artikel

Nationale databank komt eraan

Algemeen

Binnen afzienbare tijd is er één nationale levensmiddelendatabank die consument en bedrijfsleven een actueel en volledig overzicht biedt van informatie over onder meer voedingswaarde, ingrediënten en allergenen. De ALBA-databank houdt dan op te bestaan.

Eind vorige eeuw ontstond al de wens om te komen tot één loket waar bedrijven en consumenten voor al hun informatie over voedingsmiddelen terecht zouden kunnen. Vijf organisaties – Stichting Merkartikel (opgegaan in de FNLI), CBL, GPI, GS1 (voorheen EAN) en het Voedingscentrum ontwikkelden met veel enthousiasme een blauwdruk voor een nationale levensmiddelendatabank.

Uiteindelijk strandde de samenwerking een paar jaar later, waarschijnlijk door financiële perikelen.
Juist op dat moment verzocht het ministerie van VWS het Voedingscentrum om een vooronderzoek te (laten) doen naar de toekomst van tot dan toe bestaande databanken en de haalbaarheid van een nationale levensmiddelendatabank.

VWS wilde weten of de aansturing effectiever en efficiënter zou kunnen en de dataverzameling en -presentatie moderner en sneller. Tot dan toe verscheen van bijvoorbeeld de NEVO-tabel slechts eens in de vijf jaar een update. Daarnaast wilde VWS meer weten over de transparantie van de gegevens voor de consument, bijvoorbeeld ten aanzien van het opnemen van meer informatie. Ten slotte was het voor het ministerie belangrijk dat een nationale levensmiddelendatabank zou aansluiten op nieuwe Europese wetgeving en rekening zou houden met ontwikkelingen op het gebied van etikettering.

Het onderzoek is uitgevoerd door GS1 middels diepte-interviews onder de betrokken organisaties en de ministeries van VWS en LNV (laatstgenoemde was met VWS subsidieverstrekker), het bezoeken van de bureaus van Stichting NEVO en ALBA en een schriftelijke enquête over het draagvlak voor een nieuwe databank.

Nieuwe databanken
Op basis van de uitkomsten besloot VWS dat er twee nieuwe databanken moeten komen die onderling data uitwisselen en aan andere databanken te koppelen zijn:
1. Een wetenschappelijke databank, waarmee universiteiten en instituten onderzoeksgegevens kunnen uitwisselen over de voedingsstoffensamenstelling van producten. Denk aan gegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP) en – in Europees verband – het netwerk EuroFIR. Deze databank wordt ondergebracht bij het RIVM.
2. Een consumentendatabank, ondergebracht bij het Voedingscentrum, met als doel het beschikbaar stellen van data aan de consument vanuit de wetenschappelijke databank en het bedrijfsleven. De gegevens hebben betrekking op voedingsmiddelen – zowel private label- als merkartikelen – en generieke producten en betreffen allergenen, voedingsstoffen, verstrekkingseenheden (maten en gewichten), ketentransparantie en keurmerken en logo’s.
Beide databanken komen onder toezicht van een begeleidingscommissie die kijkt hoe de data worden beheerd, gegenereerd en gepresenteerd

De consumentendatabank
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn de uitgangspunten geformuleerd voor de consumentendatabank. Zo moet deze zich kenmerken door:
– Laagdrempeligheid. Noodzakelijk hiervoor is aansluiten bij nieuwe ontwikkelingen, een web-interface ontwikkelen (voor ALBA is deze indertijd met veel succes ontwikkeld; kleinere bedrijven gebruiken deze soms als externe database), de mogelijkheid om gegevens aan te leveren via een Excel-file en XML-dataverkeer mogelijk maken (GS1 werkt hier al mee).
– Eenvoudige validering. Ingewikkelde toestemmingsprocedures zijn uit den boze.
– Actualiteit. Bedoeling is dat een producent op de dag zelf (of met een vertraging van een dag) gegevens kan updaten zodat de consument de meest actuele productinformatie heeft.
– Het gebruik van beschikbare informatie. Voor wat betreft de publicatie van de gegevens wordt aangesloten op bestaande wet- en regelgeving voor etikettering. Bedrijven kunnen daarnaast vrijwillig verzamelde informatie toevoegen. Overigens biedt de databank wel de mogelijkheid om andere aanvullende informatie te vermelden.
– Het eigendom van de data, dat in handen van de producent blijft. In het kader van bijvoorbeeld productaansprakelijkheid kan dat ook niet anders.

VWS gaf het Voedingscentrum halverwege 2007 opdracht de consumentendatabank gefaseerd te realiseren. Begin dit jaar worden de gegevens uit ALBA overgezet en wordt uitgewerkt hoe andere gegevens, zoals de voedingsstoffensamenstelling en andere kenmerken, worden geïntegreerd. Ook wordt de begeleidingsstructuur vastgesteld.

Positionering
Daarna volgt – in de tweede helft van 2008 – de volgende, belangrijke fase: hoe wordt deze consumentendatabank, de ‘nationale levensmiddelendatabank’, gepositioneerd? Tenslotte is deze niet alleen bedoeld voor het verzamelen van gegevens door instituten en bedrijfsleven, maar gaat het vooral om het uitwisselen en verspreiden van actuele, consumentgerichte productinformatie zodat de consument zelfstandig een gezonde, veilige en bewuste voedselkeuze kan maken.
De beoogde opzet is dat de levensmiddelendatabank de consument naast ‘kale’ data – in potentie alle ‘etiket’-informatie of meer – verschillende koppelingen gaat bieden naar achtergrondinformatie over bijvoorbeeld allergenen (zoals de ernst ervan, de reactiesnelheid en verschijnselen), e-nummers en logo’s en keurmerken.

Om dit aanbod mogelijk te maken, beschikt de databank over eigentijdse opties die onder andere gericht zijn op actualiteit (thuis via internet op één locatie zelfstandig te raadplegen), en gebruiksvriendelijkheid (de consument kan bijvoorbeeld een boodschappenlijstje samenstellen).

Het bedrijfsleven
De nationale levensmiddelendatabank heeft veel voordelen voor het bedrijfsleven in vergelijking met bestaande databanken, zoals de modernisering van gegevensverzameling, -beheer en -verspreiding, de gewenste één-loket-functie, actualiteit (online zijn recepturen continu te wijzigen of nieuwe producten te lanceren), directe betrokkenheid (een eigen plek voor de producent) en transparantie in de keten (wens van de samenleving).

Daarnaast kan de databank de consument informeren over logo’s en keurmerken (zodat een producent zich daarmee kan onderscheiden). Ook het vereenvoudigen van het etiket komt met de nieuwe databank wellicht dichterbij. Die infrastructuur wordt namelijk gezien als een voorwaarde en kan een drukmiddel vormen om tot een eenvoudiger etiket te komen.

Succes
De nationale databank is een belangrijke stap om productinformatie inzichtelijker te maken. Belangrijk aandachtspunt op dit moment is de mate waarin bedrijven bereid zijn de gegevens actueel te houden. Het maken van goede afspraken hierover met het bedrijfsleven is essentieel voor het succes.

Reageer op dit artikel