artikel

Toezicht en handhaving allergenen: hoe zit het nu? – 9 vragen aan de NVWA (podcast)

Algemeen

Toezicht en handhaving allergenen: hoe zit het nu? – 9 vragen aan de NVWA (podcast)

Marjan van Ravenhorst van Allergenen Consultancy stelde op het Food Law Event op 21 juni vragen over het toezicht en handhavingsbeleid van de NVWA. Joyce de Stoppelaar, werkzaam als coördinerend specialistisch inspecteur bij de NVWA, ging onder meer in op vrij-van claims, de allergenenbox en (referentiedoses voor) kruisbesmettingen. Dit artikel is verschenen in VMT 9 van 31 augustus 2018.

1. Is de claim ‘lactosevrij’ toegestaan voor reguliere (geen zuigelingenvoeding) producten?

“Voor de vermelding van ‘lactosevrij’ is nog geen wetgeving. Verschillende Europese landen staan op hun eigen wijze een lactosevermelding toe op de verpakking. In principe is de claim ‘lactosevrij’ niet toegelaten in Nederland omdat het geen goedgekeurde en toegelaten voedingsclaim is volgens de Europese Verordening voor Voeding- en Gezondheidsclaims. De NWVA geeft de handhaving op dergelijke lactosevermeldingen echter geen prioriteit, maar mochten we handhavend optreden dan zouden we de Scandinavische norm van maximaal 10 mg lactose per 100 g product (100 ppm) hanteren. Lactose is overigens niet vastgelegd in het VITAL-systeem omdat het een intolerantie betreft en geen allergie.”

2. Van de Europese Commissie mag, naast de verplichte weergave van allergenen in de lijst met ingrediënten, geen aparte samenvatting van deze stoffen in een zogenoemde allergenenbox worden geplaatst. Hoe kijkt de NVWA aan tegen een dergelijke vrijwillige vermelding?

“Wettelijk gezien is de allergenensamenvatting niet toegestaan volgens de 1169/2011 verordening. Maar als NVWA begrijpen we dat zo’n allergenensamenvatting op de verpakking voor een consument best handig is. Daarom is in overleg met het ministerie van VWS afgesproken dat de NVWA niet handhaaft op het gebruik van de allergenenbox, totdat er een aanleiding is om er wel op te gaan handhaven. Wat we uiteraard als toezichthouder wel doen, is checken of de informatie klopt met de ingrediëntenlijst en de receptuur.”

3. Zit de check op een allergenenbox in een controleprogramma van de NVWA?

“Niet standaard, maar als de NVWA naar een etiket kijkt, dan nemen we zeker ook de allergeneninformatie in zijn geheel mee, omdat het een gezondheidsrisico kan inhouden wanneer deze informatie niet klopt. Daarnaast bekijken we het allergenenmanagementsysteem van een bedrijf. Dat valt onder de HACCP-inspectie. Het voorkomen van kruisbesmetting is natuurlijk het allerbeste. De Europese verschillen in het toepassen van de referentiedoses zouden aanleiding kunnen zijn hieraan eerder meer dan minder aandacht te besteden.”

4. Wat verwacht de NVWA van bedrijven als het gaat om het voorkomen van kruisbesmetting?

Hiervoor zijn in de wet geen harde criteria vastgelegd. Het zijn open regels. We verwachten dat bedrijven er alles aan doen om kruisbesmetting te voorkomen. Intern, maar ook richting hun leveranciers. Die moeten ze bevragen over welke allergenen er mogelijk in een product aanwezig kunnen zijn. Als producent kun je dat vervolgens accepteren, maar je kunt ook kijken of er verbeteringen mogelijk zijn. Dat betekent in de praktijk: doorvragen, audits doen, controleren. Het is belangrijk dat je daar als producent – net als bij microbiologie – ver in gaat. Natuurlijk, op een gegeven moment houdt het op. Waar die grens precies ligt, is niet aan te geven. Als NVWA kijken we vooral naar de aantoonbare inspanningen die zijn gedaan.”

5. Hoe gaat de NVWA om met waarschuwingen voor kruisbesmettingen op etiketten?

“De NVWA kan bij gebrek aan wetgeving dergelijke waarschuwingen niet meewegen in het toezicht. Disclaimers in de trant van ‘kan sporen bevatten van…’ zien we vrij veel op verpakkingen. Die zijn niet altijd duidelijk voor de consument. Er zijn gevallen bekend van consumenten die ziek werden van producten waarop stond: ‘gemaakt in een fabriek waar ook pinda’s worden verwerkt’. Dat werd dus niet opgevat als een waarschuwing. Nogmaals, bedrijven moeten er zoveel mogelijk aan doen om kruisbesmetting te voorkomen. En als het echt niet anders kan, kun je een disclaimer overwegen op het etiket. Maar dan moet het voor consumenten glashelder zijn wat die waarschuwing inhoudt. In Nederland hebben we nog wel wat te doen op zowel het gebied van consumentenvoorlichting als bij het allergenenmanagement van bedrijven. Het moet echt tussen de oren komen in de hele keten.

Het liefst zien we Europese afspraken over het gebruik van de disclaimer. Aan duidelijke afspraken is breed (zowel wetgever, handhaver, industrie als consument) behoefte. De Europese Commissie is daar sinds 2016 mee bezig, maar dit proces verloopt traag.”

6. Diëtisten geven consumenten veelal het advies om waarschuwingen op verpakkingen niet al te serieus te nemen.

“Een tijdlang plaatsten producenten dergelijke waarschuwingen te pas en te onpas op verpakkingen. Als fabrikanten daarmee zouden stoppen en tot een geharmoniseerde aanpak zouden komen, al is het alleen al in Nederland of in Europa, dan heb je een duidelijk verhaal over hoe de consument deze waarschuwingen moet opvatten. Ook richting diëtisten. Maar dat vergt nogal wat van de industrie: het gaat dus niet om een of twee grote bedrijven die dat wel kunnen faciliteren, maar er moet een brede vertegenwoordiging zijn. Het moet volstrekt duidelijk worden wat aan een waarschuwing ten grondslag ligt en hoe deze moet worden geïnterpreteerd.

De NVWA zou graag zien dat het bedrijfsleven de handen ineenslaat met diëtisten- en patiëntenorganisaties zodat zij gezamenlijk met een goed onderbouwd voorstel hiervoor komen. Ook VWS heeft hierin een rol: zij bepalen het beleid.”

7. Wat zou een dergelijk voorstel moeten behelzen?

“Er moet duidelijk in staan wat de criteria zijn ten aanzien van de waarschuwingen op verpakkingen. En wanneer je kruisbesmettingen accepteert en wanneer niet. En hoever je daarin gaat om dat te controleren. En vervolgens hoe je dat correct vermeldt op de verpakking. Patiëntenorganisaties hebben een belangrijke stem hierin voor de NVWA, want wij staan voor de bescherming van de consument. De vraag is echter: hoeveel procent van die consumenten met een voedselallergie wil je beschermen? Dat is een beleidsvraag en niet iets waar de NVWA over gaat.”

8. Jullie Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO) heeft voor de NVWA ondergrenzen (reference doses) vastgesteld voor allergenen. Hoeveel allergeen gerelateerde meldingen zijn in 2017 door bedrijven bij de NVWA gedaan?

“In 2017 hadden we het over 99 ALV-meldingen met betrekking tot allergenen. In 2018 zijn het er tot en met juni al 65. Het aantal meldingen stijgt dus duidelijk. De meldingen over kruisbesmettingen zijn echter op één hand te tellen. Het merendeel van de meldingen gaat om een verkeerd etiket of fouten op het etiket.”

9. Overlegt de NVWA met diensten van andere lidstaten over hun allergenenbeleid en afstemming van de referentiewaarden?

“We zijn nu contacten aan het leggen met de FAVV in België. Ons BuRO haalt internationaal de contacten aan. Zo zijn de referentiewaarden van BuRO ook bij de EFSA gepresenteerd. Voor het oplossen van de verschillen in normen zou het enorm helpen als we meer data krijgen over de grondslag van de VITAL-normering. Die krijgt ons BuRO niet en daarom kunnen we er eigenlijk niets mee.

Voor de NVWA is nu het moment aangebroken om de referentiedoses te evalueren. Dat heeft alleen zin als we nieuwe informatie krijgen, anders komen we tot dezelfde conclusie als voorheen. Vandaar nogmaals mijn oproep aan de stakeholders: kom met informatie die een opening kan geven om opnieuw naar de referentiewaarden te kijken. Er loopt nu een internationaal onderzoek naar referentiedoses. Mede op basis van de resultaten brengt EFSA advies uit over geharmoniseerde referentiedoses. De bedoeling is dat dit in 2021 is afgerond.”

Update Marjan van Ravenhorst (Allergenen Consultancy): Vanuit iFaam, een wereldwijd netwerk van 38 partners op het gebied van allergenenmanagement, is ondertussen nieuwe informatie beschikbaar. Deze is ook door de Belgische FAVV gebruikt bij hun risicoafweging. Ook BuRO neemt deze informatie mee om na te gaan of aanpassing van de referentiewaarden nodig is.

Dit artikel is verschenen in VMT 9 van 31 augustus 2018.


 
Reageer op dit artikel