artikel

Pionieren en bouwen aan je carrière

Algemeen

Ons koude kikkerlandje inruilen voor een exotische werkomgeving. Minder files. Proeven van onbekende culturen. Pionieren. We dromen er allemaal wel eens van. Voor sommigen blijft het daar niet bij. De Wageningse voedingsmiddelentechnologen Anny Dentener, Robert van Otterdijk en Bert de Vegt pakten hun koffers voor een carrière in het buitenland. Drie portretten van drie ambitieuze avonturiers.

Het is even puzzelen met het tijdstip waarop het telefonische interview met Anny Dentener (53) gevestigd in Auckland, kan plaatsvinden. Het tijdsverschil met Nieuw-Zeeland bedraagt soms tien, soms twaalf uur. “Jullie hebben nu zomertijd, wij wintertijd. Jullie lopen nu tien uur op ons achter”, weet Dentener, sinds tien jaar directeur van het door haar zelf opgerichte adviesbureau ADECRON. Ze adviseert de voedingsmiddelenindustrie ter plaatse bij productontwikkeling, etikettering en voedingsmiddelenwetgeving en stelt reviews op over nieuwe software. Ook begeleidt ze bedrijven bij het importeren van producten naar Nieuw-Zeeland.

Direct na haar afstuderen in 1981 stapte Dentener samen met haar man op het vliegveld naar Nieuw-Zeeland. “Mijn man was entomoloog en kon ook terecht in bijvoorbeeld Afrika. Maar ik voelde er niets voor om huisvrouw in de tropen te worden”, lacht ze.

In Nieuw-Zeeland konden ze allebei gemakkelijk werk vinden: Anny als R&D-medewerker en al snel daarna als R&D-manager bij een grote zuivelcoöperatie, haar man eerst als PhD student en later als reserarch scientist bij DSIR/HortResearch, in Auckland. “Mijn Wageningse opleiding was veel grondiger dan de algemene bachelors’ in Food Technology en daarmee kon ik een waardevolle bijdrage leveren aan het bedrijf. En die gedegenheid komt nog steeds van pas.”

Toen het tweede kind kwam, stopte Dentener met betaald werk. Dat veranderde al snel toen steeds meer mensen uit de industrie met vragen over productontwikkeling naar haar toe kwamen. Het idee voor adviesbureau ADECRON was geboren en groeide al snel uit tot een fulltime baan.

Niet kwetsen
Tijdens de eerste jaren op het zuidelijk halfrond stuitte ze nog wel eens op cultuurverschillen. “Nieuw-Zeelanders waren bijvoorbeeld niet gewend vrouwen de hand te schudden. Dat is mettertijd gelukkig wel veranderd”, lacht ze.
Het grootste verschil tussen Nederlanders en Nieuw-Zeelanders is echter de directheid. “Nederlanders zijn gefocust op het oplossen van problemen en het boven water halen van oorzaken. Nieuw-Zeelanders schrikken van zo’n confronterende houding. Die vinden het vooral belangrijk dat je de ander niet ‘upset’. De oplossing van het probleem komt op de tweede plaats.”

Dentener – Anny voor haar Nieuw-Zeelandse contacten – piekert er niet over terug naar Nederland te komen. “Het bevalt me hier prima en voor mijn kinderen is dit hun thuisland. De leefstijl in Nieuw-Zeeland is relaxter dan in Nederland en je leeft er dicht bij de natuur. Het landschap is hier ruig en groen, zelfs in de winter. Bovendien heb ik hier mijn carrière, bedrijf en netwerk opgebouwd. Ik ben actief als Fellow bij het New Zealand Institute of Food Science & Technology en was onlangs nog jurylid voor de Massey University Food Awards en de Nieuw-Zeelandse Cheese Awards.”

Altijd mooi weer
Net als Dentener wil ook Robert van Otterdijk (47), sinds vijf jaar agro industry specialist Subsahara Afrika voor de FAO in Ghana, blijven waar hij zit: “Het is hier altijd mooi weer en het leven is relaxt. Ik krijg in mijn werk de kans nieuwe dingen van de grond af aan op te bouwen. Bovendien kan ik me hier luxe veroorloven, zoals een huishoudelijke hulp, privé-chauffeur en een bewaker die het leuk vindt om met mijn kinderen te voetballen.”
Van Otterdijk kwam na zijn afstuderen in 1985 via een assistentdeskundigenprogramma van het ministerie van Buitenlandse Zaken eerst terecht bij een FAO-project in Ghana, daarna in Tonga in de Stille Oceaan. “Ik was nog ongebonden en het leek me een mooie kans om meer van de wereld te zien.” Na vier jaar ging hij als specialist aan de slag voor een ontwikkelingsprogramma in Zambia, om vervolgens over te stappen naar het bedrijfsleven.

In de kinderschoenen
Sinds vijf jaar is hij terug op het regionale kantoor van de FAO in Accra. “Ik implementeer ontwikkelingsprogramma’s voor de voedingsmiddelenindustrie, die in Ghana nog in de kinderschoenen staat. We beginnen bij de basis. Zo zetten we een kleine pilot-fabriek op waar ondernemers terecht kunnen met vragen over productontwikkeling en kwaliteitsmanagement. Ook verzorgen we trainingen voor de voedingsmiddelenindustrie.”
De grootste uitdaging voor Van Otterdijk is de bureaucratie en de inefficiënte werkwijze binnen de FAO. “Je moet veel geduld hebben en kunnen accepteren dat projecten soms om onduidelijke redenen worden afgelast”, licht hij toe.
Een ander obstakel is het lage opleidingsniveau in Afrika. “Negentig procent van de mensen heeft geen of weinig opleiding genoten. Verwacht wordt dat familieleden wel voor ze zorgen. Dat leidt tot een gebrek aan initiatief en verantwoordelijkheidsgevoel, waardoor het moeilijk is zaken van de grond te krijgen.”
Van Otterdijk ziet maar een oplossing: al het ontwikkelingsgeld dat nu geïnvesteerd wordt in landbouw en infrastructuur inzetten voor basisonderwijs. “Het is echter de vraag of dit ooit gaat gebeuren, omdat overheden geneigd zijn kortetermijndoelen te stellen”, verzucht hij.

Blanke
Ondanks de grote verschillen tussen Ghanezen en Nederlanders zijn er ook overeenkomsten: “De mensen zijn eigenwijs, het is moeilijk om als vreemdeling te integreren. Al woon ik hier twintig jaar en spreek ik de taal perfect, ik zal altijd een blanke blijven. Ik heb het idee dat een dergelijk gebrek aan integratie in Nederland alleen maar groter wordt. Dat is voor mij een extra reden om hier te blijven.”
Bert de Vegt (37) werkt sinds 1 januari dit jaar in Lincolnshire in de Amerikaanse staat Illinois. Daar geeft hij als vice president van de Purac Group leiding aan de global market unit meat and poultry. “Ik ben verantwoordelijk voor sales, marktontwikkeling en innovatie van melkzuurproducten die worden gebruikt als natuurlijke conserveringsmiddelen voor vlees”, licht hij toe.
De Vegt, die in 1994 afstudeerde, werkt al ruim twaalf jaar bij Purac. In die periode heeft hij in verschillende landen gewoond en gewerkt, in eerste instantie als technical sales medewerker in Nederland en later als national sales manager in de VS. Na een tussenstop als market development manager op het PURAC-hoofdkantoor in Gorinchem reisde hij naar Brazilië voor een functie als commercieel directeur voor Latijns-Amerika. Het buitenland heeft hem altijd getrokken: “Ik heb zes maanden stage gelopen bij Heineken in Indonesië, dat vond ik een geweldige ervaring. Mijn beide broers werken ook in het buitenland, dus misschien zit het wel in onze genen.”

Géén mañana mañana
Wat De Vegt nog bijstaat van Brazilië is de uitgestrektheid van het land (‘een continent op zich’), en het enthousiasme en opportunisme van de mensen. “De relatie met de klant is er veel belangrijker en vriendschappelijker dan in Nederland. Je kunt geen bezoek aan een bedrijf brengen zonder een uitgebreide rondleiding door de fabriek. Mannen omhelzen elkaar als begroeting. Dat laatste was wel even wennen.”
Sommige vooroordelen bleken ongegrond, zoals de gedachte dat alles in ‘mañana mañana-tempo’ zou gaan. “Op het PURAC-kantoor in Sao Paulo werken enthousiaste en ambitieuze professionals met een goede opleiding. Het land maakt een sterke economische groei door, waarin je als het ware wordt meegezogen.”
Minder plezierig vond De Vegt het grote contrast tussen arm en rijk en de hoge criminaliteit. “We woonden in een huis met een bewaker en met tweeduizend volt op de muur. Verschillende mensen in mijn directe omgeving hebben onder bedreiging van een pistool geld, telefoon, et cetera, moeten afstaan.”

Zoenen?
Heel anders is de situatie in de VS, waar hij sinds een paar maanden in een rustige suburb woont, zonder hoge muur of bewaker om het huis. Medewerkers gaan zakelijk met elkaar om. “Toen mijn secretaresse jarig was, had ik geen idee of ik haar nu wel of juist niet moest zoenen”, illustreert Van der Vegt. Toch heeft de houding van de Amerikanen zo zijn voordelen. “Amerikanen zijn heel direct in het zakendoen en nemen snel beslissingen. Dat zorgt er voor dat er veel en snel nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden.”
Over ongeveer een jaar keert De Vegt met zijn vrouw en twee kinderen terug naar Gorinchem. “Niet dat de drang naar Nederland nu zo groot is , maar omdat het handiger is voor mijn functie. Alles wat ik heb geleerd in het buitenland neem ik echter met me mee, van het Braziliaanse opportunisme en mijn besef van de kloof tussen arm en rijk, tot de Amerikaanse mentaliteit van snel knopen doorhakken.”
De Vegt is er zeker van dat zijn buitenlandervaring, in combinatie met een Nyenrode MBA, hem heeft geholpen in zijn carrière: “Sinds 1 februari ben ik toegetreden tot de PURAC Board en mijn verblijf in Brazilië en de Verenigde Staten hebben daar zeker aan toe bijgedragen. Ervaring in het buitenland is goed voor je persoonlijke ontwikkeling, het verbreedt je horizon.
Kennis van andere culturen is van enorme waarde in de internationale zakenwereld.”

Boost
Van Otterdijk is het met hem eens. “Ik heb in ontwikkelingslanden in zowel de publieke als private sector gewerkt – geen gebruikelijke combinatie – en dat heeft mijn carrière een enorme boost gegeven.”
In tegenstelling tot De Vegt heeft hij echter ondervonden dat de voedingsmiddelenindustrie niet altijd boodschap heeft aan buitenlandervaring, vooral als het om ontwikkelingssamenwerking gaat. “Tijdens sollicitatiegesprekken kreeg ik reacties als ‘je hebt de nieuwe ontwikkelingen in de industrie gemist’ en ‘het enige dat je daar hebt opgestoken is mensenkennis’. Dat is echter wel alweer veertien jaar geleden, misschien is de situatie veranderd. Zeker is dat ik mijn buitenlandervaring nu beter weet te verkopen dan toen.”

Reageer op dit artikel