Het pesticidendebat is de afgelopen jaren steeds feller geworden en wordt gekenmerkt door een scherpe tweedeling. Er lijken twee parallelle realiteiten te zijn ontstaan, die we in dit artikel onderscheiden als realiteit A en realiteit B. Dat de discussie veelkleuriger is dan deze simplificatie mag duidelijk zijn. Maar voor dit artikel stellen we het even zwart-wit: het debat is gepolariseerd en partijen praten langs elkaar heen.
Realiteit A en realiteit B
Realiteit A wordt meestal vertolkt door ngo’s, actie groepen, sommige wetenschappers en voedingsmiddelenexperts die het gebruik van chemische pesticiden fel bekritiseren. Zij benadrukken de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid en het milieu. Daarnaast pleiten zij voor vergaande reductie of volledige afschaffing van pesticiden. Binnen realiteit A is er veel argwaan tegenover industriële landbouwpraktijken, de voedselindustrie en regulerende instanties.
Daartegenover staat realiteit B. In de meeste gevallen vertolkt door sommige wetenschappers, bedrijven, sectororganisaties en overheidsinstanties die stellen dat het gebruik van pesticiden goed is geborgd, veilig en onvermijdelijk is. Mits correct toegepast en gereguleerd. In realiteit B wijst men op bestaande grondige toelatingsprocedures, risicobeoordelingen en wetenschappelijke consensus. Waarschuwingen uit realiteit A worden vaak als overdreven of zelfs als paniekzaaierij bestempeld. De toon tussen beide realiteiten wordt scherper en het wederzijdse wantrouwen groeit.
In dit artikel enkele standpunten vanuit realiteit A en B op een rij.
Realiteit A: ’Beoordeling gebrekkig’

Een van de organisaties die zich onvermoeibaar inzet tegen het gebruik van pesticiden, is Pesticide Action Network (PAN). Tjerk Dalhuisen, Senior Communications Officer bij PAN Europe, vindt de huidige situatie rondom de beoordeling voor toelating van stoffen schrijnend. “Mensen hebben de neiging om over pesticiden te zeggen: ‘Het is gereguleerd, dus we zijn goed beschermd. Want als het niet goed zou zijn, dan zou het niet zijn toegelaten.’ Dat is in de praktijk vaak niet het geval.”
Volgens de pesticidencriticus worden schadelijke chemische middelen ‘schaamteloos’ gebruikt. Dit terwijl bekend is dat er gevolgen zijn voor de menselijke gezondheid door het gebruik van deze gewasbeschermingsmiddelen. Als voorbeeld noemt hij het alom verguisde glyfosaat. “Vaak is de schadelijkheid op wetenschappelijk niveau wel duidelijk, maar het duurt vervolgens jaren voordat dit in de regelgeving doorklinkt. Wat je dan ziet, is dat een schadelijke stof gedurende een lange tijd nog steeds toegestaan blijft.”
Dalhuisen is vooral scherp op gewasbeschermingsmiddelen die op de Kandidaten voor Vervanging-lijst staan. Deze lijst bevat een groep pesticiden die volgens de Europese Commissie zo snel mogelijk van de markt moet worden gehaald, maar bij gebrek aan beter nog niet zijn vervangen. Volgens Dalhuisen kijkt de politiek door ‘gebrek aan creativiteit’ enkel naar chemische alternatieven. En chemische alternatieven zijn volgens hem nooit de oplossing.
Realiteit B: ‘Biologische bestrijdingsmiddelen toelaten is zo makkelijk nog niet’
Een alternatief voor chemische middelen is misschien het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen, de natuurlijke tegenhanger van chemische pesticiden. Dat klinkt heel interessant en aantrekkelijk, maar die oplossing blijkt nog niet zo eenvoudig. Daar lijken beide realiteiten het wél over eens. Ook PAN Europe erkent dat biologische bestrijdingsmiddelen niet hét kant-en-klare alternatief zijn voor pesticiden. Maar de organisatie vindt wel dat we er meer op moeten inzetten.

Nicolette Quaedvlieg, programmamanager voedselveiligheid bij GroentenFruit Huis, brengt enkele nuances aan. Ze stelt dat ook de groente- en fruitsector openstaat voor het gebruik van groenere gewasbeschermingsmiddelen. Maar daarvoor moet de industrie wel over de juiste middelen beschikken en die moeten ook aantoonbaar veilig en effectief zijn. Chemische pesticiden kunnen niet van de een op de andere dag worden afgeschaft. Dat zou kunnen leiden tot misoogsten en mogelijk zelfs tot andere voedselveiligheidsrisico’s, zoals verhoogde kans op mycotoxinen.”
Daarnaast wijst Quaedvlieg op de haalbaarheid van het gebruik van biologische middelen. Door (klimaat)veranderingen krijgen telers te maken met nieuwe plagen en ziekten. “Als door stijgende temperaturen bijvoorbeeld luizenplagen toenemen en een teler heeft geen effectieve middelen tot zijn beschikking, wat is dan het alternatief? Accepteren we dan dat er luizen tussen de kroppen sla zitten? Dat lijkt mij niet de juiste uitkomst.
Quaedvlieg benadrukt dat telers moeten werken volgens de principes van Integrated Pest Management (IPM). Binnen IPM staan weerbaarheid, preventieve en biologische methoden voorop. Chemische middelen worden uitsluitend als laatste redmiddel worden ingezet, stelt zij. "Gewasbeschermingsmiddelen worden niet zomaar toegepast, maar alleen wanneer er een concreet probleem dreigt.
Over de ontwikkeling van groene alternatieven geeft zij aan dat de regelgeving moet meebewegen, zodat nieuwe biologische middelen veilig kunnen worden toegelaten. "Biologische middelen vragen om specifieke kennis en een andere beoordelingssystematiek. Voor blijft de kern echter hetzelfde: een middel moet effectief en veilig zijn voor mens, dier en milieu. Al die facetten moeten geborgd blijven, dat is niet anders dan voor een chemische stof”, meent Quaedvlieg.
Realiteit B: ‘Kritiek is doorgeschoten’

Dan het debat over pesticiden zelf. Is dat gericht op het vinden van de waarheid of iets anders? Realiteit B vindt dat realiteit A doorschiet in angstzaaierij. “In de kern ben ik vóór ngo’s die de kritische luis in de pels zijn bij allerlei maatschappelijke discussies. Helaas kan een luis in de pels zich ontwikkelen tot een plaag, tot een PAN-demie”, vertelt Jan Peeters, consultant bij Taskforce Gewasbeschermingsmiddelen van de Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO).
“Vrijwel dagelijks uit PAN-NL via posts op LinkedIn haar zorgen over bestrijdingsmiddelen in relatie tot volksgezondheid en milieu. Het enige doel lijkt het aanwakkeren van onrust. Voor een ngo die zo vaak over Parkinson schrijft, is het uiterst opvallend dat een gedegen Nederlands Parkinsononderzoek volledig doodgezwegen wordt. In het onderzoek komt naar voren dat er in de jaren 2017-2022 geen verband gevonden is tussen regio’s met een intensiever bestrijdingsmiddelengebruik en het voorkomen van de ziekte van Parkinson. Maar in het persbericht ‘Europese appels vol pesticiden zoals PFAS’ schetst PAN NL een beeld alsof er risico’s zitten aan de consumptie van appels. Willens en wetens zaait het angst voor de consumptie van appels."
Realiteit A: ‘Schadelijkheid aantonen’
“Of het pesticidendebat is gepolariseerd? Ja, misschien wel, maar er zijn heel veel oplossingen”, meent Dalhuisen (PAN Europe). De belangrijkste oplossing moet van de overheid komen, denkt Dalhuisen. Er zijn volgens hem onafhankelijke adviseurs nodig, waar het nu nog aan ontbreekt. “Je zou objectief moeten aangeven hóe schadelijk een stof is, dan haal je de polarisatie weg.” Hoewel PAN denkt dat groente- en fruitproducenten een rol kunnen spelen, ligt bij hen niet de oplossing. Geen enkele producent of retailer kan invloed uitoefenen op de beoordeling van de veiligheid van pesticiden. “De Europese wetgeving is duidelijk, maar er zijn een aantal punten waar níet naar wordt gekeken. Een voorbeeld daarvan is de ziekte van Parkinson, die nu niet wordt meegenomen in de beoordeling van pesticiden. Daar zit een hiaat in de beoordeling”, stelt Dalhuisen.

Realiteit B: ‘Voorzorgmaatregel niet nodig’
Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt de veiligheid van pesticiden. Het Ctgb onderstreept dat er nog geen specifieke testmethoden bestaan om te bepalen of een chemische stof neurodegeneratieve aandoeningen kan veroorzaken, zoals de ziekte van Parkinson (een van de belangrijkste kritiekpunten van PAN Europe, red.). De zorgen omtrent Parkinson neemt het Ctgb heel serieus. Maar tegelijkertijd benadrukt het college ook dat er op dit moment géén wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat de huidige toegelaten gewasbeschermingsmiddelen het risico op Parkinson kunnen vergroten.
Toch blijft PAN hameren op de ontbrekende toetsing: die moet er volgens hen zo snel mogelijk komen. Quaedvlieg begrijpt de roep om aanvullende toetsing, maar plaatst vraagtekens bij de praktische uitvoerbaarheid van sommige eisen die PAN nu stelt. Bijvoorbeeld rondom de discussie over Parkinson: “Op dit moment bestaan er nog geen specifieke beoordelingsmethoden om het risico op Parkinson vast te stellen. Het Ctgb en EFSA werken aan ontwikkeling van beoordelingsmethoden, maar zolang de instrumenten er niet zijn, kun je ook niet toetsen. En dan zegt PAN: ‘We weten niet of het schadelijk is,
dus haal het uit voorzorg maar van de markt’. Dat is een vergaande voorzorgsmaatregel.”
Daarbij gaat PAN volgens Quaedvlieg voorbij aan de veiligheidsstandaarden en beoordelingskaders die worden nageleefd. “Die worden soms onderbelicht.” Quaedvlieg benadrukt dat nieuwe wetenschappelijke inzichten – als deze er zijn – wél worden meegenomen in toelatingsprocedures. “Het systeem past zich aan wanneer daar aanleiding voor is. Mogelijk vindt PAN dat dit proces niet snel genoeg verloopt, maar dat betekent niet dat er niets gebeurt.”
Realiteit A: ‘Bagatellisering tekortkomingen beoordeling pesticiden’

Foodwatch heeft een duidelijke visie over het toelatings- en beoordelingssysteem van pesticiden. “Het Voedingscentrum benadrukt (als reactie op een aflevering van Kassa, red.) dat groente en fruit gezond zijn en dat er het liefst zo min mogelijk pesticiden worden gebruikt.
Daar zijn wij het volledig mee eens: mensen moeten vooral groente en fruit blijven eten”, vertelt Tahnee Didderen, campaigner bij Foodwatch, aan VMT. “Maar nuancering mag niet omslaan in bagatellisering van structurele tekortkomingen in het toelatings- en beoordelingssysteem. Het debat zou niet moeten gaan over de vraag of consumenten bang worden gemaakt. Maar over de vraag of het systeem robuust genoeg is om ook bij wetenschappelijke onzekerheid maximale bescherming te bieden. Het voorzorgsbeginsel betekent juist dat we bij redelijke wetenschappelijke twijfel beschermende maatregelen moeten nemen, en niet dat men wacht tot er absolute zekerheid bestaat.”
Realiteit B: ‘MRL’s zijn veilig, ook bij langdurige blootstelling’
Volgens Quaedvlieg wordt in de publieke communicatie rond residuen soms onvoldoende onderscheid gemaakt tussen verschillende normen. Hierdoor komt ieder residu van pesticiden in een kwaad daglicht te staan. “Een maximaal residulimiet (MRL) geldt per product. Het is gebaseerd op de effectieve toepassing van het middel tegen een specifieke plaag. Deze waar de wordt beoordeeld op voedselveiligheid, en een MRL is lager dan de voedselveiligheidsgrens.”
Quaedvlieg verwijst naar een recente publicatie van PAN waarbij residuen in appels tegen de babyvoedingsnormen worden afgezet. “Alles wat boven de babyvoedingsnorm uitkomt, wordt als gevaarlijk gepresenteerd. Dat vind ik misleidend en onnodig alarmerend.”
Ook de discussie over de zogenoemde pesticidencocktails verdient nuance, stelt Quaedvlieg. “Er wordt regelmatig beweerd dat er niet naar deze risico’s wordt gekeken. Maar zowel het RIVM als de EFSA kijken daar wel degelijk naar. Het modelleren van gecombineerde pesticidenblootstelling is lastig. Consumenten eten immers niet één appel. Je eet ook andere groente- en fruitsoorten en je drinkt een glas wijn. Er wordt sinds 2015 onderzoek gedaan naar de inname van residuen van verschillende gewasbeschermingsmiddelen, maar dat ligt heel complex.”
Realiteit A: ‘Wetenschap en wetgeving lopen achter’
Foodwatch kijkt anders naar de pesticidencocktails. “Een MRL is geen absolute veiligheidsgrens, maar een wettelijk vastgestelde handelsnorm gebaseerd op een beoordeling van één stof. De huidige systematiek houdt onvoldoende rekening met gecombineerde blootstelling, kwetsbare groepen zoals jonge kinderen of nieuwe wetenschappelijke inzichten over hormoonverstorende stoffen”, vertelt Didderen.
Dat het RIVM zich niet expliciet uitspreekt over pesticidencocktails, illustreert volgens Foodwatch juist het probleem. “De wetenschappelijke en wettelijke praktijk lopen achter op de realiteit van gecombineerde blootstelling. Een wettelijk verplichte methode om cumulatieve en synergistische effecten te beoordelen, is al in 2005 aangekondigd, maar nog steeds niet volledig operationeel.”
Realiteit B: uitweg uit de polarisatie?
Quaedvlieg concludeert dat er inderdaad sprake is van polarisatie. “Dat komt mede doordat ngo’s van uit een andere insteek redeneren. Het gaat om verschillende kanten van polarisatie. Een groot deel van de discussie gaat over het gebruik van pesticiden bij scholen en natuurgebieden. Dat is een andere discussie dan die over residuen op een voedingsmiddel. Maar in het publieke debat lopen deze soms door elkaar heen.” Tot slot pleit zij voor een bredere benadering van het onderwerp. “Bij residuen op groenten en fruit zou een risk-benefit-analyse op zijn plaats zijn. Soms vergeten we alle gezondheidsvoordelen van groenten en fruit. De nadelen van pesticiden wegen hier niet te
genop.”




















