetzelfde niveau te brengen als dat van RiskPlaza.

Maar wat moeten bedrijven doen die sterk internationaal werken? Zij zijn erbij gebaat om hun zelfreguleringssysteem wereldwijd ingevoerd te krijgen. Voor hen werd geen nationale oplossing door sprekers en deelnemers aangedragen.

Op Europees niveau zou het te overwegen zijn om in brancheverband het systeem door te voeren als een Europese hygiënecode. Voor de plantaardige respectievelijk dierlijke oliën- en vettensector zijn dat respectievelijk FEDIOL en EFPRA. Per land zou er dan met de betreffende toezichthouder nadere afspraken kunnen worden gemaakt over hoe het zelfreguleringssysteem in het nationale toezicht kan worden ingebed.

Terugtreden
Al die bedrijven die kunnen aantonen dat zij via veilige grondstoffen, maar ook processen, werkwijzen enzovoort, veilig voedsel produceren, zullen in het kader van toezicht op controle niet langer reguliere audits van de VWA krijgen (groene categorie). Hooguit krijgen zij steekproefsgewijs een controle waarmee de VWA beoogt de vinger aan de pols te houden (monitoring).

Behalve de tijd die dit scheelt, is dit voor bedrijven vooral aantrekkelijk omdat ze dan niet langer beboet zullen worden bij een gebleken overtreding. Waar gehakt wordt, vallen spaanders, redeneert de VWA in dergelijke gevallen. De toezichthouder gaat ervan uit dat dergelijke bedrijven een goed voedselveiligheidssysteem hebben, waarmee zij deze tekortkoming snel zullen verhelpen. Er volgt in principe geen (betaalde) herinspectie. Alleen bij ernstige tekortkomingen, waarbij de consument direct een risico loopt, zal nog bestraffend worden opgetreden (met een betaalde herinspectie).

Bedrijven in het oranje deel van de toezichtspiramide, krijgen wel regelmatig (het streven is één keer per jaar) een controle met eventuele waarschuwingen, boeterapporten en herinspecties (streven is binnen drie maanden) waarvoor zij wel moeten betalen. Bedrijven die hun zaakje helemaal niet op orde hebben, zij vallen in de rode top van de piramide, krijgen veelvuldig met de VWA te maken, kunnen bestuurlijke boetes (dwangsom) opgelegd krijgen en zelfs tijdelijk worden stilgelegd.

Reageer op dit artikel