artikel

Kwantitatieve risicobeoordeling van voedselallergenen

Algemeen

Moet er een allergiewaarschuwing op het etiket? Moet een product worden teruggehaald wegens mogelijke contaminatie? Dit soort risicomanagementbeslissingen zijn nu nog vaak ‘nattevingerwerk’. Deterministische risicobeoordeling laat zien dat het risico niet uit te sluiten is, maar om hoeveel mensen het gaat en hoe ernstig hun allergische reactie is, is niet bekend.

Voor het beoordelen van het risico op (onbedoelde) blootstelling aan voedselallergenen wordt meestal gebruik gemaakt van de traditionele deterministische benadering waarin puntschattingen worden berekend. Is de puntschatting van de inname van een allergeen (consumptie product x concentratie allergeen) gelijk aan of hoger dan de puntschatting van de drempelwaarde, dan is een allergische reactie niet uit te sluiten en is er dus sprake van een potentieel risico. Meestal worden de waarden ruim gekozen (worst case-getallen) om ook de meest gevoelige personen te kunnen beschermen. Dat betekent echter ook dat het risico gewoonlijk overschat wordt. Gebruik van gemiddelde waarden levert een realistischer beeld op, maar kwantitatieve informatie ontbreekt nog steeds. En juist die is essentieel voor effectief risicomanagement.

TNO heeft daarom een methode ontwikkeld die werkt met dataverzamelingen in plaats van puntschattingen. Deze probabilistische aanpak kan kwantitatieve gegevens genereren over het aantal personen dat een allergische reactie zal krijgen, eventueel zelfs uitgesplitst naar geslacht, consumptiemoment en ernst van de allergische reactie. Ter illustratie volgt een vergelijking van beide berekeningsmethoden in het geval van mogelijke hazelnootcontaminatie van chocoladepasta.

Hazelnootcontaminatie
Chocoladepasta kan sporen van hazelnoot bevatten ten gevolge van kruisbesmetting in de productieketen. Om het risico daarop te bepalen wordt traditioneel een puntschatting van de allergeeninname vergeleken met een puntschatting van de drempelwaarde (tabel 1a en 1b).
Omdat de gemiddelde inname aan hazelnootallergeen bij merk 1 en 2 en de worst case-inname bij merk 3 boven de drempelwaarde liggen, is de conclusie dat een allergische reactie voor geen van deze merken is uit te sluiten. Dit resultaat is een magere basis voor het nemen van risicomanagementbeslissingen. Immers, het aantal personen dat risico loopt en de ernst van de gevolgen zijn onbekend. Een waarschuwing op het etiket kan leiden tot vermijding van het product, wat misschien onnodig is als het gaat om heel weinig mensen, met minimale verschijnselen. Aan de andere kant, niet waarschuwen terwijl vrij veel mensen risico lopen op ernstige reacties is natuurlijk ook ongewenst.

Probabilistische aanpak
De door TNO ontwikkelde probabilistische benadering maakt gebruik van dataverdelingen in plaats van puntschattingen (figuur 1). Voor de chocoladepasta-case zijn de volgende variabelen gedefinieerd: de prevalentie van hazelnootallergie, de drempelwaarden bij patiënten, het consumptiepatroon van chocoladepasta en de contaminatie van hazelnootallergeen in chocoladepasta. De dataverzamelingen zijn ingevoerd in een softwareprogramma dat berekent hoeveel personen waarschijnlijk een allergische reactie zullen vertonen. Deze kansberekening is gebaseerd op het resultaat van een aantal iteraties. Een iteratie bestaat uit achtereenvolgende lotingen uit de verdelingen van de variabelen. Dit lotingsproces genereert enerzijds een hoeveelheid allergeeninname en anderzijds een drempelwaarde. Als de allergeeninname groter is dan de drempelwaarde resulteert dat in een allergische reactie. Op basis van het gezamenlijke resultaat van een reeks iteraties (een run), wordt de kans op een allergische reactie geschat: het aantal iteraties dat tot een allergische reactie heeft geleid gedeeld door het totaal aantal iteraties. Voor deze case studie zijn 25 runs van ieder 20.000 iteraties doorgerekend.

Dataverdelingen
Omdat de prevalentie van hazelnootallergie niet nauwkeurig bekend is, is voor deze case studie de dataverdeling van de prevalentie van voedselallergie in het algemeen gebruikt. Deze dataverzameling werd samengesteld uit de resultaten van verschillende Europese prevalentiestudies [2]. In samenwerking met het Universitair Medisch Centrum Utrecht is een klinische studie uitgevoerd om de verdeling van de drempelwaarden van hazelnootallergeen in kaart te brengen [4]. De dataverzameling van het consumptiepatroon (op welke momenten van de dag wordt hoeveel chocoladepasta geconsumeerd en door wie) is gebaseerd op de Voedselconsumptiepeiling [1]. De resultaten uit de analyses van de hazelnootconcentratie van chocoladepasta vormen de dataverdeling van de allergeencontaminatie [3].

De probabilistische aanpak levert kwantitatieve gegevens op over het percentage personen waarvoor een allergische reactie verwacht wordt (tabel 2). Consumptie van chocoladepasta resulteert volgens deze resultaten in een gemiddeld risico van maximaal 0,042%, wat betekent dat minder dan 420 mensen per miljoen hazelnootallergische personen een allergische reactie zullen krijgen. De kans dat ten tijde van het ontbijt een allergische reactie optreedt, is groter dan de kans op een reactie bij de lunch (0,042% versus 0,029%) omdat chocoladepasta vaker bij het ontbijt dan op andere eetmomenten wordt gegeten. Voor het 95ste percentiel (de groep personen met het grootste risico op een allergische reactie door bijvoorbeeld een hoog chocoladepastagebruik en/of een hoge gevoeligheid voor hazelnoot) wordt een risico gevonden van maximaal 0,068% (minder dan 680 van de miljoen hazelnootallergische personen krijgt een allergische reactie).

Toegevoegde waarde
Hoewel de probabilistische benadering nog experimenteel is, maakt de case studie duidelijk wat de toegevoegde waarde ervan is: met de methode kunnen de gevolgen van (onbedoelde) allergeencontaminatie kwantitatief in kaart worden gebracht. Dit maakt het nemen van gefundeerde risicomanagementbeslissingen mogelijk. De case studie maakt geen onderscheid naar de ernst van de allergische reactie, maar zodra daarover voldoende gegevens beschikbaar zijn, kan ook die worden berekend. Ook factoren die een allergische reactie mede kunnen uitlokken (bijvoorbeeld stress), kunnen in het model worden meegenomen als daar genoeg gegevens over bekend zijn. Voor risicobeoordeling van voedselallergenen heeft deze methode dan ook de toekomst.

Reageer op dit artikel