artikel

‘May contain’ is geen disclaimer en moet bron van informatie blijven

Algemeen

De allergene consument kan niet op de aan- of afwezigheid van de waarschuwing ‘may contain’ aan. Fabrikanten en retailers beschouwen deze informatie dan ook ten onrechte als een disclaimer. De oplossing ligt in de gehele productieketen. Veel stakeholders willen drempelwaarden. VWS lijkt daaraan gehoor te geven.

‘Ministerie van VWS, geef ons drempelwaarden voor allergenen.’ Deze wens maakten de circa 80 deelnemers nadrukkelijk kenbaar tijdens de VMT-praktijkdag over kruisbesmettingen en allergenen op 30 oktober in Ede. Zowel vanuit de zaal als door het panel met vertegenwoordigers van patiënten, wetenschap, Voedingscentrum en VWA werd daarop diverse keren aangedrongen.

Daarmee gaven de aanwezigen een niet mis te verstaan signaal richting Den Haag. Binnen Europa is het vaststellen van drempelwaarden niet haalbaar. Nederland kent slechts enkele bondgenoten die dat ook willen. De oplossing voor Nederland zal dan ook zijn dat VWS samen met betrokken stakeholders om tafel gaat zitten en op basis van vrijwilligheid tot afspraken komt.

Halsreikend wordt in dit opzicht uitgekeken naar de Voedingsnota die VWS dit jaar zal uitbrengen. Navraag bij VWS leert dat deze nota in december met de sector in ROW-verband zal worden besproken en voorjaar 2008 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Naar verluidt zal de nota ook aandacht schenken aan allergenen en het instellen van drempelwaarden.

Concentraties
De Australische overheid heeft deze zomer als eerste een systeem voor drempelwaarden gelanceerd en op basis daarvan een beslissysteem voor de vermelding ‘may contain’ ontwikkeld “De waarden zijn reëel en lijken haalbaar”, zegt Frans Timmermans van het patiëntenplatform Nederlands Anafylaxis Netwerk (NAN) in Dordrecht. “In Nederland heeft de FNLI ook iets dergelijks ontwikkeld, maar die wil het niet in de publiciteit brengen.”

Het Australische systeem (zie VITAL op www.allergenbureau.net) gaat uit van concentraties. De panelleden toonden zich voorstander van een soortgelijk systeem in de EU, ook al doet dit niet helemaal recht aan de gevaren/risico’s die de allergische consument loopt. Aspecten als de kans op een besmetting, de verdeling van een besmetting en de kans dat de besmetting boven de drempelwaarde uitkomt, worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Een dergelijk gecompliceerde opzet vonden de panelleden veel te ver gaan. Zij vreesden voor eindeloze discussies en een moeilijk uitvoerbaar systeem voor kleine (ambachtelijke) bedrijven en drongen daarom aan op een zo simpel mogelijk systeem.

“De Nederlandse variant zou kunnen inhouden dat er één nog nader vast te stellen en te valideren grenswaarde komt waarbeneden geen ‘may contain’ gebruikt moet worden; daarboven wel”, meent Timmermans. De tweede grenswaarde die in het Australische model gebruikt wordt met de indicatie om het allergeen als ingrediënt te declareren, acht hij in Europa niet haalbaar. “Deze grenswaarde zou eventueel wel als ‘trigger’ voor een recall kunnen worden gebruikt.”

Dagvoorzitter Houben hoopte dat de Voedingsnota van VWS een mooi vertrekpunt zal zijn om met alle stakeholders om tafel te gaan zitten. In een vervolgoverleg over het eerder dit jaar verschenen rapport Voedselallergie van de Gezondheidsraad drongen stakeholders er al op aan dat VWS de regie zou nemen bij het bepalen van aanvaardbare risico’s om van daaruit verder te discussiëren over de haalbaarheid en het terugrekenen naar drempelwaarden.

Onbetrouwbare etiketten
TNO toonde cijfers over zeven merken pure chocolade met daarin sporen van caseïne (variërend van 2 tot 3015mg/kg). “Fabrikanten waren niet van de aanwezigheid van dit allergeen in hun product op de hoogte, laat staan van de soms grote hoeveelheden die wij vonden”, aldus dagvoorzitter Geert Houben van TNO. “Inmiddels zijn zij druk doende hun productieprocessen en bedrijfsvoering te screenen.”

Programmamanager Yvonne Huigen vertelde dat de VWA vergelijkbare ervaringen heeft. Van de 64 onderzochte producten zonder allergeenvermelding op het etiket bevatte de helft sporen van caseïne, terwijl in 25% sporen van pinda werden aangetroffen. De VWA had ook producten onderzocht met daarop wel de waarschuwing ‘may contain’. Bij 90% van deze producten werden daadwerkelijk sporen van caseïne aangetroffen en bij 20% sporen van pinda.

Ook Frans Timmermans had de ervaring dat ‘zijn’ leden niet van etiketten op aan konden en verwees daarbij naar een recente publicatie van Hefle e.a. in het julinummer van de Journal of allergy and clinical immunology. Deze onderzoekers troffen in slechts 10% van de producten met daarop de ‘may contain’-waarschuwing ook daadwerkelijk sporen van het vermelde allergeen aan.

May contain
Fabrikanten en retailers gebruiken de vermelding ‘may contain’ niet in lijn met de daadwerkelijke risico’s, daarover was het panel het dan ook roerend eens. Timmermans illustreerde welke gevolgen dit heeft voor allergische consumenten. Een onderzoek van zijn organisatie in winkels van Plus en Albert Heijn leerde dat deze hun huismerken, in tegenstelling tot A-merken en kleine merken, standaard voorzien van deze waarschuwing. “De vermelding is niet terug te voeren op productieomstandigheden of risico-inschatting van de fabrikant”, stelde Timmermans. “Patiënten hebben daardoor een zeer beperkte keuzevrijheid. Doordat ‘may contain’ op bijna alle broodproducten staat, gaan mensen extra risico’s nemen door deze waarschuwingen te negeren. Ze moeten toch brood eten.”

Ook dermatoloog Knulst gaf aan met al deze waarschuwingen noodgedwongen zeer praktisch om te gaan. “Zeer gevoelige patiënten adviseren wij een strikt dieet. Patiënten met een milde allergie adviseren we producten met deze waarschuwingen met de nodige voorzichtigheid te gebruiken. Vaak zijn het producten die zij al jarenlang zonder problemen consumeren.”

Geen disclaimer
De waarde van de waarschuwing ‘may contain’ op de verpakking is door al deze ontwikkelingen behoorlijk uitgehold. De consument kan daardoor zijn eigen verantwoordelijkheid steeds minder goed invullen. Daarmee neemt de verantwoordelijkheid van de bedrijven, die deze verwarring veroorzaken en die de producten uiteindelijk op de markt brengen, automatisch toe, waarschuwde advocaat Annelies Freriks. Voor wat betreft de 14 bij wet geregelde allergenen heeft de consument recht op allergeneninformatie indien de stof als ingrediënt wordt gebruikt.

Bij andere allergene stoffen is dat niet zonder meer het geval. Toenemende kennis over de ernst van het gevaar en het risico dat dit gevaar de consument treft, kunnen ertoe leiden dat de risico’s ook hier richting de producent gaan. Daarbij geldt wel dat de consument moet aantonen dat zijn schade een gevolg is van verwijtbaar gedrag van de fabrikant.

“Het is dus van groot belang”, aldus Freriks, “dat fabrikanten in brancheverband, het liefst internationaal, afspraken maken over hoe zij ‘may contain’ gebruiken. Als de rechter moet beoordelen of u nalatig bent geweest, weegt hij nadrukkelijk mee hoeveel moeite u heeft gedaan om het ontstane incident te voorkomen. Denk aan het maken van afspraken met toeleveranciers. Waarom neemt u hun ‘may contain’-vermelding klakkeloos over? Denk ook aan uw interne processen en het informeren van de consument over welk risico hij loopt.”

Volgens Freriks is geen rechter uit te leggen waarom ‘may contain’ zo in de belangstelling staat. Tenminste niet als de waarschuwing wordt gezien als relevante informatie voor de consument in plaats van disclaimer voor de fabrikant. Of zoals Timmermans het treffend typeerde: “U gaat toch ook niet op uw product zetten dat het mogelijk glasdeeltjes of restanten schoonmaakmiddel bevat?”

Informatie consument
“Het gaat er niet alleen om wat er op het etiket staat, maar ook waarom het erop staat”, benadrukte Timmermans. “Consumenten met een allergie verwachten geen nulrisico, wel informatie over hoe een fabrikant ertoe komt om een waarschuwing op zijn verpakking te zetten. Aan de hand daarvan kunnen patiënten zelf afwegen of een voedingsmiddel voor hen wel of geen risico vormt.” Daarmee reikte hij de industrie ook een oplossing aan voor het omgaan met producten met bijvoorbeeld een lage concentratie pinda. Tijdens de nabespreking van de door Niels Lucas Luijckx verzorgde workshop bleek al dat zodra er mogelijke sporen van pinda’s aanwezig zijn, iedereen ‘may contain’ op de verpakking zet.

Advocaat Freriks wees op nog een gevaar, namelijk de opkomst van de ‘Free from’-claims. “Indien u uw processen niet goed op orde heeft, zullen uw afnemers mogelijk een garantie voor de afwezigheid van allergenen van u eisen. Of u daar blij mee moet zijn? Ik denk van niet. Dit is namelijk juridisch gezien al snel te interpreteren als een garantie.”

Probleem van veel fabrikanten is de beperkte ruimte op het etiket. Boudewijn Breedveld, hoofd kennis bij het Voedingscentrum vertelde dat zijn organisatie hard werkt aan het uitbouwen van de van TNO-overgenomen ALBA-database tot een algemene levensmiddelendatabank waarin behalve ALBA en de NEVO-tabellen ook informatie over logo’s en keurmerken en bepaalde EAN-gegevens zullen worden ondergebracht. De opzet is dat deze laagdrempelig door consumenten via internet zal kunnen worden geraadpleegd. Zowel fabrikanten als consumenten treffen dan op één plaats de meest actuele informatie over producten aan. Eind volgend jaar moet de levensmiddelendatabank operationeel zijn.

Reageer op dit artikel