artikel

Vissen op maat

Algemeen

De visteeltsector staat voor de uitdaging om de activiteiten beter af te stemmen op de vraag van consument en industrie, en om duurzamer te produceren. Dat betekent minder zalm, meer specialiteiten als tarbot en kabeljauw, en voer op plantaardige basis. Technologische oplossingen zijn geboden, want vooral de teelt van carnivore zeevis in openwatersystemen bedreigt het milieu en versnelt het leegvissen van de oceanen.

De blauwe revolutie is niet te stuiten. Door de sterk groeiende visvraag zal kweekvis de komende tien jaar nog belangrijker worden. Daarom moet de productie verder omhoog zonder natuurlijke hulpbronnen uit te putten. Efficiëntere en duurzamere productiesystemen zijn hierop het antwoord. Kansen liggen er voor de teelt van planten- en alleseters, zoals tilapia, meerval of karper, smakelijke vissen die veel worden geteeld in tropische gebieden en maar weinig vismeel nodig hebben.

In veel westerse landen bestaat een voorkeur voor roofvissen die nog niet duurzaam kunnen worden geteeld. Zo is voor een kilo kweekzalm vier kilo wilde vis nodig en voor kweekkabeljauw zelfs vijf kilo. Op dit moment is een derde van de visvangst bestemd voor (vis)voer. De bodem voor deze rijke bron van omega-3-vetzuren, die hoofdzakelijk bestaat uit ansjovis en horsmakreel, komt zo langzamerhand in zicht.

Kweekstudies
Het kweken van vis heeft de laatste 15 jaar een hoge vlucht genomen. Karpers, tilapia, zeebaars, (regenboog)forel, meerval en paling zijn grotendeels afkomstig uit aquacultuur. Met tarbot, kabeljauw, heilbot en tong gaat het dezelfde kant op. Veel van deze initiatieven komen op conto van Nutreco dat ook de teelt van de Australische barramundi en de Japanse lekkernijvis yellow-tail heeft opgepakt. En dit is nog maar het begin. Het aantal gekweekte soorten groeit gestaag.Wereldwijd zijn er minstens 150 onderdeel van kweekstudies.

Schelpdieren die worden uitgezet op banken of hangcultures vallen ook onder de aquacultuur. Wilde varianten zijn alleen via gespecialiseerde kanalen te koop. Ook het overgrote deel van de Zuidoost-Aziatische garnalen is gekweekt, evenals krabben en kreeften. Naast vissen en schaal- en schelpdieren is de teelt van aquatische planten een belangrijke activiteit. Alles bij elkaar gaat het om meer dan 210 soorten. Van de totale aquacultuurproductie (exclusief aquatische planten) komt iets meer dan de helft voor rekening van vissen, voor het overige is er een fiftyfifty-verdeling tussen schelpdieren en waterplanten. Garnaalachtigen zijn goed voor circa 2% van het totaal.

Olievlek
China geldt als de bakermat voor de visteelt. Naar verluidt werd de (herbivore) karper hier al 5.000 jaar geleden gekweekt. Sinds 1989 breidde de aquacultuur zich als een olievlek over de wereld uit. In tien jaar tijd verdubbelde de hoeveelheid kweekvis wereldwijd, terwijl de opbrengsten uit de (zee)visvangst sinds 1970 slechts met 1,2% per jaar toenamen. Daarmee is viskweek met een jaarlijks groeipercentage van 15% de snelst groeiende voedselproducerende sector. En de groei is er nog lang niet uit. De FAO spreekt in het in 2004 uitgekomen rapport ‘Global aquaculture outlook in the next decades’ de verwachting uit dat de wereldwijd groeiende vraag naar vis vrijwel uitsluitend kan worden ingevuld door kweekvis. Visvangst zit zowat aan zijn plafond en zal door vangstquota aan banden worden gelegd.

Inmiddels is een substantieel deel van de geconsumeerde vis afkomstig van aquacultures. Van de 130 miljoen ton vis die in 2001 werd geproduceerd, was 29% volgens de FAO-statistieken van kweekorigine. Ter vergelijking: in 1970 was dit slechts 3,9%! Openwatersystemen leveren 60% van de productie, vijvers 40%.

Groeiprognose
China is de motor achter de aquacultuurgroei. De overheid stimuleert de sector en (onrendabele) rijstvelden worden op grote schaal omgezet in visvijvers. In 2000 kwam tweederde van alle kweekvis al uit China, terwijl dat in 1990 nog de helft was. India en Indonesië volgen op grote achterstand met respectievelijk 5,8 en 2,3%. In Europa is Noorwegen met een wereldaandeel van 1,4% de nummer een. De Noorse zalmteelt verviervoudigde van 1980 tot 2000 tot een volume van 1,6 miljoen ton.

Het Verenigd Koninkrijk liet een vergelijkbare ontwikkeling zien, zij het dat de productie hier een factor 10 lager ligt. FishStatPlus verwacht voor de EU-15-landen in de periode 2000 tot 2020 een bescheiden groei van 0,8%. Noorwegen springt er daar met 6,3% duidelijk boven uit. De groeiprognose is gebaseerd op zalm en forel die in Europa 80% van de visteelt uitmaken. Gezien de huidige crisis in de met overproductie kampende zalmsector lijkt dit wat hoog gegrepen. Met de opkomst van nieuwe soorten zoals kabeljauw en heilbot is in de prognose overigens geen rekening gehouden. Voor 2004 becijferde Fiskekum het aandeel van deze nieuwkomers in de Noorse wateren nog op een bescheiden 0,33%. Dit percentage zal de komende jaren verder oplopen. Consumenten raken uitgekeken op zalm en zijn op zoek naar luxe visspecialiteiten, margerijke vissoorten waaraan zalmkwekers nog wel kunnen verdienen.

Recirculatiesystemen
Nederland speelt in het de wereldwijde visteeltindustrie een bijrol. Ons land is volgens het Productschap Vis (2001) goed voor een aandeel van 0,6% in de Europese kweekvisproductie. De vorig jaar geproduceerde 9.000 ton is internationaal gezien een druppel op een gloeiende plaat. Relatief groot is Nederland in de palingkweek. Met dit exportproduct (4.500 ton) is bijna een monopoliepositie opgebouwd op de Europese afzetmarkt met een marktaandeel van 90%. Meerval is de tweede en snelst groeiende Nederlandse kweekvissoort, daarnaast wordt er wat tilapia, tarbot en forel gekweekt. De mosselteelt is veruit het belangrijkste aquacultuurproduct met een aanvoer die vorig jaar in Yerseke uitkwam op ruim 50.000 ton. Door quotabeperkingen is dat slechts de helft van vijf jaar geleden.

Nederlandse experimenten met openwatersystemen in kooien op de Noordzee zijn op niets uitgelopen door troebel water, de te ruwe zee en suboptimale temperatuurcondities. Zowel warmteminnende (tilapia) als koudeminnende soorten (zalm) voelen zich in onze kustwateren slecht thuis. Vandaar dat telers zich hebben gespecialiseerd in gesloten bassins die compleet gereguleerd kunnen worden en waaraan een waterzuiveringsinstallatie is gekoppeld. In het dichtbevolkte Nederland garanderen ze een hoge opbrengst per kubieke meter. In de verwarmde bakken is de voedselvoorziening en waterkwaliteit prima onder controle, zodat de vissen in recordtempo opgroeien tot volwassen exemplaren.

Fleuren & Nooijen viskwekerijen heeft zich toegelegd op het opkweken van jonge, Afrikaanse meervallen voor levering aan (inter)nationale meervaltelers (zie foto) en levert tevens alle visteeltbenodigdheden. De meervallen worden door kwekers op een gewicht van 1.300 tot 1.500 gram gebracht en voor 80% afgezet op de Duitse markt. De meerval is volgens directeur Bert-Jan Roosendaal een redelijk ideale vis, omdat het stevige vlees veelzijdig te verwerken is en de omnivoor plantaardig voedsel snel omzet in vleesmassa. Reden voor Greenpeace om de meerval bovenaan op zijn groene lijst te zetten en te promoten als milieuvriendelijke vis. Dit heeft vooral te maken met het hoofdzakelijk plantaardige dieet dat bestaat uit soja(eiwitten) en gehydrolyseerd maïszetmeel. Wel blijft tot 20% vismeelaandeel noodzakelijk om de gewenste conversiesnelheid te bereiken.

Fyto- en zoöplankton
Het RIVO richt de laatste jaren de nodige onderzoeksactiviteiten op duurzame en efficiëntere visteelt. Zo wordt er research gedaan aan de inzet van eencellige algen voor aquacultures. Deze microscopische organismen (wieren) die zowel in zoet als zout water leven worden ook wel fytoplankton genoemd en zijn dé energiebron van de voedselketen. Ze bevatten essentiële vetzuren die voor de smaak van vis belangrijk zijn. De organismen die deze eencelligen eten behoren tot het zoöplankton en staan weer op het dieet van bijvoorbeeld jonge vis. Algen zijn dus zowel een directe als indirecte voedingsbron en dat maakt ze reuze interessant. In tropische kweekvijvers worden vissoorten als tilapia en zilverkarper (grotendeels) gevoed met algen. Maar de eencelligen staan ook op het menu van bijvoorbeeld centimetergrote radardiertjes en pekelkreeften. Deze bekendste zoöplanktonsoorten gelden als ideale bijvoeding voor vissen.

Daarbij helpen algen een juiste zuurstof/koolzuurbalans te bewaren en kunnen ze afvalwater zuiveren. Het RIVO doet nu onderzoek naar gedeelde aquacultuursystemen, waarbij verschillende compartimenten optimaal van elkaar profiteren. Een voorbeeld is een mix van algen, vissen, schelpdieren en garnalen. Zo kan bij intensieve garnalenteelt de algenvijver dienen voor effluentzuivering waarbij algen zich voeden met de uitgaande waterstroom van aquacultuurbassins.

De tilapia’s kunnen weer van de algen leven, evenals de mosselen. Een stap verder gaat de kweek van zoöplankton voor mariene aquacultuur. Onder meestal brakwatercondities wordt zoöplankton met algen grootgebracht. De oogst is verrijkt levend voer, boordevol PUFA’s en vitamines, kortom: een prima alternatief voor visvoer gemaakt van vismeel en visolie. Bovendien krijgen vissen er een betere darmwerking van, worden minder ziektegevoelig, groeien beter en krijgen een betere kleur, smaak en textuur. Voorlopig is echter de hoge prijs nog een bottleneck voor grootschalige toepassingen. RIVO begroot de kosten voor het onder kunstlicht laten groeien van algen op 20 tot 30% van de totale teeltkosten.

Antibioticareductie
Qua duurzaamheid staat de visteelt ook voor ecologische uitdagingen. Zo komen bij open systemen, zoals kooien, ontlasting en gebruikte chemicaliën in bijvoorbeeld fjorden terecht. Deze lokale vervuiling kan ecosystemen ontregelen, terwijl het ontsnappen van duizenden kweekzalmen uit kooien de genetische basis van de wilde soorten ondermijnt. Een risico dat vergroot wordt door de continue selectie op genetisch schone, productieve lijnen. Toch vallen milieueffecten in bijvoorbeeld de Noorse fjorden relatief mee. Ernstiger is de situatie in Zuidoost Azië waar hele kuststroken verwoest zijn door de intensieve garnalenteelt en het kappen van mangrovebossen.

Net als andere dierhouderijsystemen ontkomt aquacultuur niet aan het inzetten van bestrijdings- en geneesmiddelen om vissen, garnalen en schaaldieren gezond te houden. Toch ligt dit gevoelig. De consument associeert vis met een natuurproduct. Berichten over antibioticaresiduen in zalm brachten daardoor heftige reacties teweeg, terwijl het met het gebruik van antibiotica en antiluismiddelen juist de goede kant opgaat.

Zo meldt Fiskekum, de exportorganisatie voor Noorse vis, dat dankzij de inzet van 2 miljoen lipvissen de hoeveelheid antiluismiddelen is teruggebracht van 30.000 kg in 1985 naar 171 kg in 2000, terwijl de productie omhoog ging van 33.000 naar 460.000 ton zalm. De lipvissen voeden zich via hun speciale lippen met parasieten tussen de huid van de zalmen en zorgen zo voor een natuurlijke bestrijding. Voor antibiotica was de reductie ook drastisch: in 2002 bedroeg het gebruik nog maar 2% van 1987 bij een tien keer hogere productie. Het verminderde medicijngebruik werd mogelijk door effectievere vaccinnaties, het selecteren van optimale kwekerijlocaties en een algehele verbetering van hygiëne. Anno 2005 bevat kweekvis dus veel minder antibioticaresten dan pakweg 20 jaar geleden – alleen toen had de consument geen weet van de residuen.

Imago
Waar telers geen vat op hebben, is ophoping van verontreiniging in kweekvis door diffuse contaminatie van het voer. Gebleken is dat kweekzalm meer PCB’s en andere chemicaliën bevat dan wilde. Vermoedelijke reden is de geconcentreerde visvangst in bepaalde gebieden voor de productie van visvoer. Ook zijn er aanwijzingen dat kweekzalm een cocktail bevat van kankerverwekkende pesticiden. Zorgwekkend is de bevinding dat de toxiciteit van deze organochloorverbindingen elkaar versterkt, zoals vorig jaar in een Canadees-Amerikaanse publicatie in Science te lezen was. Om die reden adviseerden de onderzoekers om niet meer dan een keer per maand kweekzalm te eten.

Ondanks deze negatieve berichtgeving heeft vette vis, zoals zalm, vanwege de hoge concentraties omega-3-vetzuren nog altijd een gezond imago. Ook het intensieve karakter van visteelt levert niet echt een smet op het blazoen. Zo bevestigt onderzoek door het Rathenau Instituut dat de aaibaarheid van vissen lager is dan die van landbouwhuisdieren en burgers daarom minder moeite hebben met de teelt van vissen in grote dichtheden. Wel moet het gezonde imago worden gekoesterd. De visteeltindustrie beseft dat als geen ander. Vooral de voerproblematiek moet worden opgelost. Visolie is al schaars en zal op den duur onbetaalbaar worden, de productie van vismeel zit aan zijn plafond door de vangstquota terwijl de vraag blijft toenemen. Veelzeggend in dit verband is dat 40% van het onderzoek bij Nutreco zich momenteel richt op vervangers voor vismeel en visolie.

Chemische conversie of transgeen?
Alternatieven zijn er zeker. Naast de teelt van algen of zoöplankton, valt te denken aan voer op basis van chemisch geconverteerde, plantaardige grondstoffen. Enkele opties: lijnzaadolie bevat van nature omega-3-vetzuren, uit soja kan het voor roofvissen essentiële aminozuur methionine worden geïsoleerd en raapzaadolie kan worden omgezet naar een omega-3-vetzuurconfiguratie. Genetische modificatie kan er voor zorgen dat vissen met andere voedingsstoffen toekunnen en sneller of groter groeien. Anders dan in de VS staat het licht hiervoor in Europa nog niet op groen.

De Commissie Genetische Modificatie toonde zich begin 2003 uiterst terughoudend, daarbij wijzend op risico’s als het uitkruisen van transgene zalm met wilde soortgenoten, hoewel het Amerikaanse viskweekbedrijf Aqua Bounty hier met omkeerbare steriliteit een oplossing voor zegt te hebben. De AquAdvantage Bred salmon die in theorie vier tot zes keer harder groeit dan een gewone Atlantische zalm, zou dan toch veilig in openkooisystemen kunnen worden gekweekt. Zo ver wil Niaba nog niet gaan. De biotechnologieassociatie pleit er naar aanleiding van verkenningen van de Commissie Terlouw voorlopig voor om toepassingen zo veel mogelijk te beperken tot gesloten systemen, zoals visvijvers. Niaba noemt de genetisch veranderde tilapia een aansprekend voorbeeld van biotechnologie in de visteelt omdat de bereikte productieverhoging een maatschappelijk doel dient.

Al met al is de blauwe revolutie in een cruciale fase gekomen. Er moeten op korte termijn flink wat hordes worden genomen om aan de snel groeiende visvraag te voldoen. De technologie lijkt er klaar voor, nu de opschaling, commercialisering, en de consumentenacceptatie nog. Vooral over die publieke opinie is het laatste woord nog niet gesproken.

Reageer op dit artikel