artikel

‘Problemen identificeren, analyseren en oplossen!’

Algemeen

Nu al weer bijna twee jaar geleden volgden Frank Devlieghere en Mieke Uyttendaele hun leermeester professor Debevere op bij het Labo voor levensmiddelenmicrobiologie en –conservering. Wie zijn zij en hoe luiden hun plannen voor de nabije toekomst? Onderzoek wordt breed opgezet en, studenten breed geschoold. “Specialisten opleiden? Ondenkbaar in de Belgische context!”

Een autoriteit als prof. dr. ir. Johan Debevere opvolgen is geen dankbare taak. Toch namen prof. Frank Devlieghere en Mieke Uyttendaele die uitdaging destijds aan. Binnen de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen, waar hun lab deel van uitmaakt, werden zij met argusogen gevolgd. “Het is natuurlijk ook best uniek dat twee mensen die beide ambitie hebben een groep leiden”, erkent Devlieghere.

Uyttendaele vult hem aan, zoals Devlieghere ook bij haar tijdens het gehele gesprek zal doen: “Wij hebben onder Debevere de tijd gehad om in ons vak te groeien en onze koers uit te zetten. Daarmee zijn we de afgelopen jaren doorgegaan. Natuurlijk heeft men daar naar gekeken, maar wij zijn daar alleen maar sterker van geworden. Ons vakgebied is ook breed genoeg om daarbinnen ieder zijn eigen specialismen te ontwikkelen.”

Taakverdeling
Uit hun verdere betoog blijkt dat Uyttendaele zich richt op overheid en voedselveiligheid, terwijl Devlieghere zijn aandacht verdeeld over universiteitszaken, bedrijfsleven en bederf.

Uyttendaele: “Ik richt mij meer op microbiologische analysemethoden en voedselveiligheid en overleg in dat verband veelvuldig met overheden, ons federaal agentschap FAVV (Belgische VWA, red.), EFSA en ISO-werkgroepen. Verder bezoek ik vooral de internationale congressen, enerzijds om ons onderzoek daar te presenteren, anderzijds om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen elders.”

Devlieghere: “Ik focusseer mij op onderzoek naar hoe milde conserveertechnieken ingrijpen op microbiële bederfmechanismen en in het verlengde daarvan de houdbaarheid en veiligheid van het product. Daarvoor heb ik intensief contact met de industriële bedrijven. De belangen van industrie en overheden lopen lang niet altijd parallel. Om dat in één persoon te verenigen, is vrijwel niet te doen en soms niet geloofwaardig.

Verder richt ik mij op beleidsmatige zaken binnen de universiteit. Ik ben voorzitter van de vakgroep Voedselveiligheid & voedselkwaliteit en ook van Food2Know. Dat laatste is een samenwerkingsverband tussen onderzoeksgroepen waarin onder andere alle dertig labo’s die binnen de Universiteit Gent werken aan voedingsmiddelen in de gehele productieketen zijn ondergebracht. Recent is daarvoor Benedikt Sas als manager aangesteld.”

Wetenschap
Hun tegenhanger in Nederland is de leerstoelgroep Microbiologie van Marcel Zwietering aan Wageningen Universiteit en Research. Maar van een vergelijking willen mijn gesprekspartners niets weten.

Devlieghere: “Wij doen hier wetenschappelijk onderzoek met dien verstande dat op de middellange tot lange termijn de kennis toepasbaar moet zijn in de voedingsmiddelensector. Denk aan bederforganismen. We hebben bijvoorbeeld de biochemische pathways ontrafeld van visbedervende micro-organismen. Je kunt zelfs kijken naar welke genen waarvoor verantwoordelijk zijn. Maar uiteindelijk moet de doelstelling zijn dat wij met die kennis een beter en effectiever conserveringssysteem ontwikkelen.”

Uyttendaele: “Wij moeten problemen identificeren, analyseren en oplossen. Dat is de kern van onze vakgroep. Wij noemen ons ingenieurs van de levende materie. Daarbij is het bijbrengen van probleemoplossend vermogen essentieel.”

Devlieghere: “Indien gewenst kunnen wij altijd terugvallen op fundamentele kennis. Deels hebben wij die zelf opgebouwd, deels kunnen wij daarvoor terecht bij onze collega’s van de faculteit Wetenschappen. Dat is tegelijkertijd het verschil tussen ons en hogescholen, waar dat veel moeilijker kan. Het is de combinatie van fundamentele en toegepaste kennis die ons uniek maakt.
Ik denk ook dat het zoeken naar oplossingen voor praktijkproblemen een belangrijk onderscheid is met bijvoorbeeld onze collega’s in Wageningen.

In Nederland zijn daar de onderzoeksinstituten voor. Bij de universiteit ligt het accent meer op fundamenteel onderzoek, waarmee zij vaak stoppen op het moment dat daarover is gepubliceerd. Hier in België hebben wij als universiteit de maatschappelijke verantwoordelijkheid om ook naar directe oplossingen voor de industrie en de overheid te zoeken.”

Breed
Een ander belangrijk verschil met bijvoorbeeld Wageningen is dat Gent de studenten een zeer brede scholing geeft. Zo krijgen studenten de eerste twee jaar een brede basiskennis dankzij vakken als wiskunde, natuurkunde, scheikunde, proceskunde, colloïdchemie, bodemkunde, maar ook economie.

Devlieghere: “Die stof halen we niet zo maar even aan, daarvoor leggen we een serieuze basis. Pas in het derde jaar gaan de studenten zich enigszins specialiseren, maar je kunt dat niet vergelijken met het buitenland. Bij ons gaat het meer om een eerste oriëntatie. In Wageningen heb je studenten die zich compleet specialiseren in kwaliteitszorgsystemen.” Met enige stemverheffing: “Dat is bij ons ondenkbaar! Dat is slechts één van de vele aspecten die een afgestudeerde moet kennen als hij in een voedingsmiddelenbedrijf komt.”

Uyttendaele: “Dan heb je juist het eerder geschetste brede kennispakket nodig om gans het proces te kunnen evalueren.”

Pathogenen
Devlieghere: “Illustratief voor de brede opzet van onze opleidingen is ook dat wij ons niet alleen richten op één of enkele pathogenen zoals vaak buitenlandse labo’s doen, maar breed op alle pathogenen. Tegelijkertijd hebben wij zeker zoveel aandacht voor de niet-pathogenen. Voor de voedingsmiddelenindustrie is bederf kolossaal belangrijk.

Specialisten zijn alleen voor de hele grote bedrijven interessant. Het gros van de Belgische voedingsmiddelenindustrie bestaat uit klein en middelgrote bedrijven. Die kunnen zich niet overal specialisten veroorloven, maar willen in de eerste plaats mensen die breed inzetbaar zijn.”

Studenten
Omdat de bachelor-opleidingen dwars door alle organisatorische eenheden heen lopen, is het moeilijk een goed beeld te krijgen van het aantal studenten. Uyttendaele: “Wij zitten niet graag in hokjes.”

Devlieghere: “Aan de faculteit studeren jaarlijks zo’n drie, vierhonderd mensen af. Bij de masteropleidingen kennen wij zeven richtingen, waarvan vier pas in het tweede jaar zijn. Dit jaar zijn er ongeveer twintig studenten begonnen aan onze master Levensmiddelenwetenschappen en Voeding.

Een master als Chemie en Bioprocestechnologie telt vijfenzestig studenten, afkomstig uit allerlei richtingen. Levensmiddelen lijken niet zo sexy voor de studenten als bijvoorbeeld ‘groene’ energie”

Daarnaast telt de Universiteit Gent ook drie internationale, Engelstalige voedingsgerelateerde masteropleidingen: ‘Nutrition and Rural development’, ‘Food technology’ en ‘Aquaculture’. In totaal nemen daaraan zo’n 150 studenten deel. “Ons labo omvat zo’n veertig mensen, waarvan vijftien doctoraalstudenten. Evenzoveel mensen voeren opdrachten voor de industrie en overheid uit. De overigen zijn, behalve wijzelf, veelal ondersteunend personeel”, aldus Devlieghere.

Accenten
De vraag of zij de afgelopen twee jaar belangrijke veranderingen in gang hebben gezet, ontkennen beiden met klem. Dat zou te veel afbreuk doen aan hun voorganger. “Debevere heeft ons destijds nadrukkelijk bij het beleid van het labo betrokken en de laatste jaren steeds meer aan ons overgelaten. Hij wilde altijd met specialisten werken, nauw met het bedrijfsleven samenwerken en vond aandachtsgebieden als bederf en wetgeving erg belangrijk. Dat geldt nog steeds.”

Uyttendaele: “Natuurlijk is de kennis enorm toegenomen, en daarmee ook de onderzoeksvragen. Denk aan het inzicht in stamvariabiliteit, maar bijvoorbeeld ook kennis van het genoom. Ons werk is complexer en specialistischer geworden. Daarin moeten wij meegaan. Zo heb ik het analytische onderzoek uitgebreid tot voedselveiligheid met daarbij aandacht voor kwantitatieve modellen en risicoanalyses maar ook het insluiten van biologische variabiliteit. Ook Frank heeft dat bij bederf gedaan en dat smeden wij tot een geheel kneden door nauw samen te werken.”

Devlieghere: “Ook zoeken wij steeds meer samenwerking met andere deelwetenschappen. Een voorbeeld is de chemische analyse die je nodig hebt om uiteindelijk bepaalde microbiologische zaken, denk aan de vorming van metabolieten, te begrijpen.

Daarnaast doen we grotere projecten één op één met bedrijven, waarbij het bedrijf in feite de doctoraalstudent betaalt.”

Aio’s
Gevraagd naar onderzoeksvragen waar zij graag een aio voor willen aanstellen, antwoordt Devlieghere met: “Onderzoek naar milde conservering en de invloed daarvan op zowel veiligheid als bederf en hoe je die met behulp van de verpakking kunt beheersen, groeit heel duidelijk. Enkele jaren geleden hebben wij in Pack4Food de verpakkingskennis van zes kennisinstellingen gecentraliseerd. Producten worden complexer geformuleerd en verpakt, denk ook aan bioplastics.

Hetzelfde geldt voor de manieren waarop kwaliteit en veiligheid zijn te beheersen. Wij proberen daarom steeds meer kennis op te bouwen en te onderbouwen met kwantitatieve methoden: voorspellende modellen of risicoanalyse. Wij beschouwen het als onze missie om overheden en industrie meer met dergelijke modellen te laten werken.

Uyttendaele: “Bij de vers gesneden producten zoals groente en fruit willen we de primaire productie meer bij het onderzoek betrekken; de invloed van de teelt op de uiteindelijke productkwaliteit van het gesneden product is kolossaal.

Dat is voor ons labo nieuw. Het is het onderwerp van een Europees project VEG-i-TRADE, gecoördineerd door ons labo, dat in 2010 van start gaat. Hierbij verruimen we het werkveld ook naar de kwaliteit van water dat gebruikt wordt in de voedselketen en de impact van globalisering en klimaatswijziging op de voedselveiligheid. Dit zijn aspecten waar de overheid een toenemende interesse in heeft.”

Beperking
Gezien de ambities van beiden en hun plannen lijkt het labo in de toekomst te groeien. De werkelijkheid blijkt anders.

Uyttendaele: “Over vijf jaar willen we op hetzelfde niveau zitten als nu. Wij kunnen niet veel meer onderzoek aan, zowel wat betreft de beschikbare onderzoeksruimte als het aantal doctoraalstudenten dat wij samen kunnen begeleiden. We beginnen nu de vruchten te plukken van onze tien jaar investering in kennis en krijgen daarvoor internationaal ook erkenning.”

Devlieghere: “We willen de beste buitenlandse doctoraalstudenten aantrekken en dat begint nu realiteit te worden.” Op mijn plagend bedoelde tegenwerping dat die toch allemaal naar het in de Food Valley gelegen Wageningen gaan, repliceert Uyttendaele met vlammende ogen: “Laten ze maar naar Nederland gaan, maar als ze inhoudelijk sterk maar toegepast onderzoek willen, dan moeten ze toch echt naar België komen.”

Reageer op dit artikel