artikel

Normering contaminatie dijt almaar uit

Algemeen

Sinds de eerste verordening, in 1997, voor maximumgehalten aan verontreinigingen in voedsel, is deze normering alleen maar uitgebreid. En omdat we steeds meer weten over stoffen en hun (schadelijke) effecten is het einde aan de regelgeving nog lang niet in zicht.

Sinds de eerste verordening, in 1997, voor maximumgehalten aan verontreinigingen in voedsel, is deze normering alleen maar uitgebreid. En omdat we steeds meer weten over stoffen en hun (schadelijke) effecten is het einde aan de regelgeving nog lang niet in zicht.

Communautaire procedures voor wetgeving over verontreinigingen in levensmiddelen bestaan sinds 1993 (Verordening Nr. 315/1993). Maar de regelgeving was nog erg versnipperd: normen werden vooral nationaal vastgesteld of verspreid in (productgerelateerde) wetgeving opgenomen. Pas in 1997 werd een eerste verordening (Verordening Nr. 194/1997) met maximumgehalten gepubliceerd met als doel alle normen in één overzichtelijke verordening te verenigen. Nitraat had de primeur in deze nieuwe verordening. De vaststelling van de maximumnorm voor deze stof in bepaalde bladgroenten deed nationaal en internationaal de gemoederen flink oplopen. Toch bracht het debat nuttig inzicht in normstelling door overheden. Op het scherpst van de snede werden toxicologische, economische, sociaal-maatschappelijke en voedingskundige argumenten uitgewisseld.

Other legitimate factors
Bij deze discussies namen de ‘other legitimate factors’ (zoals in Codex Alimentarius vastgelegd) uiteindelijk sterk in belang toe. Met deze zogenaamde OLF’s worden al die argumenten bedoeld die niet direct te maken hebben met het primaire doel van de normstelling, namelijk de bescherming van de volksgezondheid.
Met het vastleggen van de Europese nitraatnormen werd ook de mogelijkheid geïntroduceerd tot afwijken (!) ervan, de zogenaamde derogatie. Landen die door specifieke omstandigheden aantoonbaar moeilijk aan de normen konden voldoen, mochten groenten met te veel nitraat voor de eigen nationale markt bestemmen. Zo ook Nederland, waar om klimatologische redenen (onder andere weinig licht) een hoger gehalte is toegestaan in bepaalde bladgroente van de koude grond.

Mycotoxinen
Onmiddellijk na nitraat volgden de mycotoxinen, met name aflatoxinen. Het zwaartepunt van de discussie over normstelling ervan lag op de analyse en bemonstering. Maar ook over de selectie van relevante producten voor normering in relatie tot de verwachte blootstelling werd flink gedebatteerd.
Mycotoxinen komen meestal als een puntbesmetting voor. Vandaar dat bij bulkgoederen als granen en pinda’s een op statistische gronden gebaseerde bemonstering vereist is om met enige zekerheid iets over de werkelijke verontreiniging te kunnen zeggen. Hier kwamen destijds het gedegen voorwerk van de FAO aan aflatoxinen in pinda’s (met onder andere RIVM en TNO) en de ruime ervaring van de Keuringsdienst van Waren (met name de Dienst Rotterdam) goed van pas om snel tot normstelling te komen.

Andere regels
Sinds 1997 is het aantal vastgestelde maximumgehalten voor verontreinigingen in levensmiddelen sterk toegenomen. Daarom werd de verordening herschreven, eerst in 2001 (Verordening Nr. 466/2001) en opnieuw in 2006 (Verordening Nr. 1881/2006). Deze laatste bevat een tabel van acht pagina’s met normen voor onder andere nitraat, diverse mycotoxinen, metalen, dioxinen, pcb’s, en PAK’s. De verordening legt verder in strikte(re) bewoordingen regels vast over onder andere gevoelige groepen, een verbod op het mengen van partijen om aan de norm te voldoen (verdunnen), decontaminatie en bepaalde producten en productiewijzen. Daarnaast is intussen een reeks richtlijnen (en guidance documenten) over bemonstering en analyse gepubliceerd. (zie http://ec.europa.eu/food/index_nl.htm).

Grenzen aan normering
Wanneer zal de grens aan de normering in zicht komen? Een verdere uitbouw van de lijst met normen ligt voor de hand, gezien de zich steeds verder ontwikkelende analyseapparatuur en de toenemende kennis over individuele stoffen en hun effecten op de mens en het milieu. En met het veranderende beleid van de VWA met betrekking tot zelfregulatie en toezicht op controle komt niet alleen de verantwoordelijkheid bij het bedrijfsleven te liggen. Ook de druk om de normen te kennen zal toenemen, evenals de (kostbare) inspanningen om, via complexe monitoringprogramma’s, aan die normen te voldoen.

Reageer op dit artikel