artikel

Transfer database zorgt voor snelle en realistische risicoschatting

Algemeen

Verontreinigd diervoeders zorgden zowel voor grote problemen in de voedselketen als voor maatschappelijke onrust. Of de gezondheid van de consument gevaar liep, kon vaak pas na enige tijd worden vastgesteld. Vandaar dat fabrikanten en controle-instanties daarbij uitgaan van een ‘worst case scenario’. Met als gevolg recalls en/of het vernietigen van landbouwhuisdieren. TNO ontwikkelde daarom een database waarmee deze risico’s sneller en realistischer kunnen worden voorspeld.

Melk met PCB’s en vetten met daarin dioxine in kippenvoer. Het zijn slechts enkele voorbeelden van (de gevolgen van) incidenten met verontreinigd diervoeder. Fabrikanten en voedselveiligheidsinstanties kunnen in dergelijke situaties vaak moeilijk bepalen of de verontreinigde producten ook de gezondheid van consumenten kunnen schaden.

Gegevens over hoe en in welke mate chemische stoffen uit diervoeder terecht komen in dierlijke producten zijn vaak pas beschikbaar na lab- of dierstudies. Daarvoor is bij calamiteiten geen tijd. Het is dus onmogelijk om altijd een precieze inschatting van het risico te maken.

Worst case scenario

Voor de zekerheid gaan onderzoekers/risicomanagers daarom uit van een ‘worst case scenario’: dat contaminanten in het diervoeder geheel door het dier worden geabsorbeerd en vervolgens niet worden uitgescheiden door het dier. Verder gaan zij ervan uit dat een schadelijke stof pas na één week blootstelling een maximaal niveau bereikt in de organen.

Deze benadering leidt tot maatregelen die mogelijk ingrijpender en kostbaarder zijn dan strikt nodig lijken. Denk aan het terughalen van een groot aantal verschillende dierlijke producten. Aan de andere kant kunnen risico’s ook bij een worst case scenario worden onderschat, bijvoorbeeld indien stoffen zich ophopen in bepaalde organen.

Database
TNO-medewerkers constateerden vier jaar geleden dat veel bedrijven en instanties met dit probleem kampten. Ook in het licht van de opkomende discussie over nultoleranties, ontwikkelden zij een ‘transferdatabase voor chemische stoffen’. Deze databank bevat gegevens over onder meer pesticiden, dioxines en furanen, PCB’s, (zware) metalen, mycotoxines, hormonen, diergeneesmiddelen en nitrosaminen.

Op dit moment bevat de database maar liefst 3.600 waarnemingen, afkomstig van ruim 250 wetenschappelijke publicaties. Van elke stof is de ‘transferfactor’ berekend: de verhouding tussen de concentratie van een chemische stof in een dierlijk product en de concentratie van die stof in diervoeder. Bij accumulatie zal een transferfactor van meer dan één worden gevonden.

Met behulp van de transferfactor, consumptiecijfers van dierlijke producten en de maximale aanvaardbare dosis berekent het statistische rekenprogramma of de gezondheid van bevolkingsgroepen gevaar loopt. Binnen een dag is bekend of en zo ja welke dierlijke producten er uit de schappen moeten worden gehaald.

Bij de berekeningen worden voor volwassenen en kinderen aparte diëten en ook portiegroottes aangehouden. Bij een onbekende stof zal er echter geen informatie zijn over eventuele verhoogde risico’s die specifieke bevolkingsgroepen lopen. Het rekenprogramma gaat echter uit van een hoge transfer (op basis van P95). Dat in combinatie met het kijken naar het effect van de grootste consumptieporties, zorgt voor een grote marge die de risico’s voor specifieke groepen (jong/oud enz.) consumenten (voor het grootste deel) zal afdekken.

Voorspellen
De database kan ook worden gebruikt indien de transferfactor van een stof niet bekend is. In dat geval wordt de transferfactor wetenschappelijk voorspeld op basis van de fysisch-chemische eigenschappen van een stof of de chemische groep waartoe een stof behoort.

Vetoplosbare organische verbindingen hebben bijvoorbeeld de neiging tot accumulatie. Daarnaast blijkt dat verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, selenium en zink zich meer ophopen in dierlijke producten dan andere metalen. Zij hebben dus naar verhouding een hoge transferfactor.

De informatie in de database kan verfijnd worden naar chemische groep, dierlijk product, diersoort, periode van voederen en zelfs mate van verontreiniging van het voeder. Tabel 1 laat zien dat de transfer van stoffen naar dierlijk vet en orgaanvlees, zoals nieren en lever, over het algemeen het grootst is. De transfer naar eieren, vlees en melk is relatief laag.

Beleid
De Voedsel en Warenautoriteit (VWA) heeft deze benadering inmiddels opgenomen in haar calamiteitenprocedure. Van iedere bij de VWA gemelde verontreinigde partij diervoeder worden de risico’s hiervan voor de volksgezondheid beoordeeld door het RIVM, het Rikilt, de Animal Sciences Group van de Wageningen Universiteit en TNO. Bedrijven kunnen TNO ook rechtstreeks benaderen met vragen over verontreinigd diervoeder.

De database heeft zijn waarde inmiddels bewezen en een omvangrijke Europese recall voorkomen. De VWA wil de Nederlandse calamiteitenprocedure voor verontreinigd diervoeder op termijn ook voorleggen aan de European Food Safety Authority (EFSA).

Reageer op dit artikel