artikel

Contaminantenbeleid in stroomversnelling

Algemeen

Na de dioxinecrisis van 1999 is het beleid rond contaminanten in een stroomversnelling terecht gekomen. Op nationale, EU- en wereldschaal wordt gediscussieerd over normstelling. In de EU gaat het momenteel vooral over dioxines en dioxineachtige PCB’s, verlenging van de speciale nitraatnormen voor eigen gebruik, en mogelijke maatregelen ten aanzien van acrylamide. De stand van zaken.

De dioxinecrisis in 1999 was aanleiding in EU-verband extra hard te gaan werken aan een compleet stelsel van normen voor contaminanten in voedingsmiddelen. Contaminanten zijn chemische of (micro)biologische agentia die ‘per ongeluk’ in het leefmilieu aanwezig zijn, of onbedoeld ontstaan tijdens productie of bewerking van voedsel. Anders dan additieven hebben ze geen functionele waarde en worden niet bewust toegevoegd. Voorbeelden zijn mycotoxinen, nitraat, zware metalen, dioxines en PCB’s, acrylamide en PAK’s (zie kader).

Het proces van normstelling voor contaminanten is tijdrovend. Het valt niet mee om het met 25 lidstaten eens te worden over de hoogte van de normen en voor welke levensmiddelen die moeten gelden. De Europese bevolking heeft verschillende eetpatronen, en gehaltes van contaminanten in producten kunnen per land verschillen. Bovendien spelen economische en politieke factoren en het consumentenvertrouwen ook mee in de discussies. Dit leidt soms tot grote verschillen tussen lidstaten voor wat betreft de voedselveiligheidsmaatregelen die men wenst te treffen.

Op wereldschaal zijn de verschillen zelfs nog groter. Uiteraard kan van een ontwikkelingsland niet verwacht worden dat het dezelfde voedselveiligheidstandaarden hanteert als West-Europese landen. Wereldwijde harmonisatie van het contaminantenbeleid in de Codex Alimentarius ligt daarom nog niet binnen handbereik.

Vooruitgang
Toch is er de afgelopen jaren op diverse fronten vooruitgang geboekt. Het grootste gedeelte van de contaminantenwetgeving is internationaal geharmoniseerd, vooral binnen de Europese Unie. Aan wereldwijde harmonisatie van risicomanagement wordt gewerkt door de Codex Alimentarius, waarbij 168 landen zijn aangesloten. Er zijn nog weinig Codexnormen voor contaminanten. Wel worden door Codex steeds meer beheersmaatregelen voorgeschreven. Dit zijn wereldwijd geïmplementeerde aanbevelingen voor brongerichte maatregelen, in de vorm van een ‘Code of Practice’.

Een aantal normen voor contaminanten is inmiddels in de verordening (EG) 466/2001 opgenomen, een aantal is nog in discussie. Er zijn ook normen die inmiddels wel genotificeerd zijn bij de WTO, maar nog niet in wetgeving zijn omgezet. De tabel op geeft een overzicht van de contaminanten waar op dit moment wetgeving voor is of in de maak is. Op dit moment speelt in de EU vooral de discussie over dioxines en dioxineachtige PCB’s, verlenging van de derogaties voor nitraat (speciale nitraatnormen voor eigen gebruik), en eventuele maatregelen ten aanzien van acrylamide.

In de EU gelden al enige jaren maximumlimieten voor dioxines in een aantal dierlijke producten. Afgesproken is om eind 2004 ook de dioxineachtige PCB’s op te nemen in de normstelling, omdat dioxines en dioxineachtige PCB’s volgens hetzelfde toxicologische mechanisme werken. De onderhandelingen hierover zijn bijna afgerond. De Commissie heeft besloten dat er maximumlimieten komen voor totaal TEQ (Toxic Equivalents) van de dioxineachtige PCB’s en dioxines samen in dezelfde producten waarvoor dioxinenormen bestaan.

Omdat de concentratie nitraat in (blad)groenten sterk afhangt van (het gebrek aan) zonlicht, hebben een aantal noordelijke EU-lidstaten een zogeheten derogatie voor de nitraatnormen voor sla en/of spinazie. Sla en spinazie voor eigen gebruik (niet voor export) hoeft niet aan de EU-normen te voldoen. Nederland heeft een derogatie voor verse spinazie, en hogere nationale normen voor verse spinazie dan de EU. Officieel zijn de derogaties per 1 januari 2005 afgelopen, dus wordt onderhandeld over het al of niet verlengen ervan. Andere opties zijn de normen afschaffen of de algemene EU-normen omhoog halen tot een niveau dat alle lidstaten kunnen halen. De lidstaten wachten op een voorstel van de Europese Commissie.

Besluitvorming
Aan de basis van elke norm of andere maatregel staat een wetenschappelijke risicobeoordeling. In Nederland is dit de taak van RIVM, RIKILT en VWA, in EU-verband buigt de onafhankelijke EFSA (European Food Safety Authority) zich hierover, en op wereldschaal de JECFA (Joint FAO/WHO Expert Committee on Food Additives). Omdat contaminanten in het milieu aanwezig zijn of tijdens de bereiding van levensmiddelen ontstaan, is het voedsel altijd enigszins verontreinigd. De risicobeoordeling is er op gericht te bepalen of dit leidt tot een blootstelling van de algemene bevolking met ontoelaatbare risico’s voor de volksgezondheid, en of bepaalde bevolkingsgroepen (jonge kinderen, mensen met een voorkeursconsumptie) extra risico lopen. Is het antwoord ‘ja’, dan moeten maatregelen worden getroffen.

Voor het vaststellen van normen of andere maatregelen onderhandelen de EC en de Codex Alimentarius met hun leden. In de EU gaat het veelal om normstelling, die wordt voorbereid in de ‘expert comités’ van de Europese Commissie. De voorstellen worden vervolgens vastgesteld in het Permanent Comité voor de Voedselketen en de Diergezondheid. De normen voor contaminanten worden vervolgens opgenomen in verordening (EG) 466/2001 van de Commissie. Ook worden de monsternamestrategie en de analysemethoden voor de betreffende contaminant opgenomen in een EU-richtlijn. Het Nederlandse standpunt ten aanzien van wetgeving voor contaminanten wordt afgestemd in het Regulier Overleg Warenwet.

Normstelling dient primair om te voorkomen dat levensmiddelen met te hoge concentraties in de winkel liggen. Daarnaast zijn brongerichte maatregelen essentieel, om zo de verontreiniging structureel te voorkomen of te verminderen. Normstelling fungeert vaak als stimulans om deze brongerichte maatregelen te nemen. Als zowel normstelling als brongerichte maatregelen niet afdoende zijn om het risico op te hoge blootstelling terug te dringen, kan de overheid ook voedingsadviezen geven, zoals bij nitraat.

Normstelling
Het besluit om al of niet normen te stellen gebeurt dus op basis van volksgezondheidsoverwegingen. De hoogte van de norm wordt echter vastgesteld op basis van haalbaarheid. Anders dan bij additieven is de mate van verontreiniging van de voedselketen met contaminanten immers lastig te beheersen. Veel stoffen zijn van nature in bodem of lucht aanwezig. Daarom is de normstelling meestal gebaseerd op het ALARA beginsel (as low as resonably achievable): de waarde die redelijkerwijs haalbaar is. In Europa wordt dan veelal gekozen voor de waarde die voor 95% van de gevallen binnen Europa haalbaar is. Dit leidt dus tot afkeuring van 5% van de levensmiddelen binnen de EU. Goede en betrouwbare analysegegevens zijn dus noodzakelijk om tot goede normstelling te komen.

In geval van procescontaminanten wordt ook gekeken naar technische mogelijkheden om contaminatie te verminderen of te voorkomen. Goede praktijken bij het drogen van oliehoudende zaden kunnen bijvoorbeeld besmetting met PAK’s voorkomen.

Reageer op dit artikel