artikel

De opmars van vision en robotica

Algemeen

De overgangstermijnen voor voedings- en gezondheidsclaims lopen af. De VWA zal op de naleving gaan toezien. Maar kan de toezichthouder dit met haar beperkte middelen wel afdoende? Liggen hier misschien kansen voor zelfregulering?

De Europese verordening over voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen is sinds 1 juli 2007 rechtstreeks van toepassing. Alleen (nieuwe) claims die op één van de lijsten van de Commissie staan, mogen voortaan worden gebruikt.

Voor claims die al werden gebruikt voor de inwerkingtreding van de verordening gelden diverse overgangstermijnen. Het algemene uitgangspunt is dat levensmiddelen die vóór 1 juli 2007 al op de markt werden aangeboden, maar die niet voldoen aan de verordening, in de handel kunnen worden gebracht tot de uiterste houdbaarheidsdatum van dat product, maar niet later dan 31 juli 2009.

Tot aan 19 januari 2010 mogen producenten levensmiddelen met een voedingsclaim blijven aanbieden, als dat levensmiddel en de daarbij behorende voedingsclaim tenminste vóór 1 januari 2006 legaal in Nederland (of in een andere Europese lidstaat) op de markt was.

Handhaven
Nu de eerste overgangstermijn is gepasseerd en de tweede voor de deur staat, moet de Voedsel en Waren Autoriteit deze verordening (gaan) handhaven. Gezien haar beperkte middelen, geld en mankracht past de VWA bij claims (net als bij bedrijven/producten) hier haar ‘risk based inspections’ toe.

Daarbij onderscheidt de toezichthouder drie risiconiveaus, namelijk claims met nagenoeg geen risico voor de volksgezondheid (1), claims met een beperkt risico (2) en claims die een permanent risico inhouden (3). In de laatste categorie vallen vooral het gebruik van niet-toegestane dan wel afgewezen gezondheidsclaims en gebruik van ziektereducerende claims. In die gevallen kan de overtreder rekenen op strikte handhaving, zoals het uitdelen van een boeterapport en een betaalde herinspectie.

Door deze manier van handhaven is het denkbaar dat een aantal kleinere vergrijpen onbestraft zal blijven. Of dat bijdraagt aan het met de verordening mede beoogde doel van het creëren van een uniforme markt, valt te bezien.

Vier instanties
Op dit moment zijn in Nederland maar liefst vier instanties belast met handhaving van wetgeving op het gebied van de wijze waarop levensmiddelen mogen worden aangeprezen via aanduidingen op de verpakking of via reclame. Dat zijn de rechter, de VWA, de Keuringsraad en de Reclamecodecommissie (RCC). In de laatste twee gevallen betreft het zelfregulering.

De Keuringsraad heeft een bevoegdheid bij de aanprijzing van gezondheidsproducten. De RCC heeft onder de ‘Reclamecode Voor Voedingsmiddelen’ (RVV) een bijzondere bevoegdheid op het gebied van aanprijzing van levensmiddelen, vooral bij voedings- en gezondheidsclaims. Overigens gaat het hier om een bevoegdheid ontleend aan klachten van belanghebbenden en kan de RCC slechts aanbevelingen doen.

Herzien
Voor de ondernemer is deze situatie niet transparant. Gegeven de beperkte handhavingsmogelijkheden van de VWA – die bovendien haar eigen organisatie gaat herstructureren – zou het verstandig kunnen zijn om het huidige handhavingsmodel te herzien.
Diverse modellen zijn denkbaar.

Een daarvan is het integreren van de VWA en de zelfregulerende instanties en daarbij taken (her)verdelen, zoals bijvoorbeeld de zware gevallen laten behandelen door de VWA en de lichtere vergrijpen laten oplossen door ofwel de Keuringsraad of de Reclamecodecommissie.

Anderzijds zou men ook meer aan zelfregulering kunnen overlaten. Voordeel daarvan zou kunnen zijn dat het wellicht eenvoudiger is om meer relevante experts bij de handhaving te betrekken. Hoe dan ook, het moment lijkt bereikt voor een meer omvattend debat voor een model voor handhaving.

Reageer op dit artikel