artikel

Regelingen stimuleren investeringen en innovaties

Algemeen

Veel projecten komen voor subsidie in aanmerking en er bestaan veel verschillende subsidieregelingen en fondsen. De subsidiewereld is een dynamisch, uitgebreid en complex geheel dat voortdurend aan veranderingen onderhevig is. Dit overzicht noemt een aantal belangrijke nationale en regionale regelingen op het gebied van procesefficiency en -innovatie.

Regionale subsidies, nationale regelingen, Europese fondsen. De uitgebreide subsidiewereld bestaat uit veel verschillende, voortdurend veranderende regelingen. De selectie van nationale en internationale regelingen in dit overzicht beperkt zich tot regelingen op het gebied van:

– Investeringsbevordering in een nieuw duurzaam bedrijfsmiddel of in bedrijfsgebouwen;
– Regionale ontwikkeling gericht op regionale versterking door samenwerking, verbetering van bestaande en nieuwe bedrijvigheid;
– Ontwikkeling en innovatie ten behoeve van een nieuw product of nieuwe dienst;
– Duurzame energie en milieutechnologie gericht op het stimuleren van energiebesparing en het gebruik van duurzame energie en milieuvriendelijke energietechnieken.

Belangrijk is dat investeringsplannen ook zonder deze tegemoetkoming realistisch zijn. De regelingen moeten niet leidend zijn, maar bieden een financieel voordeel als beloning voor wenselijk gedrag.

Investeringsbevordering
Investeringen in bedrijfsmiddelen die leiden tot doelmatiger energiegebruik, minder milieuverontreiniging of betere arbeidsomstandigheden kunnen tot 44% fiscaal aftrekbaar zijn van de winst. Voorwaarde is dat de nieuwe bedrijfsmiddelen voorkomen op de EIA-, MIA of FARBO-lijsten (EIA = energie-investeringsaftrek, MIA = mililieu-investeringsaftrek, FARBO = Regeling willekeurige afschrijving Arbo-investeringen). Bepaalde bedrijfsmiddelen die vallen onder de VAMIL (Willekeurige afschrijving milieu-investeringen) kunnen daarbij fiscaal vrij worden afgeschreven. Dit betekent dat de heffing wordt uitgesteld door het naar voren schuiven van de afschrijving, zodat liquiditeit- en rentevoordeel ontstaan. Met ingang van 2005 is de FARBO-regeling omgezet in een subsidieregeling die maximaal 10% van de investering vergoedt, tot maximaal € 25.000.

Daarnaast bestaan aantrekkelijke regionale investeringspremieregelingen (IPR) die vestigings-, uitbreidings- en herstructureringsprojecten ondersteunen waarbij extra arbeidsplaatsen worden gecreëerd. Subsidiabel zijn bijvoorbeeld kosten van bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting (aanschaf, aanpassing en verwerving). De regeling is vaak stapelbaar met andere subsidies tot een bepaald maximum. Veelal worden deze regelingen provinciaal beheerd (kader 1).

Regionale ontwikkeling
Om voor regionale subsidies in aanmerking te komen, moeten projecten aansluiten bij het provinciaal economisch beleid. Dit zijn bijvoorbeeld projecten gericht op:

– stimulering van bestaande economische activiteiten, zoals versterking van MKB- kennisinfrastructuur of stimulering van kennisintensieve sectoren;
– optimalisering van de bedrijfsomgeving, zoals bereikbaarheid, herstructurering en vernieuwend ruimtegebruik;
– stimulering van nieuwe economische activiteiten, zoals (door-)startende ondernemingen;
– samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs ter verbetering (kader 1).

Ontwikkeling en innovatie
Voor innovatie tot stand gebracht binnen het eigen bedrijf geeft de overheid fiscale steun via de WBSO-regeling. Hiervoor komen technisch wetenschappelijk onderzoek en ontwikkelingsprojecten van producten, processen of programmatuur in aanmerking.

De innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten (IS) heeft tot doel bevordering van nationale en internationale technologische samenwerking. De regeling is gericht op samenwerking tussen ondernemingen onderling en samenwerking tussen ondernemingen en openbare onderzoeksinstellingen. De subsidie ligt tussen 25 en 50% van de projectkosten. Deelname van een kennisinstelling of een internationale partner geeft 10% extra subsidie, evenals deelname van MKB-ondernemers in een samenwerkingsverband. De beoordelingscriteria zijn technologische innovatie, samenwerking, duurzaamheid en economisch perspectief.

Binnen het Co-innovatieprogramma Duurzame agrofoodketens werken onderzoekers samen met het bedrijfsleven aan het oplossen van de kennisvraagstukken binnen pilotprojecten. Die zijn gericht op de ontwikkeling van kennis en innovatie, niet op de implementatie daarvan. Voor pilots binnen het thema transportbesparing is nog budget, andere thema’s zijn inmiddels uitgeput.

Duurzame energie en milieutechnologie
De verscheidenheid aan subsidieregelingen met betrekking tot duurzaam energiegebruik is groot. Veel van de eerder genoemde regelingen zijn ook toepasbaar op duurzaam energiegebruik. Specifieke regelingen zijn de Energie Onderzoek Subsidie (EOS), het Programma Transportbesparing en het CO2-reductieplan.

De EOS-regeling bevat een onderzoeksdeel en een investeringsdeel. Voor veel bedrijven is de investeringsregeling EOS:Demo het meest interessant. Doel is energiebesparing en/of toename van het gebruik van duurzame energie door toepassing van nieuwe technologieën in een realistische gebruiksomgeving.
Het Programma Transportbesparing wil het aantal tonkilometers beperken en zo de groeiende milieubelasting en een verdere verstopping van de wegen een halt toeroepen. Bedrijven worden gestimuleerd tot innovaties op het gebied van transportpreventie, bijvoorbeeld beperking van het te verplaatsen volume en/of gewicht, beperking van de afstand van de te vervoeren goederen en nadrukkelijk ook niet-logistieke verbeteringen. Zowel haalbaarheidsprojecten, demonstratieprojecten als kennisoverdrachtprojecten kunnen worden ingediend. De Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer richt zich via verschillende uitvoeringsprogramma’s op de vermindering van de CO2-uitstoot door verkeer in Nederland. Daarbij gaat het om het stimuleren van nieuwe technieken, methoden en werkwijzen. De regeling richt zich op investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten die leiden tot een reductie van goederen- en personenvervoer.

Het subsidieprogramma Milieu & Technologie bestaat uit de onderdelen Technologie in de markt, Toepassen in de praktijk en Samenwerken (nieuw onderdeel in 2005). Het stimuleert de ontwikkeling, demonstratie en toepassing van innovatieve milieugerichte technologie in het industriële MKB in Nederland. Project of samenwerking moet gericht zijn op het terugdringen van milieuvervuiling.

Op het Nederlandse net aangesloten producenten die een productie-installatie voor duurzame of klimaatneutrale elektriciteit instandhouden of beheren en op het Nederlandse net aangesloten producenten die elektriciteit opwekken met een warmtekrachtkoppeling (wkk) kunnen gebruik maken van de MEP, een regeling die duurzaam opgewekte elektriciteit stimuleert. Voorbeelden zijn elektriciteit opwekken uit biomassa of het gebruik van een warmte/krachtinstallatie.

Europese regelingen
In Europees verband organiseert en ondersteunt het KP6-programma de samenwerking tussen bedrijven, onderzoekscentra en universiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie. Activiteiten vinden plaats binnen thematische onderzoeksgebieden, zoals Voedselveiligheid en risico’s voor de gezondheid. De EU wil vooral het MKB ondersteunen met specifieke regelingen voor collectief en coöperatief onderzoek (CRAFT).

De plannen voor KP7, de opvolger van KP6, zijn op 7 april gepresenteerd. Het thema Voedselveiligheid is in KP7 uitgebreid tot ‘Food, Agriculture and Biotechnology’. Doelstelling is om een Europese, op kennis gebaseerde ‘bio-economie’ te ontwikkelen. De term bio-economie omvat hierbij alle industrieën en economische sectoren die zich bezighouden met productie, management en verwerking van biologische hulpbronnen (bijvoorbeeld landbouw, visserij, levensmiddelenindustrie en bosbouw). Het totale budget voor ‘Food, Agriculture and Biotechnology’ is voorgesteld op € 2,5 miljard, verdeeld over zeven jaar. Ter vergelijking: het budget van Food Quality and Safety in KP6 was € 650 miljoen over vier jaar.

Zelf doen of uitbesteden?
Zelf doen of hulp van een adviseur inroepen? Dat zijn de twee mogelijke wegen bij subsidieaanvragen. Een adviseur bespaart tijd en risico. Hij kan adviseren over andere minder voor de handliggende subsidiemogelijkheden, maar hij brengt ook kosten in rekening. Een vrijblijvend oriënterend gesprek is een belangrijk hulpmiddel om te onderzoeken of de deskundigheid en werkwijze van de adviseur (uurtarief of ‘no cure no pay’) aansluiten bij de vragen van het bedrijf.

Reageer op dit artikel