artikel

Na 20 jaar nieuwe Richtlijnen Goede Voeding

Algemeen

Om welvaartsziekten te voorkomen is het voedingspatroon van groter belang dan individuele voedingsmiddelen of bestanddelen. Dat is een belangrijk uitgangspunt voor het nieuwe advies Richtlijnen Goede Voeding 2006 dat eind vorig jaar werd gelanceerd. Daarnaast moet de vetzuursamenstelling van de voeding verder verbeteren en moet de groente- en fruitconsumptie omhoog.

De Gezondheidsraad onthulde op 18 december in Den Haag de vernieuwde versie. Minister Hoogervorst van VWS ontving het document uit handen van Daan Kromhout, voedingshoogleraar aan Wageningen Universiteit en vice-voorzitter van de Gezondheidsraad. Voor het advies (zie kader ‘Overzicht richtlijnen’) toetste de Gezondheidsraad de bestaande richtlijnen, die dateren uit 1986, aan de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen.

Lichaamsbeweging
Nieuw zijn het advies voor lichaamsbeweging en het onderscheid tussen mensen met en zonder overgewicht. De gezondheidsraad adviseert mensen met een normaal gewicht ten minste vijf dagen per week minstens dertig minuten per dag matig inspannende lichamelijke activiteit te verrichten. Mensen met overgewicht en mensen met een gewichtstoename moeten dit verhogen naar ten minste zestig minuten per dag en de inname van producten met een hoge energiedichtheid en dranken met toegevoegde suikers verminderen.
Aan de aanbevelingen voor verzadigd en transvet, groente en fruit en alcohol zijn voor het eerst concrete hoeveelheden gekoppeld en het advies voor zoutbeperking is aangescherpt. De aanbevolen hoeveelheid visvetzuren in de voeding is verhoogd tot 450 mg per dag, een verdubbeling ten opzichte van de huidige richtlijnen. Ook nieuw is het advies om, met het oog op preventie van tandcariës en –erosie, de consumptie van producten met fermenteerbare suikers en/of een hoog gehalte aan zuren te beperken.
Het advies tot beperking van de inname van cholesterol en mono- en disacchariden vervalt in de nieuwe versie. “Cholesterol wordt al gedekt met de aanbevelingen voor verzadigde en transvetzuren en voor een beperking van de hoeveelheid mono- en disacchariden vinden we het wetenschappelijk bewijs niet sterk genoeg”, zo verklaarde Frans Kok, hoofd van de afdeling Humane Voeding van Wageningen Universiteit en voorzitter van de voedingscommissie van de Gezondheidsraad.
Een aantal richtlijnen in het nieuwe advies is eigenlijk niet nieuw, zo constateerde minister Hoogervorst. “Dat is maar goed ook, anders waren we twintig jaar geleden behoorlijk op het verkeerde been gezet”, zo grapte hij.
Inderdaad zijn veel richtlijnen al vertaald in overheidsbeleid en omgezet in campagnes/projecten, zoals een integratie tussen de campagnes voeding en bewegen van het Voedingscentrum respectievelijk het NISB. Andere voorbeelden zijn de projecten ter stimulering van de groente- en fruitconsumptie en ter beperking van de hoeveelheid trans- en verzadigde vetzuren in de voeding.

Betaalbaar
Behalve met richtlijnen komt de Gezondheidsraad ook met aanbevelingen voor voedingsbeleid. Kok: “De overheid moet voorlichting geven en eventueel zelfs regels opstellen als het gaat om gezond eten en bewegen. Er moet daarbij geen inhoudelijke spanning bestaan tussen overheidsvoorlichting en productpromoties. Ook voedingseducatie en fitness- en beweeglessen op scholen, plus de accommodatie ervoor, zijn een belangrijk aandachtspunt. Ten slotte moet de overheid zorgen dat goede voeding voor alle bevolkingsgroepen verkrijgbaar en betaalbaar is.”
Fabrikanten krijgen de aanbeveling de consument via het etiket inzichtelijke informatie te (blijven) geven over de energiewaarde en samenstelling van voedingsmiddelen. “De industrie moet zich bij productontwikkeling en -aanpassingen richten op de nieuwe aanbevelingen voor goede voeding en portiegroottes. Ik vind het een goede ontwikkeling dat de industrie de hoeveelheid trans- en verzadigd vet, suiker en zout in producten aan het verlagen is. Er kan echter nog meer bereikt worden. Voorlichting en communicatie blijven daarbij onverminderd van belang”, zo benadrukte Kok.

Vertaling
De Richtlijnen leveren belangrijke input voor de voedingsvoorlichting in ons land. Boudewijn Breedveld, hoofd Kennis bij het Voedingscentrum: “Er moet eerst een vertaling naar de consument plaatsvinden in termen van hoeveelheden te gebruiken voedingsmiddelen, de zogenoemde ‘food based dietary guidelines’. Dit gaat het Voedingscentrum in de eerste helft van 2007 doen met terugkoppeling naar de Gezondheidsraad. Bij de vertaling naar aanpassingen in de Schijf van Vijf en andere voorlichtingboodschappen worden modelstudies uitgevoerd met zogenaamde referentievoedingen.”
Op de vraag naar eventuele knelpunten bij de aanpassing van het voedingsbeleid moet Breedveld een volledig antwoord schuldig blijven: “Het is nu nog niet te voorzien waar de inhoudelijke knelpunten precies liggen. We verwachten dat het moeilijk zal zijn de nieuwe aanbeveling voor voedingsvezel te realiseren.” Op dit moment voldoet de voeding van slechts 10% van de Nederlanders aan de nieuwe richtlijn, die met een aanbevolen hoeveelheid van 30-40 g per persoon per dag 10% hoger ligt dan de huidige richtlijn voor voedingsvezel.

Schijf van zes?
Breedveld benadrukt dat ook met voedingsadviezen geldt dat overdaad schaadt: “De bevolking ziet dan door de bomen het bos niet meer. Consumententesten zullen daarbij mede uitkomst moeten bieden.”
Voor het welslagen van voorlichtingscampagnes en andere projecten ter bevordering van gezond eten moeten alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen, aldus Hoogervorst en Breedveld. Hoogervorst referereerde aan het aspect lichaamsbeweging: “Behalve het Voedingscentrum kunnen scholen, gemeentelijke gezondheidsdiensten en de industrie hun steentje bijdragen om mensen aan te zetten tot meer lichaamsbeweging. En misschien moet er wel een Schijf van Zes komen, waarin dit aspect een vaste plaats krijgt.”

Budget verhogen
Yvonne van Sluys, directeur van het Voedingscentrum, benadrukte ten slotte dat verantwoordelijkheidsgevoel alleen niet genoeg is. “Op het gebied van voorlichting is nog veel winst te behalen. Nederland was altijd een van de voorlopers op gezondheidsgebied, nu blijven we qua levensverwachting achter bij andere Europese landen. Preventie moet prioriteit worden en dat betekent dat we meer budget moeten vrijmaken, ook voor gezondheidseducatie.”

Reageer op dit artikel