artikel

Jan Droogh, manager Levensmiddelenwetgeving en Voedselveiligheid verlaat de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie

Algemeen

Jan Droogh verlaat na 12 jaar intensief lobby-werk voor de levensmiddelenindustrie de FNLI. Als voorstander van het poldermodel streefde hij altijd naar consensus. Droogh maakt zich zorgen over de belangenbehartiging door bedrijfsleven en hun belangenorganisaties. Vandaar zijn laatste lobby: ‘blijf mensen beschikbaar stellen om de algemene belangen van de industrie te behartigen’.

Hoe behartigde u zelf de belangen van de industrie?
“De standpunten van de FNI worden in de vergadering van de overkoepelende Commissie Levensmiddelenwetgeving en Voedselveiligheid, waar ik vanuit de FNLI altijd verantwoordelijk voor ben geweest, geformuleerd. Voorbereidend werk wordt gedaan door vier expertgroepen: etikettering, contaminanten, additieven en voedselhygiëne. In de CLV bespreken we altijd de agenda’s en documenten van de verschillende groepen in Brussel. Ook de jaarlijkse vergaderingen van de Codex Alimentarius en die van het ROW worden daarin voorbereid.
Bij de VAI was ik destijds ook verantwoordelijk voor de Contactgroep Voeding en Gezondheid. In die hoedanigheid heb ik de aanzet gegeven voor de vorming van de Bestuurscommissie Verantwoord Gewicht.”

Op uw afscheidsreceptie vond u het samengaan van VAI en SMA tot de FNLI een succes. Vanwaar deze ommekeer?
“Binnen diverse geledingen van de VAI was er aanvankelijk de nodige scepsis tegen deze fusie. We moesten wennen aan het idee. Ook blijkt slechts een zeer klein deel van de fusies in het bedrijfsleven echt succesvol. Achteraf gezien waren de problematiek rond overgewicht, maar ook etikettering en claims zo veelomvattend, dat in ieder geval de VAI deze niet zelfstandig had kunnen behandelen. De grote verdienste van de fusie is dat wij als FNLI bij de bedrijven een groot draagvlak hebben; CEO’s van de bedrijven vormen het bestuur. Dat was bij de SMA al het geval, maar bij de VAI niet.”

Heeft u het krappe budget waar VAI en in mindere mate ook de FNLI mee moesten werken nooit als een gebrek aan steun en waardering ervaren?
“We waren bij de VAI natuurlijk onderbemand. Met kunst en vliegwerk hebben we dat aan de gang weten te houden. Wat dat betreft zitten we met de FNLI in een betere situatie.”

Als u de FNLI een cijfer mag geven voor wat zij doet en eigenlijk zou moeten doen, waar komt u dan op uit?
“Voor de FNLI als geheel kan ik dat zeker niet. Voor wat betreft mijzelf, vind ik dat ik te weinig tijd heb voor de veelheid aan onderwerpen. Als je op het gebied van wetgeving en voedselveiligheid de dossiers inhoudelijk goed wilt voorbereiden, dan zou je een inhoudelijk deskundige erbij moeten hebben. Samen zou je dan meer nota’s kunnen maken en diverse onderwerpen kunnen voorbereiden. Dat zou ontzettend handig zijn.
Er gaan van ons te weinig mensen naar de CIAA-vergaderingen. Als ik meer capaciteit zou hebben, zou ik meer expertgroepen van de CIAA bijwonen, en meer inbreng hebben. Gelukkig zijn er nog wel regelmatig vertegenwoordigers van bedrijven en brancheorganisaties aanwezig.”

Welk onderwerp heeft u op de agenda gekregen?
“Overgewicht. In het begin werd de schuld van het overgewicht bij de voedingsmiddelenindustrie gelegd. Professor Groot van de universiteit van Maastricht pleitte zelfs voor het instellen van een vettax. Het gaat echter om de balans tussen voeding en bewegen. Vandaar dat ik toen heb gepleit voor een belasting op roltrappen en liften. Gelukkig is daarna de roep om een vettax snel verstomd.
Ook bij de oprichting van de VWA hebben we een erg duidelijke rol gespeeld. Onder aanvoering van de VAI hebben we toen samen met het CBL en de Consumentenbond een manifest uitgegeven waarin we de overheid opriepen om deze naar onze wensen in te richten. Later zijn we ook nog eens bij minister Veerman geweest. Wat ons niet is gelukt, is de VWA onder verantwoordelijkheid te brengen van VWS. Dat is LNV geworden, waarna er een beetje gekunsteld Voedselkwaliteit in de naamgeving is opgenomen.
Over de huidige opzet van de VWA hoor ik nooit klachten. We hebben ook een goede samenwerking met de VWA en regelmatig overleg over praktische uitvoeringsproblemen. Dat is ook in hun belang omdat er bij ons veel deskundigheid zit.”

Hoe is het met de voedselveiligheid in Nederland gesteld?
“De afgelopen jaren is de regelgeving rond voedselveiligheid met het aannemen van de General Food Law en de Hygiënewetgeving allemaal geregeld. Eigenlijk kan ik niet bedenken wat er nog nodig is. Zodra er iets aan de hand is, wordt dat direct opgepakt en volgens afgesproken procedures be- en afgehandeld.”

Wat is u erg tegengevallen?
“Het schrille contrast tussen de etiketteringsinspanningen bij de industrie en de buitenhuismarkt. Denk aan het vermelden van allergenen op etiketten. Vervolgens ga je naar een restaurant en dan zou zo’n serveerster of ober weten wat voor allergenen er in je eten zitten..?”

Zijn de burger en lobbyist Jan Droogh wel eens met elkaar in conflict gekomen?
Op resolute toon: “Nee.”

Wanneer heeft u zich flink in moeten houden?
“Bij onze lobby voor het gebruik van ggo’s. Die is mislukt. De manier waarop Greenpeace deze in de ban heeft weten te krijgen, onder andere door Duo Penotti, dat vrijwillig een ggo op het etiket vermeldde, keihard aan te pakken, was buitengewoon teleurstellend.
Ik ben toch altijd iemand geweest van het compromis. Ik ben een uitvloeisel van het poldermodel en altijd een groot propagandist geweest van de samenwerking in het ROW. Om daar met Consumentenbond en …. Kijk, dat je het niet met elkaar eens bent, dat kan natuurlijk, maar je moet natuurlijk wel met elkaar proberen in gesprek te blijven. Maar dat is met de Consumentenbond, niet altijd mogelijk gebleken. Ook met de ggo’s hebben we behoorlijk met ze in de clinch gelegen; waren ze niet te overtuigen. Maar met organisaties als Greenpeace en clubjes als Fair Food die weer eisen stellen aan onder andere kinderarbeid, daar kun je… Dat is gewoon onmogelijk.

Tot slot. Hoe luidt uw grootste wens?
“Een nog betere samenwerking tussen bedrijven, brancheorganisaties en FNLI. Dat bedrijven hun deskundigen, ondanks alle bezuinigingen vaker in staat stellen om vergaderingen bij te wonen zodat dossiers goed kunnen worden voorbereid en we richting CIAA en overheden met goede argumenten komen om wetgeving praktisch en uitvoerbaar te laten zijn.
Toen ik net bij de VAI binnen kwam, was het voor bedrijven een eer om in de Deskundigen Commissie Warenwet te zitten; er werd om gestreden. Die tijd is toch zo langzamerhand achter ons. Uit bepaalde branches krijgen we nauwelijks nog feed back. Ook zijn we als FNLI niet altijd in staat om op CIAA-voorstellen te reageren. Dat zijn gemiste kansen.”

Reageer op dit artikel