artikel

Philip den Ouden, directeur FNLI

Algemeen

Drie jaar geleden interviewde VMT directeur Philip den Ouden en de zojuist benoemde bestuursvoorzitter Peter Bennemeer van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie. Tijd om opnieuw naar Rijswijk te reizen en met Den Ouden om tafel te gaan zitten. Hoe kijkt hij terug en belangrijker, wat zijn de plannen voor de nabije toekomst?

Op 31 augustus 2004 werd formeel koepelorganisatie Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie opgericht. Een samengaan van twee belangenbehartigende organisaties: de VAI (voedingsmiddelenindustrie) en SMA (retail). Philip den Ouden, destijds hoofd Communicatie & Public Affairs Europa bij Ahold, werd aangesteld als directeur. Onder zijn leiding heeft hij beide bloedgroepen letterlijk en figuurlijk verenigd in de Winston Churchill Tower in Rijswijk.

Hoe blikt u terug op de afgelopen drie jaar?
“We zijn redelijk tevreden. We waren toch een nieuw clubje dat zich moest bewijzen. We zijn er in geslaagd om dit platform een eigen gezicht te geven, voor stabiliteit te zorgen en de industrie het vertrouwen te geven dat we ook met één stem kunnen spreken. Dat merken we ook als er issues zijn. Bedrijven en branches vragen ons bij horizontale onderwerpen als woordvoerder op te treden. Dat alles is heel bemoedigend. Ook het maatschappelijke veld en de meeste ministeries weten ons te vinden. Als ik vertel dat we ’s lands grootste industrie zijn, kijken nog te vaak iets te veel mensen appelig. Binnen VNO/NCW, waar we voorheen met alle branches zaten, kunnen we ons meten met sectoren als bouw en metaal.”

De FNLI praat inmiddels voor de volledige industrie?
“Ja. De aardappelverwerkende industrie en kokswaren zijn toegetreden. Een grote sector die ontbreekt is vlees. Een aantal individuele vleesverwerkers zoals Zwanenberg en Stegeman zijn wel lid, maar een groot concern als Vion nog niet.

We hebben het draagvlak verder gesymboliseerd. Iedere aangesloten branchevereniging heeft nu de mogelijkheid een bestuurslid voor te dragen. Dit moet wel een CEO zijn; men moet gevoelig zijn voor druk en resultaat. Samen met de gewijzigde contributiestructuur kunnen we nu zeggen dat de structuur van het FNLI-huis af is.”

In welke mate dragen de leden bij?
“Er wordt betaald op basis van een vast promillage van de in Nederland behaalde omzet; het is zelfs nog minder dan een promille. Onze begroting van € 1,2 miljoen is aanzienlijk kleiner dan de gezamenlijke begroting van de voorlopers SMA en VAI. Gelukkig zit daar nu en beetje groei in”

Kunt u met dit geld de belangen op Europees niveau beter behartigen, denk aan de zorgen die uw medewerker Jan Droogh in VMT 16/17 bij zijn afscheid daarover uitte.
“Die verbetering zullen we zoveel mogelijk uit de huidige bezetting moeten halen. Het is ook een beetje met prioriteiten schuiven. Drie mensen van onze staf zijn nu actief betrokken bij voor ons relevante CIAA-commissies de Environmental committee, de Diet Task Force,de werkgroepen rond claims en voedingsprofielen en de Food and Consumer Policy committee. Nederland moet als zesde land in Europa ook daar goed vertegenwoordigd zijn. Verder proberen we door een betere samenwerking tussen brancheorganisaties efficiënter te werken. Zo zullen op dit adres per 1 januari 13 brancheorganisatie gevestigd zijn.”

Hoe luiden de speerpunten van de FNLI?
“Voor 2007 tot en met 2010 zijn de vier hoofdthema’s Voeding en Gezondheid, Duurzaamheid, Concurrentiepositie en Efficiency in de keten. Voeding en Gezondheid staat natuurlijk heel hoog in het vaandel. Overgewicht zal op de agenda blijven staan, evenals de invloed van ingrediënten uit de voeding op het menselijk lichaam. De grote thema’s daarbij zijn productvernieuwing, productsamenstelling van voedingsmiddelen en de informatieverstrekking richting de consument. Dit is core business van de industrie.”

De FNLI is tegen de vettax. Waarom niet samen opgetrokken met het CBL dat lagere prijzen bepleit voor gezonde producten?
“Wij zijn geen voorstander van wat voor vorm van fiscaliseren dan ook. Vooralsnog moet de overheid de markt zijn werk laten doen. We hebben wel met het CBL gesproken, maar wilden ook met een tijdelijk karakter van een dergelijke maatregel, waar de retailers wel iets inzagen, niet instemmen.”

Hoe is de Dagelijkse Voedingsrichtlijn door uw leden ontvangen?
“Vanuit een hoop kringen hebben we positieve ‘feed back’ ontvangen. Dat de Dagelijkse Voedingsrichtlijn nuttige, extra informatie voor de consument geeft. Mogelijk dat je daarmee een deel van de bestaande info op het etiket zou kunnen vervangen.”

De term Voedingsrichtlijn is misleidend.
“We zijn het met de Consumentenbond eens dat deze term nadere uitleg behoeft. Naarmate de voedingsrichtlijn op meer producten staat, en in 2008 zal dat aantal redelijk snel stijgen, zullen we de consument uitleggen dat we hier praten over de maximale inname en niet de aanbevolen inname.

Tussen de enkele fabrikanten die de Voedingsrichtlijn al gebruiken, zoals Kellogs, Coca Cola en Van Delft, zie je grote verschillen.
“Het GDA-systeem is gestandaardiseerd. Als een fabrikant andere ingrediënten vermeldt, dan moeten we daar nog eens goed naar kijken. Onze inzet is harmonisatie voor industrie en consument.”

Morgen komt de Task Force Zoutreductie bijeen. Gaat de industrie de door VWS en Consumentenbond gewenste 40% reductie in 2011 halen?
“Ik kan daar nog niets over zeggen. Van een aantal branches hebben we nog niet alle gegevens gekregen. Morgen zullen we een eerste idee krijgen van wat haalbaar is en welke obstakels er moeten worden genomen om een en ander te bereiken. Belangrijk is dat de industrie zelf met cijfers komt. Gun hen die tijd om te inventariseren wat maximaal mogelijk is. Uiteindelijk willen we alle aanbieders van voedingsmiddelen hierbij betrekken, zoals retail, horeca en cateraars.” [red. Update] “Er komt een overall target voor de industrie opgebouwd uit sectorspecifieke doelen. Het is nog te vroeg om getallen te noemen.”

Unilever heeft bekend gemaakt drie fabrieken te sluiten. Kan Nederland de buitenlandse concurrentie nog wel aan?
“Het aantal productielocaties in Nederland is de afgelopen decennia behoorlijk teruggelopen. We hebben ten aanzien van de kosten en productiviteit blijkbaar toch een achterstand opgelopen.”

Wat moet er naar uw idee gebeuren?
“De overheid zou het innovatief vermogen van de industrie verder moeten stimuleren. Ook moeten we via VNO/NCW de vestigingsvoorwaarden nog eens goed onder de loep nemen. Als FNLI gaat onze aandacht het meest uit naar de kwaliteit van de werknemers. In het kader van de ‘Human Capital Road Map’ zetten we drie speerpunten neer.

Ten eerste: imagoverbetering van de voedingsmiddelenindustrie bij jongeren. ‘Food and nutrition’ blijkt een even suffe term te zijn als levensmiddelentechnologie. Terwijl als het beeld wordt uitgelegd en wordt overgebracht er buitengewoon veel interesse bestaat voor wat we echt doen binnen de fabrieken.

Tweede speerpunt is de industrie aantrekkelijk houden voor mensen. We lopen straks tegen enorme tekorten aan: procesoperators die er niet meer zijn. Zijn de arbeidsvoorwaarden concurrerend met andere industrieën, is er voldoende carrièreperspectief? Derde speerpunt is de aansluiting van onderwijs en industrie. We vragen ons wel eens af of het onderwijs echt output gericht is in de zin van output voor dat deel van de markt waar echt vraag bestaat.”

Enkele dagen geleden vroeg de FNLI via een persbericht opnieuw aandacht voor de stijgende grondstofprijzen.
“Dit, samen met alle plannen van het kabinet, zal zorgen voor koopkrachtverlies bij de consument. Voor de voedingsmiddelenindustrie, die het vooral moet hebben van de consument, is dat erg slecht nieuws. Nergens heb ik in de Miljoenennota ook maar enige aandacht gevonden voor dit probleem. In dat kader lijkt de overheid zich onvoldoende bewust van de gevolgen van de nieuwe verpakkingsbelasting. Voor onze branche komt deze neer op een lastenverzwaring van een half tot een vol procent. Een erg forse ingreep!

Het verpakkingsdossier hopen we dit jaar af te ronden. De komende vijf jaar weten onze leden waar ze aan toe zijn. Het gescheiden inzamelen van kunststof verpakkingen is een goede zaak, gezien de toenemende druk vanuit de maatschappij. Het is toch de snelst groeiende verpakkingssoort. We moeten van omgerekend circa dertig procent voor de huidige drie aparte inzamelsystemen naar achtendertig procent.

Een forse verhoging. Als we goede inzamelsystemen ontwikkelen, kunnen we dit verpakkingsmateriaal blijven gebruiken. Op de langere termijn blijft nascheiding nog steeds de beste en goedkoopste oplossing met een veel hoger rendement dan nu het geval is. Maar goed blijkbaar moeten we eerst deze tussenstap nemen. Interessant is dat het in Duitsland, dat al jaren een gescheiden systeem heeft, notabene de Groenen zijn die nascheiding beginnen te propageren”.

U noemde duurzaamheid als een van de speerpunten.
“We zijn nu onderdeel van het Convenant marktontwikkeling biologisch landbouw. Wat ons betreft zou dat moeten worden verbreed naar een Convenant Duurzaam. Maar wat is dan duurzaam? Wat voor parameters zou je daarvoor moeten gebruiken? Dergelijke vragen liggen voor. We weten dat zaken spelen als CO2-uitstoot, transportkosten van voeding, alternatieve energiebronnen, energieverbruik et cetera.

De minister doet bovenop de meerjarenafspraken een heel heftig beroep op de industrie om nog meer energie te besparen. Daar zijn we wel naar aan het kijken, al kun je uiteindelijk een spons maar één keer goed uitknijpen. Al die zaken liggen echter wel op tafel. Dan heb ik het nog niet over fair trade, kinderarbeid, stijgende prijzen. Het is eigenlijk een pallet van uiteenlopende issues. Niet voor niets hebben we duurzaamheid hoger op de agenda gezet.”

Heeft de FNLI daarbinnen prioriteiten bepaald?
“Nog niet. Dat hangt sterk af van wat we onder duurzaamheid verstaan en wat de leden belangrijk vinden. Dat zal gaande weg dit jaar verder worden ingevuld.”

Wat valt er onder het hoofdthema Efficiency in de keten?
“Zo min mogelijk kosten maken, dat er goed wordt samengewerkt met ketenpartners, dat we oog houden voor de verschillende krachten en machten die in de keten spelen. Denk aan fuststandaardisatie, datasynchronisatie, RFID, versfust, verslogistiek en ga zo maar door.”

De industrie ligt dus van diverse kanten behoorlijk onder druk. Zou zij zich niet veel beter moeten verkopen?
“We hebben goede verhalen te vertellen over wat er allemaal gebeurt in de industrie. Ook in het kader van imago en personeelswerving is dat belangrijk. Het afgelopen jaar hebben we ons regelmatig afgevraagd welke informatie we op welk moment naar buiten moesten brengen. Dat is ook een kwestie van ervaring opdoen. We zijn van plan om jaarlijks het beste A-merk te kiezen en op termijn de fabrikant van het jaar. We zijn ons aan het beraden over de criteria die aan een dergelijke prijs moeten worden verbonden. Ook daarmee zetten we ons op de kaart.

Een interessant fenomeen bij dit alles is dat er maar weinig cijfers zijn waarmee de industrie zich kan kwantificeren. Wij zijn in feite een grote black box. Samen met anderen zijn we aan het zoeken of we daar niet meer gegevens over kunnen achterhalen. Als we het hebben over onze concurrentiepositie, dan is er grote behoefte aan cijfers waarmee we ons verhaal stevig kunnen onderbouwen en versterken. Ik zeg wel eens dat de omvang van onze branche het best bewaarde geheim is van industrieel Nederland.”

Wilt u tot slot nog iets aankaarten?
“Je ziet dat we de afgelopen en komende jaren behoorlijk breed een groot aantal zaken beetpakken. We zijn er in geslaagd om de grote horizontale issues echt op een platform te parkeren waarin de hele industrie kan participeren. Kijkend naar wat we de afgelopen anderhalf uur de revue hebben laten passeren, denk ik dat het heel goed is gegaan.”

Reageer op dit artikel