artikel

Flanders’ FOOD trekt innovatie voedingsmiddelenindustrie

Algemeen

Flanders’ FOOD is het innovatiecentrum voor de Vlaamse voedingsmiddelenindustrie. Doel is verbetering van de concurrentiekracht, aldus manager Erwin Lamot. Eddy van der Pluym, directeur van vleeswarenfabriek Pluma en André de Laporte, R&D-manager bij Vandemoortele Lipids & Dough, geven hun visie op dit nieuwe initiatief van de overheid en de sector zelf.

De Vlaamse voedingsmiddelenindustrie besteedt te weinig aan R&D om concurrerend te blijven. Verdere innovatie is daarom hard nodig voor een verdere groei van de sector, verklaart Eddy van der Pluym, algemeen directeur van vleeswarenbedrijf Pluma te Aarschot, bij Antwerpen. Hij verwijst naar een rapport van de Vlaamse Raad voor het Wetenschapsbeleid uit maart 2004 en de SWOT-analyse van de Belgische Federatie van de Voedingsindustrie (Fevia), waar hij voorzitter is van de Vlaamse afdeling. Gemiddeld besteden de voedingsmiddelenbedrijven niet meer dan 0,6 tot 1% aan R&D. Dat zou over vijf jaar minstens 2% moeten zijn plus 1% van de Vlaamse overheid.

Doelstellingen
Om dit te bereiken formuleerde Flanders’ FOOD meerdere doelstellingen. Het gaat vooral om betere samenwerking tussen kennisinstellingen, betere coördinatie in het precompetitieve onderzoek en het versterken van de band en de synergie tussen de kennisinstellingen en de bedrijven. “Die noodzaak is evident”, zegt Eddy van der Pluym. “Er is nogal wat competitiviteit op dit moment tussen de onderzoeksinstellingen.”

Ook de coördinatie kan beter. “Als ik de situatie in Vlaanderen vergelijk met Nederland dan denk ik dat Nederland een stuk beter georganiseerd is”, voegt André De Laporte, R&D-manager bij Vandemoortele Lipids & Dough, Izegem, toe. Beiden zouden graag zien dat de Vlaamse onderzoeksinstellingen hun energie steken in verdere specialisatie in welomschreven onderzoeksgebieden.

Kennisverspreiding, het zo ruim mogelijk toegankelijk maken van bestaande en nieuwe kennis door middel van ondersteunende en adviserende diensten is een tweede doelstelling. Deze is speciaal bestemd voor het midden- en kleinbedrijf. Erwin Lamot, manager van Flanders’ FOOD, noemt dit “het valoriseren en het zo ruim mogelijk toepassen van de huidige kennis die kennisinstellingen al in huis hebben.”

Het MKB weet de weg naar de expertise en de wetenschappelijke/technologische kennis slechts in mondjesmaat te vinden. “Dat komt vooral door een gebrek aan tijd en middelen, maar ook een gebrek aan toegang tot de wetenschappelijke instellingen”, constateert Van der Pluym vanuit zijn functie als Fevia-Vlaanderen-voorzitter. Hij weet zich gesteund door de onderzoeksrapporten. “Er is vooral sprake van een drempelvrees”, zegt hij.

Onderzoeksprojecten
De stichtende en eerste leden van Flanders’ FOOD zijn 16 middelgrote en grote ondernemingen. Zij zien het MKB als belangrijke doelgroep omdat een hoger niveau van productontwikkeling extra afzetmogelijkheden creëert voor grondstoffen en ingrediënten. Vanuit zijn Fevia-Vlaanderen-voorzitterschap reageert Van der Pluym met de opmerking dat 78% van de Belgische voedingsbedrijven minder dan tien medewerkers telt. “Het gaat er om dat de hele sector een dynamiek vertoont. Hoe innovatiever de sector is in zijn geheel en die uitstraling er ook is, hoe beter de prestaties van de Vlaamse bedrijven overkomen in het buitenland.”

Vanuit het innovatiecentrum start op termijn een aantal innovatieve collectieve onderzoeksprojecten. “Deze zijn gericht op de voeding van morgen, evenwichtig en lekker, het centrale thema”, concretiseert Erwin Lamot. “We moeten naar de toekomst kijken, niet naar het verleden.”

Op basis van een enquête onder de voedingsmiddelenbedrijven werden drie grote onderzoeksthema’s gedefinieerd: Voeding en gezondheid, Voeding en processing en Voeding en kwaliteit/veiligheid. “Het onderzoek is duidelijk vraaggedreven. Fundamenteel onderzoek is mooi maar wanneer er geen economisch succes wordt nagestreefd, heeft het weinig zin.”

Een eerste beeld toont volgens Lamot alvast aan dat evenwichtige voeding hoog in het vaandel staat. Eind juni 2005 zouden definitieve keuzes voor projecten moeten worden gemaakt. In de herfst van 2005 zullen dan de eerste Flanders’-FOOD-projecten starten. Financiering zal komen vanuit de Vlaamse regering en van de inbreng via de ledenbedrijven van het innovatiecentrum. Deze extra middelen zijn volgens de manager een voorname meerwaarde voor de onderzoeksinstellingen. Mogelijke patenten en spin-off-bedrijven kunnen voor extra inkomsten zorgen, al is dat pas op langere termijn.

Kennisverspreiding
Onder de kennisverspreiding valt ook informatie en advies over huidige en toekomstige technologische ontwikkelingen, patenten en wetenschappelijke inzichten uit de literatuur. Middelen die gebruikt gaan worden zijn bijvoorbeeld een elektronische nieuwsbrief, maar ook workshops of congressen, naast directe contacten en andere gebruikelijke wegen. Bedrijven kunnen straks ook terecht met al hun specifieke vragen bij het centrum.

Een andere activiteit van het innovatiecentrum is de analyse van het consumentengedrag, zodat de bedrijven daar actief op in kunnen spelen. Mogelijk komen daar onderzoeksprojecten uit voort. Ook werkt men aan een uitgebreide databank van binnen- en buitenlandse kennisinstellingen waarin per instituut en onderzoeksafdeling de competentie, expertise en infrastructuur is beschreven zodat de bedrijven weten waar ze terecht kunnen. Deze databank is al in ontwikkeling.

Geslaagd
Het nieuwe innovatiecentrum is voor Lamot geslaagd als dankzij deze ‘motor voor innovatie’ innovatie daadwerkelijk plaatsgrijpt en de concurrentiekracht en omzet van de voedingsmiddelenindustrie toeneemt. De Laporte rekent vooral op grensverleggend voedingskundig onderzoek op het terrein dat hem en eigenlijk de hele maatschappij natuurlijk nauw aan het hart ligt: oliën en vetten. Van der Pluym meet als Fevia-Vlaanderen-voorzitter het succes af aan de vraag of Flanders’ FOOD op termijn zelfstandig, zonder overheidssteun, kan bestaan. “De organisatie zou self supporting moeten worden omdat de leden de toegevoegde waarde zo belangrijk vinden dat ze volledig zelf voor de financiering gaan zorgen.” Als lid sprekend, zegt ook hij van een succes te spreken wanneer productontwikkeling wordt versneld door input van Flanders’ FOOD.

Reageer op dit artikel