artikel

Wat kost decontaminatie in de rundvleesketen?

Algemeen

‘Hamburger disease’ heet het in de VS. Dat zegt al waar veroorzaker Escherichia coli O157:H7 vandaan komt. Maar naar de verspreiding in de rundvleesketen was nog weinig gekeken. Promovendus Bouda Vosough-Ahmadi vergeleek de kosteneffectiviteit van interventies op Nederlandse melkveebedrijven en decontaminatiemethoden in de grotere slachthuizen. Decontaminatie in het slachthuis is goedkoper maar vraagt om ketenverantwoordelijkheid.

In de twee jaar dat Iraniër Bouda Vosough-Amhadi in zijn land werkte als dierenarts zag hij hoe besmettelijke ziekten bij dieren grote economische schade kunnen aanrichten. In Wageningen vond hij wat hij zocht: een cursus die diergezondheid en economie combineerde. Het leidde uiteindelijk tot zijn promotieonderzoek bij de Business Economics Group. Amhadi: “Het aantal incidenten met E. coli O157:H7 is laag in Nederland maar het risico is altijd aanwezig. Dat was voor ons genoeg reden om te kijken wat de keten kan doen om de prevalentie van deze bacterie terug te dringen.”
In 2005 was er in Nederland voor het laatst een uitbraak met O157:H7. Bij 21 mensen werd de bacterie aangetroffen na het eten van tartaar. Er waren geen ernstige gevallen. Gewoonlijk blijven de symptomen bij volwassenen beperkt tot diarree, soms met bloed erin. Maar bij ouderen zijn sterftecijfers tot 30% gerapporteerd doordat er complicaties kunnen ontstaan rond de nierfunctie met koorts en neurologische symptomen (trombotic thrombocytopenic purpura). En bij kinderen onder de vijf leidt de bacterie in ongeveer 15% van de gevallen tot permanente nierschade (hemolytic-uremic syndrome).

In evenwicht
De bacterie komt voor in de feces van verschillende dieren en kan via besmet water, dieren en producten worden overgebracht. In de VS, Groot Brittannië en Japan waar grote uitbraken zijn geweest kon de besmetting in veel gevallen worden herleid tot slecht doorbakken rundvlees en tartaar. In Nederland, zo blijkt uit eerder onderzoek, is 1,1% van de rundergehakt producten en 0,3% van de tartaarschijven besmet met O157:H7. De meeste incidenties blijven ongemeld maar epidemiologen schatten het aantal ziektegevallen jaarlijks op 1.900 wat in 22 gevallen leidt tot nierschade.
Amhadi noemt het aantal infecties in Nederland met deze bacterie ‘quite balanced’. Amhadi: “De sector heeft geen probleem dus waarom zou men extra investeren in voedselveiligheid? Maar in proefmonsters van vleeswaren in de retail is de bacterie wel gerapporteerd dus het risico op een uitbraak blijft aanwezig.” E.coli is een darmbacterie dus de bron van de besmetting is het verteringskanaal van de koe. En via de mest kan de bacterie ook in de vacht terechtkomen. Amhadi: “Over de preventie van deze ziekteverwekker in de darmen zijn veel gegevens beschikbaar maar data over de aanwezigheid van de bacterie op de vacht zijn schaars.”

Evaluatie
Amhadi ontwikkelde modellen om de effectiviteit van verschillende decontaminatiemaatregelen, en combinaties daarvan, te kunnen evalueren. Hij koppelde deze decontaminatiemodellen aan een kostenmodel. Het totale model berekent de kosten van een maatregel op het melkveebedrijf en in het slachthuis per kwartkarkas (het eindproduct van deze twee schakels in de keten).
In het model voor de melkveehouderij worden vier maatregelen met elkaar vergeleken: het effect van vaccinatie, probiotica (colicine), dieetaanpassing en aanvullende hygiënemaatregelen (vaker vers strooisel in de boxen en vers water). Uit het model blijkt dat vaccinatie en probiotica het meest effectief zijn voor het terugdringen van de besmettingsgraad met een prijs van € 1,75 respectievelijk € 2,25 per kwartkarkas. Deze beide methoden worden in Nederland nog niet toegepast. Wel loopt op dit moment in de VS een studie hiernaar bij zogenaamde feeding lots (mesterijen).

Slachthuizen
Voor industriële slachthuizen evalueerde Ahmadi zeven mogelijke maatregelen: wassen met heet water, spoelen met melkzuur, trimmen, stoomvacuüm, stoompasteurisatie, het wassen van de vacht met ethanol, en gammadoorstraling. Trimmen en stoompasteurisatie zijn met € 0,22, respectievelijk € 0,65 per kwartkarkas het meest kostenefficiënt. Maar dat is nog altijd zo’n 16 tot 40% van de winst per kwartkarkas in het slachthuis. Het aantal besmette kwartkarkassen neemt dan af van een geschatte 9% naar 2%. Van deze maatregelen wordt nu alleen het trimmen toegepast. Zichtbare verontreinigingen worden hierbij weggesneden. Amhadi: “Een van mijn aanbevelingen is dit niet alleen te doen na het onthuiden maar ook na het verwijderen van de ingewanden.”
Ahmadi betrok ook maatregelen in zijn model die op dit moment wettelijk niet zijn toegestaan. Spoelen met melkzuur is bijvoorbeeld verboden in de EU maar wel toegestaan in de VS. En doorstraling van roodvlees is verboden maar voor kip die bijvoorbeeld bestemd is voor ziekenhuizen is bestraling weer wel toegestaan. Amhadi: “Ik heb alle maatregelen meegenomen in mijn model om een open besluitvorming mogelijk te maken. Soms moet je ook zaken heroverwegen. Het gebruik van melkzuur bijvoorbeeld. Al ben ik daar niet direct voor omdat je daarmee risico’s op zuurminnende organismen als bijeffect kunt introduceren. Maar stoompasteurisatie is het overwegen waard. Het argument dat je vaak tegen dit soort ‘end of pipe’-decontaminatie hoort, is dat het de sector niet aan zou zetten tot een goede hygiënische praktijk. Maar dat risico vind ik niet groot. Melk pasteuriseren we toch ook en de melkveehouders zijn zich weldegelijk bewust van een goede hygiëne.”

Communicatie
Maar zelfs met de objectieve data uit het model blijft het de vraag wie de maatregelen zou moeten nemen en wie de kosten draagt. Amhadi: “Wanneer je kijkt vanuit de keten wijst iedere schakel naar de voorgaande en dan kom je uit bij de boer. Maar er zijn 20.000 melkveehouders en acht à tien grotere slachthuizen in Nederland. Het is geen goed nieuws voor de slachthuizen maar als er maatregelen nodig zijn is het financieel gezien het beste om het daar te doen. Echter nu wordt op het slachten al nauwelijks winst gedraaid, die zit meer in de handel. Dit vraagt dus om een oplossing op ketenniveau waarbij alle partners hun verantwoordelijkheid nemen. En dan is er een goede communicatie nodig tussen de ketenpartners en de autoriteiten.”

Reageer op dit artikel