artikel

Tiny van Boekel: ‘Technologen moeten zich veel meer laten horen in het debat’

Mensen & Loopbaan

Hoogleraar voedseltechnologie Tiny van Boekel (67) verlaat na 37 jaar Wageningen University & Research (WUR) om te gaan genieten van zijn pensioen. Van Boekel blikt terug op een periode waarin de opleiding in voedingsmiddelentechnologie en de bijbehorende industrie compleet zijn veranderd. “Technologen moeten zich meer laten horen in het maatschappelijke debat over voedsel.”

Tiny van Boekel: ‘Technologen moeten zich veel meer laten horen in het debat’

“Toen ik in 1970 begon met de opleiding Levensmiddelentechnologie aan WUR, was ik een ‘hardcore voedingsmiddelentechnoloog’. Toen ik in 2001 hoogleraar werd, werd vanaf dat moment regelmatig mijn mening gevraagd in het publieke debat over voeding. Tijdens mijn inaugurele rede maakte ik een opmerking over het bewerken van levensmiddelen en had daarbij de euvele moed om te zeggen dat ook biologische levensmiddelen eigenlijk wel bewerkt zouden moeten worden uit oogpunt van veiligheid en kwaliteit. Dat werd voorpaginanieuws. Toen werd ik ineens belaagd door de media: ‘Wat zeg je nou?’. Ik had er helemaal geen maatschappelijke bedoeling mee, maar zei dat puur vanuit mijn oude levensmiddelentechnologische principes: laten we zorgen dat het veilig is.

Ik vond het fantastisch om ineens volop in het nieuws te komen. Maar ik was ook verbaasd, want ik had nooit verwacht dat ik dat leuk zou vinden. Overigens had ik altijd al dezelfde mening gehad, maar zodra er ‘prof.’ voor je naam staat, dan luistert iedereen naar je. Ik werd vervolgens ook door heel veel consumenten aangesproken en dat vond ik nog veel leuker. Toen kwam in 2016 het interview in het AD met de kop waarin stond dat natuurlijk voedsel ongezond is. Dat had ik overigens niet zo gezegd, alleen maar dat bewerkt voedsel niet per definitie slecht is. Maar het werd breed opgepikt met daarna het optreden in RTL Late Night. Het ging ook over issues zoals MSG (E621): volgens sommige consumenten ‘het grootste gif’ wat er bestaat. Dan kun je heel genuanceerd het gesprek met elkaar aangaan: ‘Wat zou dat volgens jou dan zijn?’. Vaak komen dan ook de ‘alternatieve feiten’ naar voren. Daar kun je het dan met elkaar over hebben. Dat werkt het beste.”

Tiny van Boekel in RTL Late Night in 2016 (video):

Levensmiddelentechnologen van de toekomst mogen zich veel meer mengen in het verhitte debat over voeding. Overigens is dit debat er altijd al geweest. Begin jaren zeventig waren er intern al discussies tussen studenten en wetenschappers. Die gingen ook over additieven, verpakkingen en eiwitproblemen. Niets nieuws onder de zon. Alleen de manier waarop de discussie wordt gevoerd is veranderd, openlijk in de media.

rosannehertzbergerAls het dan gaat over de opleiding Levensmiddelentechnologie, dan denk ik dat onze technologen onvoldoende overeind blijven in dit maatschappelijke voedseldebat. Daar kunnen ze beter op worden getraind. Want de problemen zijn complex, maar de issues worden zwart-wit gebracht. Ik denk dat wetenschappers leren hoe ze daarmee om moeten gaan. Van nature zijn we genuanceerd, omdat we overal mitsen en maren zien, maar dat wordt niet meer geaccepteerd. Daar moeten we iets op verzinnen. Wel genuanceerd blijven, maar tegelijkertijd een duidelijk statement kunnen maken. Ik vond het fantastisch dat bijvoorbeeld microbioloog Rosanne Hertzberger het boek Ode aan de E-nummers schreef. Als meer technologen zich mengen in het debat, dan is dat ook voor levensmiddelenbedrijven een manier om hun verhaal te vertellen.

Ik sta bekend als een voorvechter van bewerkte voeding. Maar dat is een eenzijdig beeld. Zo ben ik het eens met de kritiek dat bewerkt voedsel gemiddeld te veel zout, vet en suiker en te weinig nuttige nutriënten bevat. Ik denk dat we als levensmiddelentechnologen zijn doorgeschoten in het raffineren van ingrediënten. We zouden meer gebruik moeten gaan maken van oorspronkelijke ingrediënten. Waarom soja-isolaat gebruiken als je ook soja-concentraat kunt gebruiken waar nog wel wat vezels in zitten? Dat zorgt wel voor andere uitdagingen, omdat die vezels ook wat doen in het product. Je moet dus gebruik gaan maken van andere technologie.

Dat is de komende jaren wel de richting die het opgaat met de ontwikkeling van levensmiddelen: zorgen dat we meer vezels binnenkrijgen en daarbij meer aandacht voor een verbeterd mondgevoel. Als je dan en passant ook nog producten ontwikkelt die minder suiker, zout en vet bevatten, dan komt het product meer in balans. Dit is mijn advies als het gaat om een gezonde R&D voor de komende jaren: vezels.

Er is overigens nog wel wat op bewerkt voedsel af te dingen in het kader van duurzaamheid, want elke bewerkingsstap betekent milieuschade. Denk aan energieverbruik, watergebruik, verdamping, et cetera. Dat vind ik eigenlijk een belangrijkere reden om ernaar te streven om voedsel zo min mogelijk te bewerken. Je moet goed omgaan met je grondstoffen, dat betekent alles verwaarden en tegelijkertijd minder water en minder energie gebruiken. Daar moet productontwikkeling zich op richten. Dus het niet of minder raffineren van producten heeft zowel duurzaamheids- als gezondheidseffecten. Dat is een feit.

traceerbaarheid reststromen gebrekkig.jpgHet verwaarden van reststromen begint bij een aantal bedrijven wel een thema te worden. En bij sommige start-ups zie je goede ontwikkelingen in die richting. Ook wel bij grote bedrijven, maar ik zie dat het nog niet echt vertaald wordt in producten. Dat is ook iets waar de voedingsmiddelenindustrie echt iets mee moet, het circulaire denken. De discussies over E-nummers en dat soort zaken vallen echt in het niet bij de huidige problemen. Als wij als mensheid zo doorgaan als dat we nu doen, dan loopt het gewoon mis binnen een jaar of vijftig. Er komt een tekort aan grondstoffen. En als wij die niet beter gaan gebruiken, dan hebben we niks meer. Verder is de welvaart natuurlijk totaal ongelijk verdeeld geweest. De opkomende naties eisen nu hun deel op en dat is volkomen terecht. Daar moeten we als mensheid wat aan doen. De voedingsmiddelenindustrie speelt hierbij een belangrijke rol, maar de discussie is breder, het gaat de hele maatschappij aan. Wij moeten onszelf de vraag stellen hoe onze voedselvoorziening eruit moet zien: ten koste van wat en ten bate van wat mag dat gaan? Die discussie wordt nog lang niet voldoende gevoerd. En het stoort me enorm dat deze vraagstelling ook op politiek niveau nog niet is doorgedrongen. Als het in de politiek om duurzaamheid gaat, dan is de eerste Pavlov-reactie: het moet allemaal biologisch. Maar er zijn veel grotere issues.

Daar kan een rol liggen voor de nieuw opgeleide levensmiddelentechnologen en QA’ers. Het imago van de industrie is momenteel immers erg slecht. De industrie moet met volle overtuiging gaan vertellen waar het misgaat en daarbij de consequenties voor de samenleving laten zien. Want reken maar dat die samenleving gaat veranderen als we zo moeten gaan leven. Hoewel het ook veel op zal leveren. Het moet gaan om duurzaamheid en gezondheid, die moeten samen kunnen gaan. Levensmiddelentechnologie, maar ook Food Quality Management, zijn interdisciplinaire vakgebieden geworden. Ik ben van een hardcore levensmiddelentechnoloog veranderd in iemand die ook de sociale kanten van voeding ziet. Ik ben ervan overtuigd dat de echte problemen niet meer zitten in de technologie, maar in de sociale verhoudingen. Sociale innovaties zijn voor de komende jaren veel belangrijker dan de technologische. Al blijft technologie natuurlijk wel belangrijk.

Royal A-ware neemt producent van kaasgrondstoffen Prika overWe worstelen met wet- en regelgeving. En we worstelen met een betere organisatie van de industrie om de boodschap beter voor het voetlicht te brengen. De antwoorden op de voedselvraagstukken zijn er al in grote lijnen, maar hoe krijg je het voor elkaar dat de neuzen dezelfde kant op staan? Ook de overheden van landen zullen het samen moeten oppakken. Mijn vrees is echter dat bepaalde grondstoffen op zullen raken en dat bijvoorbeeld een oorlog onvermijdelijk wordt om een reset te krijgen van die samenleving. We kunnen er nu wat aan doen, maar de politiek pakt het onvoldoende op. En daar ben ik boos over, want het gaat de hele samenleving aan. Bij studenten verandert de houding gelukkig sterk, ook bij technologen. Ik zie de multidisciplinaire aanpak ontstaan. Zo hebben we een vak ‘product- en procesontwerpen’: daarbij kiezen we voor een integrale aanpak. We laten zien dat alles met elkaar samenhangt.

De kwaliteitsmanager van de toekomst moet ook interdisciplinair kunnen werken. Die slag hebben we op WUR met de opleiding Food Quality Management wel gemaakt. Het probleem daar is dat de ongeveer vijftig studenten per jaar overwegend buitenlandse studenten zijn. Die gaan vaak weer terug naar hun eigen land om daar aan het werk te gaan. Misschien moeten fabrikanten ook meer hun best doen om het vak voor Nederlandse studenten aantrekkelijker te maken. Je hoort nog wel eens geluiden dat QA niet altijd de vrijheid heeft die eigenlijk nodig is. Deze afdeling moet juist de ruimte hebben om dingen te roepen richting het hoger management die niet helemaal welgevallig zijn.”

Met VMT duikt Van Boekel in de geschiedenis van zijn loopbaan:

Boekel_Tiny_van_PhotoGuyAckermans800x1200“De laatste vijf jaar was ik decaan voor het onderwijs. De bedoeling was dat ik eigenlijk een halfjaar eerder zou stoppen en wat zou gaan schrijven in maart 2017, maar toen werd mijn beoogde opvolger ernstig ziek en werd ik gevraagd toch wat langer te blijven dan gepland. Mijn officiële pensioen was in september 2017. Maar toen werd mijn benoeming verlengd omdat er nog geen opvolger was voor de positie van  buitengewoon hoogleraar Dairy Science & Technology, en werd ik gevraagd dit als ad-interim te doen. Toen ben ik nog een jaar bezig geweest voor een opvolger te zorgen. Dat duurde langer dan gepland. Dus is mijn aanstelling uiteindelijk nog verlengd tot april 2019. Per 1 mei is daar begonnen dr. ir. Thom Huppertz.”

Loopbaan Tiny van Boekel (1951)

Van Boekel was altijd al geïnteresseerd in exacte vakken, maar hij zocht een maatschappelijk relevante combinatie van deze vakken. Die vond hij in 1970 in de opleiding Levensmiddelentechnologie, vlak zijn komst gefuseerd met de opleiding Zuiveltechnologie. En ook was juist in 1969 de opleiding Humane Voeding gestart.

Zuivelland

Dat de opleiding Zuiveltechnologie de voorloper was van Levensmiddelentechnologie was geen toeval. Nederland is van oudsher een zuivelland en begon in de 19e eeuw te industrialiseren. Bijna ieder dorp had wel een eigen zuivelfabriek. In 1918 was Zuiveltechnologie één van de vijf opleidingen in Wageningen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond wel het besef dat er in brede zin iets moest gebeuren aan de ontwikkeling van voedingsmiddelen. Daarom startte de opleiding Levensmiddelentechnologie in 1956 in Wageningen. De focus lag aanvankelijk op proceskunde. De eerste hoogleraar daar was Prof. dr. ir. H.A. Leniger (1911-2003). Hij wordt gezien als de nestor van de Nederlandse levensmiddelentechnologie. In 1963 realiseerde hij zich dat niet alleen proceskunde, maar ook chemie en microbiologie een heel belangrijke rol speelden. Daarom kwam er ook voor deze gebieden in 1963 een hoogleraar, Prof. Walter Pilnik (1921-2007). En in 1970, toen Van Boekel begon, waren studentenbewegingen actief. Er werd in die tijd veel gediscussieerd door studenten en de wetenschappelijke staf over maatschappelijke relevantie. Studenten maakten zich zorgen over de almacht van de hoogleraren die in die tijd nog heel veel te zeggen hadden. Van Boekels’ wetenschappelijke mentor was Prof. Pieter Walstra (1931-2012), tevens de laatste Wageningse hoogleraar Zuivelkunde, hij vertelde Van Boekel later dat de studentenopstand eigenlijk ook een opstand van wetenschappelijke medewerkers was.

Levensmiddelentechnologie

Als een resultaat van die discussies kwamen er vakgroepsbesturen en hadden de hoogleraren niet alles meer voor het zeggen. Dat was het startpunt van een herijking van de opleidingen en is besloten om Humane Voeding te starten en Zuivel toe te voegen aan Levensmiddelentechnologie. Deze opleiding hield overigens wel twee leerstoelen zuivel en een leerstoel microbiologie, belangrijk ook voor de ontwikkeling van het vakgebied van QA. In 1977 kwam er de leerstoel levensmiddelennatuurkunde bij, welke één van de leerstoelen zuivel verving.

Van Boekel deed zelf de opleiding Levensmiddelentechnologie met daarin de specialisaties chemie en microbiologie. Dat was vrij breed en beviel Van Boekel daarom goed. Verder groeide door de jaren heen de maatschappelijke discussie over levensmiddelen en de rol van voeding.

Humane voeding

Van Boekel: “Er was begin 70-er jaren nogal een groot verschil in opvattingen tussen studenten Humane Voeding en Levensmiddelentechnologie. Nu is dat minder. Voedingsstudenten waren er naar eigen zeggen om de wereld te redden van de ‘vreselijke gevaren’ van de voedingsmiddelenindustrie en de technologen werden bestempeld als de gifmengers. Het debat over voeding is er altijd al geweest. Het is nu meer in de media, maar de discussies waren er altijd al intern tussen studenten. Die gingen ook over additieven, verpakkingen en eiwitproblemen.

Bewerkte voeding

Bewerkt voedsel heeft altijd al onder een vergrootglas gelegen. Ook toen waren er al kritische geluiden over de industrie. De afstand tussen productie en consumptie begon toen echt zichtbaar te worden. In 1951 werd ik geboren en ben ik opgegroeid op het platteland. Toen was het halve dorp nog boer. Rond 1970 is dat drastisch veranderd. Boeren werden uitgekocht en gingen bijvoorbeeld aan de slag in de zuivelfabriek. De industrialisering van voedingsmiddelenproductie begon, maar dat werd zo’n succes dat het doorsloeg in overproductie. De ‘boterbergen’ en ‘melkplassen’ begonnen toen te ontstaan. Zelfs Sicco Mansholt (1908-1995), van 1958 tot 1972 de eerste Europese Commissaris van Landbouw, erkende dat. Supermarkten kwamen op, er kwam steeds meer voorverpakt voedsel, gemaksvoedsel kwam op. Ik herinner me nog dat mijn moeder blij was met de komst van al die pakjes, omdat ze dan minder lang in de keuken hoefde te staan.

NGO’s

In het midden van de jaren 70 kwamen ook ontwikkelingen als GMO om de hoek kijken. Daar hoorde je op een paar kritische wetenschappers na, niemand over. Dan ontstonden ook de eerste NGO’s. Pas midden jaren 80 begon de consument zich in het maatschappelijke debat over voedsel te roeren.

Keuringsdienst

Begin 1977 werd hem gevraagd of hij na zijn afstuderen promotieassistent zuivel wilde worden bij Prof. Pieter Walstra. Dat ging vooral over emulsies. Na drie jaar schreef hij zijn proefschrift en promoveerde hij. Begin 80-er jaren was er in de crisis van toen even geen werk in Wageningen en kon Van Boekel aan de slag bij de Keuringsdienst van Waren (voorloper NVWA). Daar werkte hij ruim 2 jaar en gaf er leiding aan een groep analisten in Rotterdam. Daar leerde Van Boekel als ‘hardcore voedingsmiddelentechnoloog’ ook met mensen omgaan. Tijdens het begin van de jaren 80 zag Van Boekel bij de Keuringsdienst ook het type klachten dat binnenkwam veranderen. “Iets dat ik me nog altijd goed herinner is dat we werden gebeld door een verontruste consument die vond dat citroenzuur als additief acuut verboden zou moeten worden omdat het een kankerverwekkende stof zou zijn. Wij vroegen ons af hoe die persoon daar toch bij kwam en hebben het terug kunnen leiden tot de citroenzuurcyclus. En die is ooit voor het eerst in de jaren 50 beschreven door ene Hans Adolf Krebs, een Brits bioloog van Duitse afkomst. En Krebs betekent kanker in het Duits. Dus iemand heeft een verkeerde link gelegd daar. Maar wel voor mij persoonlijk een eerste teken dat er iets veranderde, dat consumenten zich zorgen begonnen te maken over hun voeding.”

Leerstoel zuivelkunde

Prof. Walstra

Van Boekel kon in 1982 weer terecht op de Wageningen Universiteit als wetenschappelijk medewerker bij de leerstoel zuivelkunde. Dezelfde professor Walstra nam hem aan. Van Boekel deel veel onderzoek naar melkeiwitten en tegelijk veel algemeen onderwijs. “Walstra was een hervormer, een van de angry young men in de jaren 70, maar in de 80-er jaren was hij ook een motor achter de veranderingen in de opleiding en het onderzoek. Hij was een van de founding fathers achter de leerstoel levensmiddelennatuurkunde. Hij was een goede onderzoeker en docent in de fysische eigenschappen van levensmiddelen. En breder dan alleen zuivel. Later schreef hij ook ‘Physical chemistry of food’. Hij had de drive om de opleiding breder te maken en beter aan te laten sluiten op de behoefte toen in de levensmiddelenindustrie. Ik deelde zijn visie en ben toen studiecoördinator Levensmiddelentechnologie geworden en was zodoende aanspreekpunt voor alle studenten. En ik zat in de opleidingscommissie en was zodoende bij alle veranderingen in de opleiding betrokken.

Van Boekel raakte in de jaren 80 ook betrokken bij allerlei zuivelorganisaties. “Interessant om te zien hoe ongelofelijk snel dat allemaal veranderd is. Niet alleen de zuivelfabrieken verdwenen grotendeels, maar ook de organisaties. Er zijn er nu nog maar een paar over. NZO is daarvan een belangrijke maar ook ZuivelNL.

Voordat Walstra in 1996 met pensioen ging liepen er al discussies of er nog wel een hoogleraar zuivel nodig was. De conclusie was ‘nee’, vond het hoger management van de universiteit. De aanpak van zuivel moest wel behouden blijven. Want in het zuivelproduct komen eigenlijk alle aspecten van de levensmiddelentechnologie naar voren. De chemische reacties, de fysische reacties, de biochemische reacties, alles komt er in terug. Een zuivelstudent was zodoende eigenlijk allround en kon overal terecht.

Toen de industrie erachter kwam dat er geen leerstoel zuivel meer zou zijn, heeft de voorloper van de NZO er in 1996 voor gezorgd dat er een buitengewone leerstoel zuivelkunde gefinancierd zou worden vanuit de industrie. Die bestaat nog steeds. De eerste buitengewoon hoogleraar was Jan Wouters, toen directeur bij NIZO dat toen nog vooral gericht was op zuivel. Toen kwam Jos Lankveld, toen wetenschappelijk directeur bij Campina. Daarna Toon van Hooijdonk, toen wetenschappelijk directeur bij FrieslandCampina. In 2016 kwam er een moeilijkheid met de opvolging en in 2017 ben ik daar als interim ingesprongen.

Leerstoel geïntegreerde levensmiddelentechnologie

De leerstoel veranderde in geïntegreerde levensmiddelentechnologie in 1994. De opvolger van Walstra werd Prof. Wim Jongen (1949). Zijn medewerker, universitair hoofddocent (UHD), werd Van Boekel in dat jaar. “Samen hebben we die afdeling uitgebouwd en nieuw onderzoek opgezet. De vraag stond centraal: hoe kunnen we kwaliteit bekijken vanuit wetenschappelijk oogpunt vanuit een geïntegreerde aanpak, microbiologie, chemie. Die visie veranderde al in de jaren 80 toen de eerste kwaliteitsissues om de hoek kwamen kijken. Niet alleen meer kijken naar het eindproduct, maar ook naar het proces. HACCP kwam erbij. Marcus van den Berg was de eerste hoogleraar kwaliteitskunde. In 2002 ging hij met pensioen en toen heeft Wim Jongen de kwaliteitskunde verder op de kaart gezet. Er werd zelfs een nieuwe opleiding opgericht: Food Quality Management. Dat ging specifiek over het managen van kwaliteitszaken in de voedingsmiddelenindustrie. Vanuit de visie dat kwaliteit niet alleen door het eindproduct en het proces ervoor wordt bepaald, maar ook door de mensen die hierin een rol spelen. Het managementstuk werd heel serieus genomen en werkte dus ook samen met Bedrijfskunde. Ook de voedselschandalen uit de 80-er en 90-er jaren hebben ervoor gezorgd dat deze richting belangrijk werd. Nu is Pieternel Luning de drijvende kracht hierachter.

DLO

Eind jaren ‘90 ging het niet zo goed met Wageningen Universiteit. De aantallen studenten daalden drastisch. Er waren discussies of de universiteit nog wel bestaansrecht had. Toen kwam er een rapport waarin stond dat het goed zou zijn dat Dienst Landbouwkundig Onderzoek zou fuseren met Wageningen Universiteit. Wim Jongen werd in 2000 gevraagd om wetenschappelijk directeur te worden van wat toen nog Agrotechnological Research Institute (ATO) heette. Dat heeft nu FBR, Food & Biobased Research.

Van Boekel: “Door de aanstelling van Jongen kwam er een halve plaats vrij als hoogleraar en die mocht ik gaan invullen in 2001. Toen werd ik samen met Jongen deeltijd hoogleraar en hebben we het hernoemd naar Product Design & Quality Managment. Daarin kwam kwaliteitsmanagement ook al terug omdat het een belangrijk aspect was waar we wetenschappelijk onderzoek naar wilden doen. Later ging Jongen een andere managementfunctie binnen de WUR doen en toen heb ik weer gesolliciteerd op die andere halve plek eind 2002. Toen werd ik fulltime hoogleraar. Daarbij hadden we nog steeds de buitengewone leerstoel zuivelkunde. Die viel ineens onder mij. In die periode veel leuke projecten gedaan en zijn we flink gegroeid.”

Decaanschap

Van Boekel heeft tijdens zijn loopbaan ook nog een aantal internationale projecten gedaan en reisde de hele wereld af, deed veel in het onderwijs, was veel in het nieuws. In 2011 werd Van Boekel, toen 60, gevraagd of hij decaan wilde worden. Dat zou wel betekenen dat hij zijn leerstoel zou moeten opgeven. Daar had hij aanvankelijk niet zo’n zin in. Uiteindelijk switchte Van Boekel toch omdat hij de ontwikkeling van het onderwijs erg belangrijk vond. “Geen moment spijt van gehad en meegemaakt wat er allemaal  speelt aan de top van de universiteit. Een dag per week bleef ik bezig met de levensmiddelentechnologie, ook naar de buitenwereld toe.”

“De opleiding Levensmiddelentechnologie is natuurlijk nog niet zo heel oud. Aanvankelijk was deze bedoeld voor het optimaliseren van processen. Later in de 70-er jaren kwam er veel meel aandacht voor kwaliteit. Toen ik student werd was de belangstelling niet groot. Er waren zo’n veertig studenten per jaar. Dat liep in de jaren 80 op naar meer dan honderd. Eind negentiger jaren zakte de belangstelling weer in. Dat had te maken met het imago van de landbouw wat in de 90-er jaren bijzonder slecht was. Ook het imago van Wageningen Universiteit zelf was niet goed: daar word je een veredelde boer. In 2000 waren er nog maar 15 aanmeldingen, dramatisch slecht. Dat had te maken met de antitechnologie houding toen. Wageningen is het landbouwimago gaan oppoetsen als ‘life sciences’, de nieuwe campus werd geopend. Dat trok nieuwe studenten. Maar ook regeringsbeleid en de aandacht voor innovatie middels TIFN, nu TKI Agri & Food, hielp mee. Ten slotte werd ook ‘technologie’ eind jaren 90 een minder vies woord.”

Een andere belangrijke ontwikkeling is de internationalisering. Rond 2000 zijn de opleidingen Engelstalig geworden en dat heeft tot een vergrote instroom geleid op masterniveau. De instroom bij Levensmiddelentechnologie is nu 180 per jaar aan Nederlandse studenten en daar komen nog zo’n 200 internationale studenten bij. Er zijn duizend aanvragen per jaar op Levensmiddelentechnologie. Dat is enorm.”

“Aan interesse dus geen gebrek en ook de kwaliteit van de studenten is echt goed. Ook op het gebied van duurzaamheid is veel besef dat er iets moet gebeuren en daar word ik best blij van”, besluit Van Boekel.

Reageer op dit artikel