artikel

Chemische gevaren in de zuivelketen: Ketenstudie Rikilt WUR geeft antwoorden

Algemeen

Chemische gevaren in de zuivelketen: Ketenstudie Rikilt WUR geeft antwoorden

Welke chemische gevaren zijn het belangrijkste in de zuivelketen? Hoe worden deze gevaren in de keten geïntroduceerd? En wat is ertegen te doen? Die vragen zijn beantwoord in een ketenstudie van Rikilt Wageningen University & Research in opdracht van NVWA-BuRO. De belangrijkste resultaten op een rij. Dit artikel is verschenen in VMT 12 van 19 oktober.

Omdat de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) haar controles zoveel mogelijk risico-gebaseerd wil uitvoeren, is en wordt een groot aantal studies uitgevoerd naar mogelijke voedselveiligheidsgevaren in voedselketens.

Het Rikilt richt zich daarbij op de chemische en fysische gevaren, terwijl andere onderdelen van Wageningen University & Research (WUR) en het RIVM kijken naar microbiologische diergegevaren, fraude en dierenwelzijn.

De studies dienen als basis voor advies van de NVWA aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de monitoring. Een aantal studies en adviezen, waaronder die over de zuivelketen, is inmiddels openbaar gemaakt.

De zuivelketen

In de zuivelketen komen microbiologische gevaren het meest voor, gevolgd door chemische en – als laatste – fysische gevaren (figuur 1).

hazards at the farm vmt 12
Figuur 1. Overzicht van microbiologische (blauw), chemische (paars) en fysische gevaren (groen) voor melkproductie op de boerderij. De belangrijkste voedselveiligheidsgevaren zijn
dikgedrukt weergegeven.

De belangrijkste chemische gevaren zijn aflatoxine M1, dioxines en dioxine-achtige verbindingen en residuen van diergeneesmiddelen. Die gevaren kunnen op de boerderij worden geïntroduceerd via besmet krachtvoer of kuilvoer, doordat koeien grazen op besmet land of door toediening van diergeneesmiddelen.

Verdere verwerking van zuivel heeft over het algemeen weinig effect op die contaminanten, alhoewel soms verdunning kan optreden met niet besmette melk. Verder kan soms ophoping optreden, bijvoorbeeld van vetoplosbare verbindingen als dioxinen en PCB’s in boter, en van aflatoxine M1 in harde kazen.

De risico’s van de gevaren voor de consument zijn ook beoordeeld. Geconcludeerd is dat de humane blootstelling aan diergeneesmiddelen via zuivelproducten verwaarloosbaar klein is.

Indien de concentratie aflatoxine M1 in zuivelproducten 10 keer boven de EU-limiet ligt, zijn gezondheidseffecten niet uit te sluiten. Dit komt echter bijna niet voor. Verder draagt melk voor een belangrijk deel bij aan de chronische blootstelling aan dioxines en PCB’s.

Onderzoek in andere ketens Naast de zuivelketen heeft het Rikilt andere ketens onderzocht: die voor consumptie-eieren, pluimveevlees, aardappelen en vis. De rapporten over eieren en pluimveevlees zijn inmiddels openbaar (zie onderaan dit artikel, red.). In eieren zijn dioxinen en dioxine-achtige PCB’s het belangrijkste chemische gevaar. In pluimveevlees gaat het ook om dioxinen en dioxine-achtige PCB’s, en om (verboden) diergeneesmiddelen (vooral antibiotica).

Aflatoxine M1

Via het voer kan melk besmet raken met mycotoxinen – gifstoffen die door schimmels worden aangemaakt ‒ zoals aflatoxinen, ochratoxine A, fumonisinen, trichothecenen, zearalenon en cyclopilazonzuur.

De humane blootstelling via zuivelconsumptie aan deze verschillende schimmelgifstoffen is het grootste voor aflatoxinen. Dat schrijven de Rikilt-onderzoekers in hun rapport over de zuivelketen (gebaseerd op monitoringdata en literatuuronderzoek).

Daarom heeft de Europese Unie (EU) alleen voor aflatoxinen een maximumlimiet vastgesteld voor zuivelproducten. Droge opslag en transport van diervoedergrondstoffen zijn essentieel om de groei van Aspergillus-schimmels, en daarmee de aflatoxineproductie, te voorkomen.

Besmetting blijkt vooral te worden veroorzaakt door import van veevoedergrondstoffen van buiten Europa. Maar in zeer hete en droge seizoenen kan besmetting ook in Zuid-Europa de kop op steken, zoals in 2013 in maïs uit de Balkan (Servië).

Overigens zijn er ook boeren die zelf hooi en gras inkuilen. Er kunnen dan ook mycotoxinen worden gevormd. Maar geen aflatoxinen: daarvoor is het (nu nog) te koud in Nederland. Aflatoxine B1 is giftig en kankerverwekkend. Als koeien met aflatoxine B1 besmet voer binnenkrijgen, wordt het schimmeltoxine deels omgezet in aflatoxine M1, dat vervolgens in de melk terechtkomt.

In het algemeen zijn de aflatoxine M1-concentraties in Europese melk laag, aldus het rapport: circa 0,06% van de 12.000 monsters overschreed de Europese limiet van 0,05 μg/kg melk. Bij een incident met besmette melk uit Italië in 2003 zaten echter duizenden tonnen melk boven deze grenswaarde.

Bij de besmette maïs uit de Balkan in 2013 kwam het zover niet. “En sinds dat incident is er meer samenwerking tussen de diervoedersector en de melksector”, zegt Rikilt-onderzoeker dr. ir. Esther van Asselt.

Diervoederfabrikanten (verenigd in SecureFeed) en zuivelproducenten (verenigd in de NZO) geven monitoringsgegevens nu sneller aan elkaar door. En dat is belangrijk om overschrijdingen te voorkomen, en snel op te kunnen treden in geval er onverhoopt toch overschrijdingen zijn.

Bij de monitoring voor aflatoxinen worden steekproeven genomen van veevoedergrondstoffen, bijvoorbeeld bij binnenkomst in containers in de haven. “Het probleem is echter dat lokaal in de partij hoge concentraties aflatoxinen worden gevormd”, zegt Van Asselt.

“Aspergillus groeit op plekken waar het lekker warm is: zo ontstaan hotspots. Je moet dus op verschillende plekken in partijen grondstoffenmonsters nemen. Daarbij kun je gerichter zoeken, als je op basis van weersomstandigheden kunt voorspellen in welke landen of gebieden en transportroutes de kans op toxinevorming het grootst is.”

Van Asselts collega dr. ir. Ine van der Fels-Klerx werkt aan zulke voorspellende modellen.

Milieucontaminanten

Het milieu kan vervuild zijn door een brede range aan persistente contaminanten, zoals dioxines, PCB’s en gebromeerde vlamvertragers. Via het voer of het gras kunnen deze stoffen in de koe, en vervolgens in de melk terechtkomen.

Voedselinnameberekeningen voor de mens laten zien dat er geen toxicologische grenswaarden worden overschreden voor deze milieucontaminanten.

Zuivelproducten, waarin milieucontaminanten wel aanwezig zijn, dragen voor de meeste stoffen slechts voor een klein deel bij aan de totale humane inname vanuit voedsel. Alleen voor dioxinen en dioxine-achtige PCB’s levert zuivel een relatief grote bijdrage (circa 30%).

In 2014 is berekend dat de gemiddelde blootstelling aan deze stoffen via de melk niet boven de toxicologische grenswaarde uitkwam.

Vlamvertragers worden onder meer gebruikt in plastics en textiel. Ze zijn net als dioxinen en PCB’s alom aanwezig in het milieu en kunnen zich ophopen in veevoer en voedingsmiddelen voor de mens.

Onderzoek wijst vooralsnog uit dat dit over het algemeen geen gezondheidsrisico’s oplevert, behalve voor jonge kinderen die soms een hoge blootstelling hebben aan bepaalde vlamvertragers.

Procescontaminanten

Alhoewel de meeste chemische gevaren dus op de boerderij de keten binnenkomen, kunnen ook tijdens de melkverwerking chemische gevaren ontstaan. Maillard-producten zijn daarbij een punt van aandacht.

Bij de verhitting van melk kunnen lactose en eiwitten met elkaar reageren en contaminanten vormen, zoals carboxymethyllysine (CML). De vorming ervan neemt toe bij langere verhitting bij hogere temperatuur, en wordt ook beïnvloed door de verhouding wei-caseïne-eiwit en het lactosegehalte.

Een recent onderzoek in de Europese Unie laat zien dat CML-gehalten in zuigelingenvoeding sterk variëren. Dit kan komen door de gebruikte sterilisatietechnieken en de samenstelling van de melk.

Momenteel is het door het ontbreken van gegevens niet mogelijk het risico van de inname van CML en soortgelijke verbindingen via de voeding vast te stellen.

Voorkomen

De boerderij en de veevoederfabrikant zijn dus de belangrijkste schakels in de keten voor monitoring van chemische gevaren.

De onderzoekers schrijven dat de chemische gevaren zijn te voorkomen of te reduceren door kwaliteitssystemen, zoals GLOBAL GAP (Good Agricultural Practices) op de boerderij en HACCP bij de melkverwerking, toe te passen.

Onderzoeker Van Asselt raadt producenten echter aan verder te kijken dan het papierwerk: “Je moet als fabrikant goed weten waar je grondstoffen vandaan komen en hoe ze zijn vervoerd. Vraag daarom recente monitoringsgegevens op en ga zelf ook eens onaangekondigd kijken bij je toeleveranciers.”

REFERENTIES

Reageer op dit artikel