artikel

‘Netwerken en regisseren is onze toegevoegde waarde’

Algemeen

Ruim een jaar is professor Evert Schouten directeur van het Bureau Risicobeoordeling van de VWA. Wie is hij en hoe geeft hij dit bureau inhoud? Hoe onafhankelijk is zijn positie en hoe kijkt hij aan tegen nultoleranties, MRSA en de samenwerking met instituten als het RIVM en de Europese Voedselautoriteit EFSA?

September 2004 maakte minister Veerman bekend dat prof. dr. E.G. Schouten met ingang van 1 januari 2005 werd aangesteld als directeur Risicobeoordeling van de Voedsel en Waren Autoriteit. Sindsdien heeft Schouten in stilte ‘zijn’ bureau letterlijk vorm te geven, te positioneren en onderzoekprogramma’s op te tuigen. In stilte, want van meet af aan is er rumoer rond het Bureau Risicobeoordeling geweest. Dat blijkt ook uit de vragen die ik vanuit de sector voor het interview krijg aangereikt. Onafhankelijkheid, reikwijdte en toegevoegde waarde lopen als een rode draad door de reacties.

Wat is nu precies het Bureau Risicobeoordeling?
“Een club mensen binnen de VWA die zich vooral met wetenschappelijke risicobeoordeling ten aanzien van voedselveiligheid en de productveiligheid bezighoudt en op basis daarvan adviezen opstelt voor de ministers van VWS en LNV. Een taak die daaruit voortkomt, is het programmeren van wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de VWA. Een belangrijk deel van dat onderzoek wordt verricht door onze drie huisinstituten: RIVM, RIKILT en CIDC. Maar ook bij universiteiten en bijvoorbeeld TNO, eventueel zelfs internationaal, brengen we onderzoek onder. Kortom daar waar de beste kennis is.”

Valt de ziekenhuisbacterie MRSA, waarover u recent heeft geadviseerd, ook onder uw aandachtsgebied?
“Die, maar zoönosen in het algemeen, behoren zeker tot ons werkgebied. De MRSA bij varkens was een aardige casus om eens te kijken of het Centrum Infectieziekten Bestrijding van het RIVM, dat nog maar kort bestaat, en ons bureau goed samenwerken.”

Wat is nu precies de toegevoegde waarde van uw organisatie?
“De al genoemde regisseursfunctie en daarnaast het op een toegankelijke manier geven van adviezen aan de ministers die dan ook daadwerkelijk landen bij het beleid en openbaar zijn via internet. Onze adviezen moeten voor de ontwikkelde leek, en daar schaar ik de minister ook onder, te begrijpen zijn.”

Hoe groot is het bureau?
“De organisatie omvat veertien personen. Een groot deel daarvan is universitair geschoold. Zes deskundigen vormen de kern. Zij behartigen ieder een deelterrein. Twee hebben als aandachtsgebied chemie. Verder werkt er een deskundige op microbiologie, productveiligheid en veterinaire zaken en is er een vacature voor voeding. Daarnaast hebben we een coördinator voor het onderzoek en een voor risicoadvisering. Deze laatste heeft ook de ‘emerging risks’ in zijn portefeuille. Verder zijn er twee medewerkers ter ondersteuning op het gebied van informatiemanagement en toekomstverkenningen. En natuurlijk is er het secretariaat.”

Beoordelen de zes deskundigen de risico’s?
“Zij staan aan de lat voor de uiteindelijke risicobeoordeling. Daarvoor zetten zij kennisvragen uit bij de onderzoeksinstituten Zelf doen zij geen onderzoek, hooguit literatuurstudies. We vormen een relatief kleine groep die het meer moet hebben van netwerken en regisseren van het onderzoek. We hebben bijvoorbeeld een advieskring van zestig tot zeventig wetenschappers uit Nederland. Die kunnen wij op persoonlijke titel inzetten in panels en vragen voorleggen.”

Met welk budget werkt het bureau?
“De salarissen en ondersteuning vergen circa € 1 miljoen per jaar. Daarnaast is er € 15 miljoen budget voor onderzoek. Circa € 8 miljoen daarvan ligt vast, denk aan de wettelijke onderzoekstaken zoals voor diergezondheid en monitoringprogramma’s voor residuen. Deze ressorteren onder LNV. Vanuit VWS hebben we een onderzoekprogramma ter grootte van € 7 miljoen bij het RIVM. Daarin zijn vooral kennisvragen over toezichtondersteunend onderzoek van de VWA zelf ondergebracht. Tot slot hebben we nog een vrij budget van circa € 850.000.”

Dat laatste is weinig.
“Precies. Voor proactieve risicobeoordeling is vaak langlopend onderzoek nodig. Het gaat meestal om complexe situaties. We hebben een meerjarenprogramma ingediend waarbij het vrije budget volgend jaar € 3 miljoen bedraagt. De komende drie jaar zou dit geleidelijk moeten verdubbelen.”

Welke taakstelling heeft uw organisatie?
“Er ligt niet echt een taakstelling. Zelf wil ik eigenlijk proberen de gevraagde adviezen op het huidige niveau te houden. We moeten afwachten of dat ook lukt. Daar heb je natuurlijk niet echt zelf de hand in. Verder wil ik per jaar tien tot vijftien ongevraagde adviezen uitbrengen.”

Aan welke onderzoeken moet ik dan denken?
“Vlamvertragers. Hoe komen die via het milieu in de voedselketen? Of neem nanotechnologie. Wat is in toxicologisch opzicht het gedrag van die nanodeeltjes?”

Is al het onderzoek openbaar?
“Ja, in principe wel. We willen delen van het onderzoek toegankelijk maken. Hetzelfde geldt voor de kennisvragen en de daarbij uitgezette onderzoekprojecten. Dat zijn we nu allemaal aan het opbouwen.

Vorig jaar hebben we vijfentachtig adviezen uitgebracht. Het overgrote deel daarvan is gevraagd, circa dertig door de departementen, de overige door de eigen organisatie. Het betreft vaak technische zaken. Bijvoorbeeld het incident rond Pararood leidde tot de vraag: Oké het is verboden. Maar wat is nu werkelijk het risico voor de volksgezondheid en welke maatregelen zou de VWA moeten nemen? Dit zijn veelal adviesvragen op de korte termijn, soms binnen enkele dagen. Je moet dan wel duidelijk de beperkingen erbij aangeven. Soms komen we ook met een voorlopig advies.

De zes ongevraagde adviezen, die we afgelopen jaar hebben uitgebracht, hebben een veel langduriger karakter. Bij voorbeeld het advies over reductie van Capylobacter in pluimveevlees. Dit advies maakt voor een belangrijk deel gebruik van resultaten van onderzoek dat de afgelopen jaren door het RIVM is verricht.
Waar we voor moeten waken is dat we niet dichtslibben met allerlei kortetermijnvragen. We moeten voldoende ruimte blijven houden voor de meer strategische en meer proactieve risicobeoordelingstaken.”

Hoe is de relatie inmiddels met RIVM en RIKILT?
“De samenwerking gaat niet vanzelf, maar ik denk dat het geleidelijk aan goed begint te lopen. Wij geven hen in principe de vrijheid om met al hun onderzoeksresultaten naar buiten te komen.”

Neemt u hun bevindingen een op een over in uw advies?
“Zij leveren ons een rapport aan. Wij leggen ons oordeel daarover heen. Daarbij nemen wij ook zaken mee vanuit de eigen organisatie, denk aan handhaafbaarheid, maar ook de afweging van voordelen tegen risico’s van voorgestelde maatregelen. Hetzelfde geldt voor de departementen. We hoeven het niet altijd exact eens te zijn met wat er in staat. Hoewel een concept vaak een aantal keren heen en weer gaat voordat het definitief wordt. Uiteindelijk geven wij een advies met het rapport als bijlage.”

Hebt u al wel eens aanvaring gehad met uw opdrachtgevers?
“Nee. Er wordt geen ongeoorloofde druk op mij uitgeoefend. Wel worden er kritische vragen gesteld. Als ik echter zeg: ‘Dit is mijn verantwoordelijkheid’, dan is de discussie ook afgelopen.

Met de departementen hebben we natuurlijk wel eens discussies over hoe zaken geformuleerd worden. Soms gaat het ook over de vraag of wij niet te veel op de stoel van het risicomanagement gaan zitten. Misschien doen we dat zo nu en dan ook wel. Maar er zijn geen pogingen om de uitkomst van een advies een andere kant op te sturen.”

Hoe verhoudt uw bureau zich tot EFSA?
“De Europese voedselveiligheidsautoriteit bestaat natuurlijk bij gratie van de nationale autoriteiten. We hebben daar een goede samenwerking mee. Ik vertegenwoordig Nederland in het Adviesforum van EFSA. EFSA moet in Europees verband een harmoniserende en coördinerende rol krijgen.”

Ik betwijfel of Herman Koëter, topman van de EFSA, daar ook zo over denkt. In een interview met VMT eind 2004 pleitte hij voor een krachtige EFSA met daaronder de nationale autoriteiten voor het maken van de lokale vertaalslag.
“Daar zit inderdaad enige gezonde spanning. Dat zij de top van de wetenschap verzamelen in hun panels, is een goede zaak. Bij sommige EFSA-opinies vragen we ons inderdaad af wat de betekenis daarvan is voor Nederland. Daarnaast zijn er onderzoekactiviteiten waarvan je – wanneer je een goed overzicht hebt van al het onderzoek – zou kunnen zeggen dat dit niet elders nog eens hoeft te worden gedaan.”

Hoe wordt met dat spanningsveld omgegaan?
“Momenteel is er nog weinig coördinatie van het onderzoek. Sinds december 2005 hebben alle nationale autoriteiten toegang tot het extra-net van EFSA. Dat werkt nu maar mondjesmaat. Een recent gevormde werkgroep buigt zich over vragen als welke informatie er wordt uitgewisseld, in welke taal en onder welke voorwaarden, wie welk onderzoek doet, et cetera. Dat kan zeker hier en daar fricties geven, maar ik denk dat wij in Nederland zeer loyaal tegenover EFSA staan.”

Denkt u daarbij ook aan incidenten?
“Incidenten zijn vaak lokaal. Bij grensoverschrijdende incidenten wordt er via EFSA gekeken of andere lidstaten ook onderzoek moeten verrichten. Dat heeft al een aantal keren gespeeld, bijvoorbeeld onlangs bij benzeen in frisdrank. Enkele landen hadden al vrij uitgebreid onderzoek gedaan. Toen heeft de VWA gezegd dat er geen enkele reden was om te veronderstellen dat de situatie in Nederland wezenlijk anders zou zijn en dus eigen onderzoek achterwege kon worden gelaten.”

Een recent advies betrof Campylobacter. Hoe maakt u daarbij de afweging tussen risico’s voor de consument en de kosten van maatregelen die de industrie moet nemen?
“Je hebt het hier over cost-benefit afwegingen en daar zijn wij niet voor. Over risk-benefit afwegingen willen wij nog wel uitspraken doen. Dezelfde discussie heeft binnen EFSA gespeeld. Ook daar is besloten dat niet te doen.”

Bent u voorstander van een nultolerantie of voor de MRL-benadering?
“Ik geloof niet zo in nultoleranties. Ik ben voor wetenschappelijke onderbouwde, gecalculeerde risico’s met daaraan gekoppeld maximale residuniveaus, de zogeheten MRL’s. Nultoleranties zijn soms mogelijk, maar veel vaker niet haalbaar, mocht je er al naar willen streven. Je kunt de financiële middelen, denk aan BSE en Pararood, beter in maatregelen stoppen die veel meer effect voor de volksgezondheid hebben.”

Nederland heeft bij Pararood gekozen voor een nuchtere aanpak, terwijl Groot-Brittannië de nultolerantie hanteerde.
“Het merendeel van de Europese landen heeft onze benadering overgenomen.”

Hoe kijkt u als risicobeoordelaar aan tegen de situatie rond acrylamide?
“Hoe groot het risico is, is nog redelijk moeilijk vast te stellen. Met de kennis die we nu hebben is de aanname dat we het bij de huidige blootstelling toch over heel kleine risico’s hebben. In die zin is het een carcinogeen zoals er wel meer zijn, en die moeilijk te ontlopen is.”

Tot slot: Welke wensen heeft u behalve die van het hogere budget?
“Een van de wensen was dat de Wet op de onafhankelijke Risicobeoordeling er door zou komen. Dat die er nu is, zie ik toch als een belangrijke steun in de rug. Verder hebben we intern afgesproken, dat we een jaar na de reorganisatie van de VWA evalueren of we met de huidige middelen onze opdracht waar kunnen maken. Daarbij kun je denken aan aspecten zoals het onderbrengen van zowel de risicobeoordeling als het risicomanagement in een organisatie. Ander aspect is bijvoorbeeld of we moeten blijven werken als een kleine organisatie die geen eigen onderzoek verricht, maar het vooral moet hebben van de regisseurfunctie.”

Reageer op dit artikel