artikel

Toekomst opsporen ggo’s onduidelijk

Algemeen

Toekomst opsporen ggo’s onduidelijk

Genetisch gemodificeerde organismes (ggo’s) zijn kwalitatief en kwantitatief op te sporen met PCR, sequentie-analyse en droplet digital PCR. Dat geldt voor zowel de goedgekeurde als de niet tot de Europese Unie toegelaten plantaardige en dierlijke producten. Nieuwe technieken als Crispr-Cas maken de toekomst diffuus, al lijken bestaande technieken voldoende perspectief te bieden voor een goede controle. Dit artikel is verschenen in VMT 1 van 26 januari 2018.

Wereldwijd wordt er een toenemend aantal genetisch gemodificeerde organismes (ggo’s) verbouwd, waaronder soja, maïs, koolzaad en aardappel. Het areaal bedroeg in 2016 al meer dan 185 miljoen hectare. Inmiddels zijn al veel van deze gewassen toegelaten voor import in de Europese Unie en verwerking in voedsel en diervoeders. Ze zijn beoordeeld op hun veiligheid voor mens, dier en milieu en geregistreerd in het gmo-register. De producten moeten wel geëtiketteerd worden. Op elke grondstof en op elk halffabricaat en consumentenproduct moet per ingrediënt worden aangegeven of ze ggo-componenten bevatten. Dat dient uitsluitend de keuzevrijheid van consument, ze zijn immers al beoordeeld als veilig. Niet-toegelaten ggo’s die nog niet beoordeeld zijn, mogen niet voorkomen in producten op de Europese markt.

Controle ggo-etikettering

Een partij die als ggo-vrij geëtiketteerd is, mag maximaal 0,9 procent per ingrediënt ggo bevatten, mits dit onbedoeld is en technisch niet te vermijden, bijvoorbeeld door kruisbestuiving op de akker of versleping in de productieketen. In bijvoorbeeld een product waarin soja is verwerkt, kunnen verschillende soja-ingrediënten voorkomen, zoals sojameel, -olie en -lecithine. Met analysemethodes is aan te tonen of er materiaal afkomstig van ggo- soja in het product voorkomt en om welk percentage het gaat. Voor handhaving van deze regelgeving bij een groeiend aantal ggo’s en voor het aantonen van niet-toe gelaten ggo’s zijn praktische en kosten efficiënte detectiemethodes nodig.

Routinematige controle met PCR

Voor de handhaving van ggo-regelgeving worden producten gescreend op de aanwezigheid van een toenemend aantal veel voorkomende ggo-elementen op basis van PCR’s – polymerase chain reactions. Een ggo-element is een kenmerkend stukje dna, afkomstig van een ggo. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ggo-elementen die duiden op de aanwezigheid van een ggo in het algemeen en dna-fragmenten die specifiek één bepaald ggo kunnen identificeren. Deze laatste elementen zijn echter vrijwel uitsluitend beschikbaar voor toe gelaten ggo’s en hebben dus minder toegevoegde waarde voor het aantonen van niet-toegelaten ggo’s.

Toenemende analysekosten

Omdat het aantal ggo’s toeneemt, zijn er steeds meer analyses nodig, waardoor de analysekosten per product in de toekomst kunnen stijgen. Daarom werken Europese handhavingslaboratoria, waaronder Rikilt Wageningen University & Research, aan nieuwe screeningsmethodes. Een daarvan is een methode waarbij de relevante ggo-dnafragmenten eerst worden vermenigvuldigd, waarna de dna-sequentie wordt bepaald op basis van een geautomatiseerde dna-analyse- pijplijn. Deze deels geautomatiseerde analyse kan op termijn veel tijd en geld gaan besparen wanneer het valideren van methodes achterwege kan blijven.

Kwantificeren van ggo’s

Om goed te kunnen vaststellen wat de exacte hoeveelheid ggo in een voedingsproduct is, wordt ggo-referentiemateriaal als vergelijking gebruikt. Dit is verkrijgbaar samen met een certificaat dat het ggo-percentage vermeldt. Op basis daarvan kunnen ggocomponenten worden gekwantificeerd. Dit kan door een kwantitatieve PCR, waarbij de kalibratie gedaan wordt op basis van de referentiematerialen. Sinds kort kan dit kwantificeren nog preciezer met droplet digital PCR (ddPCR). Hierbij vindt de PCR-reactie plaats in individuele emulsiedruppels. Door het PCR-signaal per druppel te meten, kan uiteindelijk de hoeveelheid ggo-dna in het uitgangsmateriaal, het voedingsproduct, worden vastgesteld. Bij een gewone kwantitatieve PCR kunnen in het voedingsmiddel aanwezige suikers en vetten nog wel eens remmend werken. Bij ddPCR worden deze inhiberende factoren zover verdund dat ze geen remmend effect meer hebben. Daardoor is de ggo-component nauwkeuriger te meten.

Aantonen onbekende ggo’s

Soms worden er tijdens de screening bepaalde combinaties van ggo-elementen gevonden die niet te verklaren zijn door bekende, toegelaten ggo’s. Dat zou een indicatie kunnen zijn voor de aanwezigheid van niet-toegelaten ggo’s in het product. Vervolgonderzoek is dan nodig, waarbij meer in detail wordt gekeken naar de dna-sequentie. Nagegaan wordt dan of het mogelijk is om een gelinkt ggo-specifiek element te vinden waarmee de ggo kan worden geïdentificeerd. Daarbij wordt vanuit het gevonden ggo-element in twee richtingen de dna-sequentie bepaald van het aanliggende gebied. In het Europese Decathlonproject (www.decathlon-project. eu) is hiervoor een efficiënte methode ontwikkeld die dit omringende dna zeer gericht in kaart brengt. Daardoor kunnen niet-toegelaten ggo’s eenvoudiger worden aangetoond.

Snel en tegen lagere kosten

De dna-sequentie wordt tot nu toe bepaald met dure apparatuur van ruim 50.000 euro exclusief randapparatuur en vergt relatief veel tijd: een enkele analyse kan al snel weken duren. Afgelopen jaar is daarom geëxperimenteerd met de handzame MinION dna-sequencer. Deze mini-sequencer heeft de grootte van een forse USB-stick. Het apparaat kost een paar duizend euro en kan worden gekoppeld aan een laptop, waarmee het mogelijk is om snel en tegen lagere kosten de dna- sequentie van een onbekend ggo vast te stellen. Het lijkt erop dat de nauwkeurigheid van deze nieuwe generatie dna-sequencers al voldoende is, ook voor deze toepassing, om ggo’s te identificeren. Dit kan de handhaving van ggo-regelgeving vereenvoudigen en ervoor zorgen dat de handhaving ook op termijn betaalbaar blijft.

Nieuwe veredelingstechnieken

Op dit moment gaan de ontwikkelingen in de plantenveredeling en dierfokkerij snel: nieuwe methodes maken het mogelijk om veranderingen in het genetisch materiaal aan te brengen die nog veel subtieler zijn dan bij de ggo’s die nu op de markt zijn. De Crispr-Cas-technieken zijn daarbij de belangrijkste. Deze subtiele veranderingen zullen in veel gevallen wel op te sporen zijn, maar het is waarschijnlijk moeilijk of onmogelijk nog vast te stellen met welke technieken de genetische veranderingen zijn bewerkstelligd. Dit laatste is van belang wanneer de regelgeving gebaseerd blijft op de gebruikte techniek, zoals op dit moment het geval is. Nu is nog niet duidelijk hoe deze nieuwe technieken worden gereguleerd in Europa. Zodoende is ook nog niet duidelijk welke technieken nodig zijn voor de handhaving van deze regelgeving op termijn. Tegelijkertijd bieden de hier beschreven methodes gezamenlijk wel een goede basis om de regelgeving ook op termijn te kunnen handhaven voor die toekomstige producten of ingrediënten die al dan niet op basis van veiligheidsoverwegingen als ongewenst moeten worden beschouwd.

Reageer op dit artikel