artikel

Grenzen aan gevoelig meten?

Algemeen

Ontwikkelingen in de analytiek maken het mogelijk steeds gevoeliger en dus lagere gehaltes te kunnen meten. Er wordt altijd iets gevonden. De normen zijn zodanig dat overschrijdingen ervan meestal geen direct een risico voor de consument vormen. Waarom dan toch doorgaan met het verder ontwikkelen van apparatuur en nog gevoeligere methoden?

Een deel van de onvrede over het wellicht te gevoelig meten komt voort uit de problematiek rond stoffen met een zogenaamde nultolerantie. Het beleid rond voedselveiligheid richt zich in eerste instantie op het voorkomen van residuen van hulpstoffen of additieven die een mogelijk risico vormen voor de consument.

Fabrikanten die een pesticide, diergeneesmiddel of additief op de markt willen zetten, moeten toxicologische gegevens over de stoffen aanleveren. Stoffen die een te groot risico vormen krijgen geen toelating, maar ook het niet aanleveren van de vereiste gegevens betekent dat de stof niet kan worden beoordeeld en dus niet wordt toegelaten.

Bij diergeneesmiddelen belandt de stof dan op Annex III (verboden middelen) en krijgt het een nultolerantie. Als de stof wel wordt toegelaten, worden er residulimieten (MRL) afgesproken die moeten garanderen dat producten van met dit middel behandelde dieren of gewassen veilig kunnen worden geconsumeerd. In praktijk is dit een proces waarvan de uitkomst op basis van nieuwe inzichten en ervaringen kan veranderen.

Grens

Maar moet je voor stoffen met een nultolerantie niet toch ergens een praktische grens leggen, zeker met apparatuur die steeds gevoeliger kan meten? Zo is het in de praktijk niet handig als laboratoria elkaars resultaten niet kunnen bevestigen. Dat geldt niet alleen voor contra-expertises maar ook voor laboratoria in producerende landen, die primair verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het product. In de praktijk blijkt het meestal niet mogelijk om een veilige residulimiet af te leiden, zoals bij toegelaten middelen.

Juist voor veel verboden stoffen heeft het ontbreken van goede data om zo’n limiet af te leiden geleid tot het verbod op de stof. Bovendien gaat het meestal om stoffen met carcinogene eigenschappen die we liever niet in de voeding zien. Zelfs de kleinste hoeveelheid duidt dus op het gebruik van een verboden stof waarvan het grootschalig gebruik niet veilig lijkt.

Eisen EU
Belangrijk is dat de EU eisen heeft gesteld aan de door laboratoria gebruikte meetmethoden. Voor verboden stoffen is een van de eisen dat die methode een bepaalde minimale hoeveelheid moet kunnen aantonen, de zogenaamde minimum required performance level (MRPL). Voor veel stoffen ligt deze grens heel laag, rond de 1 µg/kg en zeker laag genoeg om risico’s voor de consument te kunnen uitsluiten.

Lager mag ook, maar dat kan tot de eerder genoemde problemen tussen laboratoria leiden. Daarom wordt de MRPL voor import uit niet-EU landen ook gehanteerd als een actiegrens. Al met al lijkt het gerechtvaardigd om bij verboden stoffen dus zo laag mogelijk te meten, maar daarbij wel een aantal praktische zaken in de gaten te houden.

Gevoeliger apparatuur
Soms blijken bestaande methoden maar net aan de gestelde eisen of wensen te voldoen en is er zelfs behoefte aan nog gevoeligere apparatuur. Voor dioxines en dioxine-achtige PCBs is op basis van dierstudies een limiet voor blootstelling van de mens berekend die moet garanderen dat bij langdurige inname geen schadelijke effecten optreden. Deze limiet is heel laag, namelijk zo’n 1 ng per persoon per week (som van dioxines en dioxine-achtige PCBs op basis van effect).

Via de huidige gehaltes in voedsel en de consumptiepatronen is berekend dat een deel van de bevolking dicht tegen deze grens aanzit en deels zelfs overschrijdt. Daarom zijn door de EU normen gesteld die op het niveau van tienden van nanogrammen per kg product liggen. Dit stelt zeer hoge eisen aan de gebruikte apparatuur en feitelijk kunnen de meeste laboratoria wereldwijd deze gehaltes maar ternauwernood meten. Verbeteringen in de gevoeligheid van de apparatuur zijn hier zeer gewenst.

Incidenten opsporen
Gebleken is dat gehaltes die licht verhoogd zijn ten opzichte van de normale achtergrond een eerste aanwijzing kunnen zijn voor een veel hogere besmetting elders in de keten. Zo leidde drie jaar geleden een dioxinegehalte in een partij mengmelk, dat licht verhoogd was maar onder de EU-norm, tot de ontdekking van nooit eerder gevonden hoge gehaltes in melk van één bedrijf in Lelystad. In korte tijd kon de bron, het gebruik van besmette klei bij het sorteren van aardappelen, worden opgespoord en geëlimineerd. Gelukkig bleef de besmetting beperkt tot twee boerderijen.

Ook de Braziliaanse citruspulpaffaire in 1998 werd opgespoord door een lichte toename in de dioxinegehaltes in melk. Uiteindelijk werd dit herleid tot hoge gehaltes dioxines in citruspulp. Het meten van dergelijke incidenten vereist echter wel dat je in staat moet zijn om de normale gehaltes goed te kunnen meten.

Dit laatste geldt ook voor het volgen van trends in gehaltes van bepaalde stoffen in de keten. Wanneer nieuwe inzichten in de toxiciteit van stoffen bijvoorbeeld een lagere norm vereisen, is het belangrijk dat er voldoende gegevens zijn over de actuele gehaltes om de mogelijke consequenties hiervan door te rekenen. Helaas is dit meestal niet het geval en kan slechts worden gemeld dat iets onder de detectiegrens ligt die vaak maar iets lager is dan de residulimiet.

Breder
Het beleid ten aanzien van analyses is niet alleen gericht op het zo gevoelig mogelijk kunnen meten. Voor illegaal gebruikte hormonen bijvoorbeeld gelden deels dezelfde regels als voor verboden stoffen maar hierbij speelt ook het feit dat door de EU alle stoffen met een hormonale werking verboden zijn, dus ook stoffen die we nog niet kennen. Dit kan worden ondervangen door het gebruik van zogenaamde bioassays die reageren op alle stoffen met bepaalde hormonale eigenschappen.

Wanneer de test positief is, wordt vervolgonderzoek gestart om de onbekende stof op te sporen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van nieuwe MS-apparatuur (Time of Flight) waarmee de structuur van de stof op basis van een exacte massa snel kan worden vastgesteld. Voordeel van deze strategie is dat ook nieuwe risico’s snel kunnen worden opgespoord en wordt voorkomen dat een groot deel van de voedingsmiddelen besmet raakt met een nog onbekende stof.

Een aantal jaren geleden resulteerde een dergelijke aanpak tot de ontdekking van het illegale gebruik van een onbekende Clenbuterol-achtige stof, Clenbuterol-X. Soortelijke TOF-MS apparatuur wordt ook ingezet voor de ontwikkeling van zogenaamde multimethoden waarmee in één analyse naar een groot aantal verschillende stoffen wordt gekeken.

Alert blijven
Er zijn dus wel degelijk goede argumenten om analytische methoden te blijven verbeteren, zowel qua inzetbaarheid, snelheid, monstercapaciteit maar zeker ook gevoeligheid. Voorbeelden zijn de strenge eisen met betrekking tot stoffen met een nultolerantie, de soms zeer lage residulimieten zoals bij dioxines, het tijdig kunnen opsporen van incidenten op basis van gehaltes die slechts licht verhoogd zijn ten opzichte van de normale achtergrondgehaltes en het volgen van trends.

De voedselveiligheid in Nederland staat op een hoog niveau. In praktijk blijkt het aantal incidenten met schadelijke gevolgen gelukkig klein, maar het is zaak om alert te blijven op nieuwe incidenten en op het gebruik van stoffen waarvan de veiligheid niet is gegarandeerd. Zo zijn er ook in het recente verleden incidenten geweest die pas werden opgemerkt nadat dieren of mensen ziek werden.

Voorbeelden zijn de Belgische dioxinecrisis, de MPA-affaire, diverse incidenten met clenbuterol in Zuid-Europese landen en recent nog het bijmengen van melanine aan producten die in hondenvoer werden verwerkt. Ook het illegaal gebruik van chloormequat op peren leidde eind jaren negentig tot gehaltes die mogelijk tot effecten bij consumenten konden leiden.

Passende maatregelen
En dan is het nog maar de vraag hoe snel een relatie wordt gelegd tussen een stof in een voedingsmiddel en bepaalde ziekteverschijnselen, met andere woorden: wanneer wordt zoiets opgemerkt? Het is van belang dergelijke incidenten liefst voor te zijn of in elk geval tijdig op te sporen, in de eerste plaats door het stellen van normen die bij overschrijding niet direct tot nadelige effecten leiden maar voldoende marge geven om passende maatregelen te nemen.

Daarnaast zijn gevoelige en ‘brede’ methoden om incidenten snel op het spoor te komen van onschatbare waarde.

Reageer op dit artikel