artikel

Risicobeoordeling vraagt nieuwe benadering

Algemeen

Bestaande analysetechnieken voldoen niet om voedselverpakkingen te testen op niet-geregistreerde stoffen – verontreinigingen, ontledings- en reactieproducten van additieven of monomeren. TNO stelt een nieuwe benadering voor, waarin de nadruk ligt op integratie van realistische blootstellingsdata en toxicologische classificatie alvorens tot chemische analyse van de verpakkingen wordt overgegaan.

Op dit moment zijn de belangrijkste eisen aan voedselverpakkingen dat ze geen gevaar opleveren voor de volksgezondheid (kaderverordening EC 1935/2004, artikel 3). Voor plastic voedselverpakkingen zijn bovendien geregistreerde uitgangsmaterialen, zoals monomeren en additieven, vastgelegd die onder bepaalde voorwaarden mogen worden gebruikt (richtlijn 2002/72/EC en amendementen). Ook gelden specifieke migratielimieten (SML) en limieten voor het residuele gehalte (QM) voor deze uitgangsmaterialen. Controle van voedselverpakkingen bestaat uit vaststellen of de gebruikte uitgangsmaterialen zijn geregistreerd en zo ja, of de migratielimieten (SML) of gehaltes (QM) niet worden overschreden. De kans is echter groot dat deze wetgeving aangescherpt gaat worden en dat verpakkingen ook moeten gaan worden getest op de aanwezigheid van niet-geregistreerde stoffen die in het voedsel kunnen migreren, zoals verontreinigingen, ontledings- en reactieproducten.

Niet-geregistreerde stoffen
Al vaker is gebleken dat niet alleen uitgangsmaterialen problemen kunnen veroorzaken, maar ook stoffen die ontstaan tijdens de productie of het gebruik van de verpakking. Voorbeelden zijn semicarbazide (reactieproduct van azodicarbonamide) dat werd aangetroffen in geschuimde afsluitingen van babyvoedingverpakkingen, reactieproducten van geëpoxideerde sojaboonolie in PVC en reactieproducten van bisphenol-A diglycidylether (BADGE) in organosol-coatings in blikverpakkingen. In principe bepaalt artikel 3 van de kaderrichtlijn EC 1935/2004 dat ook naar deze niet-geregistreerde verbindingen moet worden gekeken, maar in de praktijk worden voedselverpakkingen alleen beoordeeld op uitgangsmateriaal. Andere mogelijk aanwezige stoffen – verontreinigingen, reactieproducten en ontledingsproducten van uitgangsmaterialen van monomeren of additieven – worden dus systematisch over het hoofd gezien.

Gewerkt wordt aan een ‘superregeling’ waarin alle bestaande plasticrichtlijnen worden samengevoegd en ook niet-geregistreerde stoffen aan de orde komen [1]. Dit heeft gevolgen voor de industrie. Analyse van verpakkingen op niet-geregistreerde stoffen biedt de consument extra bescherming, maar betekent ook extra onderzoek en kosten voor producenten en gebruikers van verpakkingen. Na discussie met diverse experts komt TNO tot de conclusie dat een geheel nieuwe benadering nodig is om te komen tot een werkbare, betaalbare risicobeoordeling. Daarbij ligt het accent op de integratie van blootstellingsdata en toxicologie voordat men tot chemische analyse van de verpakkingen overgaat.

Blootstelling
In de huidige wetgeving is de blootstelling van consumenten aan stoffen in voedselverpakkingen die in het voedsel terecht kunnen komen gebaseerd op een aantal aannames die het mogelijk maken de blootstelling eenvoudig te berekenen, maar waarvan het de vraag is of dit leidt tot realistische gegevens. Zo wordt er vanuit gegaan dat een consument per dag 1 kg voedsel eet dat verpakt zit in 6 dm2 verpakking. Tevens wordt aangenomen dat een specifieke stof altijd aanwezig is in elke verpakking en dat deze stof migreert uit de verpakking in het voedsel op het niveau van de migratielimiet (SML). Verschillende studies hebben aangetoond dat bovengenoemde aannames lang niet altijd correct zijn en vaak leiden tot een overschatting van de blootstelling.

Om een realistischer blootstelling te berekenen zijn allereerst meer gegevens over voedselconsumptie nodig. Op Europees niveau gaat het om gegevens over de producten die men consumeert en de hoeveelheid van elk product. Daarbij moet rekening worden gehouden met de verschillende voedselgroepen (bijvoorbeeld frisdranken of vethoudende producten), verschillende consumentengroepen (bijvoorbeeld baby’s of ouderen) en verschillen tussen Europese lidstaten. Voor veel Europese landen zijn deze data beschikbaar en is het een kwestie van integratie in een Europese database. Daarnaast is het van belang deze gegevens up-to-date te houden omdat eetpatronen met de tijd kunnen veranderen.

Gebruikte verpakkingen
Stap twee is het verzamelen van data over de gebruikte verpakkingen voor geconsumeerde voedingmiddelen. Deze data zijn er nog niet. Het is van belang om te weten in welke type verpakkingen voedingsmiddelen verpakt zijn (glas, blik, papier, plastic) en, in het geval van plastic materialen, in welke type plastic. Combinatie van deze data met de voedselconsumptiegegevens geeft een beeld van de blootstelling van de consument aan specifieke verpakkingsmaterialen. Hieruit volgt een database waaruit kan worden berekend met hoeveel van een bepaalde verpakking, bijvoorbeeld PET, een consument in aanraking komt en welke voedingsmiddelen daarin verpakt zijn, bijvoorbeeld vette levensmiddelen, frisdranken, et cetera.

De laatste stap is het verkrijgen van informatie over de aanwezigheid van migranten. Als bekend is welke en hoeveel monomeren en additieven in welke verpakking voor welk voedseltype worden gebruikt, kan een realistische blootstelling aan een specifieke stof worden bepaald. Daarnaast geeft informatie over aanwezige uitgangsmaterialen inzicht in welk type niet-geregistreerde verbindingen kunnen worden verwacht. Deze benadering van blootstelling staat schematisch weergegeven in figuur 1.

Toxiciteit
Om de risico’s van niet-geregistreerde stoffen in te schatten moet iets bekend zijn over de toxiciteit. Een relatief eenvoudige manier is de classificatie van componenten op basis van functionele groepen, zoals in het Threshold of Toxicological Concern (TTC)-concept [2]. Het TTC-concept rangschikt alle chemicaliën in zeven klassen, ieder met zijn eigen toxiciteitslimiet. Door deze toxiciteitslimiet te combineren met realistische blootstellingsdata kan voor bepaalde klassen van verbindingen een maximummigratiewaarde worden bepaald. Deze maximummigratiewaarde kan worden gebruikt in een chromatogram van migratie-extracten door op een bepaald niveau een lijn te trekken. Alleen componenten die boven de maximummigratiewaarde uitkomen behoeven dan verdere analyse. Een voorbeeld is te vinden in figuur 2. Zo wordt voorkomen dat elke piek in het chromatogram moet worden geïdentificeerd en gekwantificeerd en dat voor alle niet-geregistreerde stoffen toxiciteitstesten moeten worden uitgevoerd. Dat is namelijk praktisch en financieel onhaalbaar.

Risicobeoordeling niet-geregistreerde stoffen
Om voedselverpakkingen te kunnen testen op de niet-geregistreerde stoffen, zoals verontreinigingen, ontledings- en reactieproducten, is het noodzakelijk een aantal grote veranderingen in te voeren. Belangrijk is dat er een realistische inschatting komt van de blootstelling van consumenten aan de verschillende verpakkingsmaterialen en aan stoffen daarin. Combinatie van een realistische blootstelling en het TTC-concept, waarin de toxiciteit van onbekende stoffen wordt bepaald aan de hand van de chemische structuur, zal bepalen aan welke eisen de analyse van verpakkingen zal moeten voldoen. Duidelijk is dat die analyse een groot aantal verschillende stoffen moet kunnen identificeren en kwantificeren. Zelfs bekende en eenvoudige verpakkingen zoals polypropyleen kratten geven al zeer complexe extracten met veel verschillende migrerende stoffen (figuur 3). Bestaande analysetechnieken zullen waarschijnlijk niet voldoen. Analyse van niet-geregistreerde stoffen vraagt om nieuwe ontwikkelingen. De industrie zal in overleg met wetgevende instanties tot een protocol moeten komen dat zowel pragmatisch als betaalbaar is.

Reageer op dit artikel