artikel

‘Niet van wieg tot graf, maar van wieg tot wieg’

Algemeen

Al Gore staat inmiddels symbool voor het toegenomen milieubewustzijn in samenleving en bedrijfsleven. In de voedingsmiddelenindustrie zijn publiekprivate samenwerking en de groeiende invloed van commerciële stakeholders factoren die de aandacht voor het milieu vergroten, stelt Derk-Jan Haverkamp in zijn promotieonderzoek uitgevoerd bij de Wageningen Universiteit. “We moeten toe naar ketengerichte milieuzorg.”

“Nee”, zegt Haverkamp, “Nederlandse voedingsbedrijven doen het niet slecht op milieugebied als je het vergelijkt met andere bedrijven. Zo wordt 60% van de verpakkingen en 90% van het restafval gerecycled en dat zijn hoge percentages. Maar toch, het milieu wordt een steeds belangrijker issue en niet alle bedrijven doen er evenveel aan en waarom niet?”, vraagt hij zich af.

Volgens de onderzoeker, op dit moment milieuconsultant bij Environ, zorgt de voedingsmiddelenindustrie met onder andere zijn energie- en waterverbruik voor een behoorlijke milieudruk. Hoewel binnen bedrijven maatregelen genomen worden om het milieu te ontlasten, speelt dit onderwerp bij het maken van strategische beslissingen op productgebied nauwelijks een rol.

Commerciële stakeholders
Welke actoren beïnvloeden de aandacht voor milieumanagement en hoe kan dit het beste worden gestimuleerd?, wilde Haverkamp weten. Om hier achter te komen mat hij in de periode 2002-2005 de ontwikkeling van milieumanagement in 20% van de voedingsmiddelenbedrijven, van klein tot groot. Op basis van de resultaten konden vier groepen onderscheiden worden: bedrijven met een beperkte milieubelasting die niet meer doen dan zich houden aan de wettelijke voorschriften, bedrijven die onder hoge druk van toeleveranciers staan om iets aan het milieu te doen, maar nog niet genoeg milieumanagementcapaciteiten hebben, ondernemingen die veel aan milieu doen en dit niet weten te vermarkten en tot slot de groep die hier veel aan doet en dit juist wel weet te vermarkten. “Het is de uitdaging voor bedrijven om te presteren als de vierde groep”, zegt Haverkamp.

Een van de voornaamste conclusies in het proefschrift ‘Milieumanagement in de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie’ luidt dat de invloed van commerciële partijen als banken, verzekeraars maar ook toeleveranciers en afnemers is toegenomen. “Zij gaan meer interesse in milieu tonen. Iemand als Al Gore zet dit onderwerp op de agenda. Kijk naar banken. Ze worden onder druk gezet door maatschappelijke groeperingen, zoals Milieudefensie, om iets aan milieu te doen. Toen bekend werd dat ABN Amro investeerde in milieuonvriendelijke projecten heeft dit de bank wel klanten gekost. Dus commerciële stakeholders willen niet geconfronteerd worden met vervuilende bedrijven. Dit is slecht voor hun imago.”

Samenwerking overheid
Naast de commerciële organisaties, speelt ook de overheid nog een aanzienlijke rol bij het milieubeleid van vooral kleine ondernemingen. Haverkamp: “Publiekprivate samenwerking is een effectief overheidsinstrument, in de vorm van milieuconvenanten. Er worden afspraken gemaakt met brancheverenigingen, en dan kunnen bedrijven zich hierbij aansluiten. Zo’n convenant stelt doelen zoals het energieverbruik reduceren.”

Wet- en regelgeving en druk van stakeholders zorgen ervoor dat milieu op de agenda komt van voedingsproducenten. “De verantwoordelijkheid voor milieuzaken wordt vaak geïntegreerd met een lijnfunctie, zoals kwaliteits- of locatiemanagement. Bij grote bedrijven is er daarnaast vaak een milieucoördinator, of zelfs een milieuteam. Dit is georganiseerd als een staffunctie.” Om milieu echt op de agenda te houden, moet de verantwoordelijkheid hiervoor zo hoog mogelijk verankerd zijn in het bedrijf, vindt Haverkamp. “Commitment van de directie is belangrijk, maar wel lastig.” Maar niet onmogelijk. Haverkamp geeft een voorbeeld van een zuivelbedrijf waar een directielid met milieuverantwoordelijkheden aanwezig is. “Dat is het beste wat je kunt hebben. Het heeft voordelen voor fabrikanten. Je kunt zo’n man (directielid met milieuverantwoording, red.) gebruiken in de relatie met stakeholders. Ook in onderhandelingen met de overheid of andere bedrijven kun je een directielid naar voren schuiven.”

Ketengerichte milieuzorg
Haverkamp vindt dat er binnen de voedingsmiddelenindustrie nog te weinig aandacht is voor ketengerichte milieuzorg en product(her)ontwerp. “Bedrijven moeten niet alleen naar de eigen productielocatie kijken, maar naar de hele keten. Hoeveel milieubelasting veroorzaken grondstoffen aan het begin van de keten bijvoorbeeld? Wat gebeurt er met het afval, wordt dit gerecycled of juist niet? Niet alleen de eigen bedrijfsprocessen zijn belangrijk, maar het product en de verschillende productiefasen ook. Consumenten gaan hier meer op letten. Of neem de cacaoproductie in Afrika. Komen hier kinderhandjes aan te pas, dan worden bedrijven daarop aangesproken. Het publiek wordt kritischer.”

Volgens Haverkamp kan met hulp van een brancheorganisatie een milieukwaliteitssysteem worden opgezet voor de hele keten. “De krachtvoederindustrie heeft een eigen systeem opgezet voor kwaliteitsbeheer. Dit kan ook voor milieu. Het is belangrijk dat er een dergelijk systeem gaat komen.”
Belangrijk of niet, toeleveranciers van milieubewuste fabrikanten kunnen ook overstappen naar concurrenten met minder strenge milieueisen. “Dat is lastig”, geeft de wetenschapper toe. “Vooral kleine bedrijven lopen dat risico. Daarom is een rol weggelegd voor grotere ondernemingen. Zij zijn bij machte milieueisen te stellen aan bijvoorbeeld toeleveranciers. Zij kunnen samen met brancheorganisaties de eerste stappen zetten namens de gehele sector. Zo ontstaat een sterke marktpartij.”

Kansen milieumanagement
Met milieumanagement vallen veel voordelen te behalen. Geen beperkingen dus maar juist kansen. “In de jaren negentig, toen milieumanagement opkwam, was er nog wel aversie tegen. Maar op een gegeven moment kwamen fabrikanten erachter dat hiermee ook economische voordelen te halen zijn. Wanneer bedrijven efficiënter gaan produceren door schone technologieën te gebruiken, hebben ze niet alleen minder afval maar ook minder input voor dezelfde output. Haverkamp geeft een voorbeeld van een producent van bakkerij-ingrediënten die economische voordelen haalt uit ketengericht milieumanagement. “Dit bedrijf werkt samen met bakkerijen op het gebied van verpakkingen. Samen ontwikkelden ze een bulksysteem voor hergebruik. Je moet dan denken aan een containerverpakking die door de ingrediëntenproducent na verbruik weer wordt hergebruikt.”

Weerstand R&D
Haverkamp kwam erachter dat vooral zuivelbedrijven het goed doen op milieugebied en slachterijen wat minder. “Dit komt mede doordat zij te maken hebben met veel restafval en door weinig aandacht voor milieu bij de brancheorganisatie.” Elk bedrijf zou een milieumanagementsysteem moeten hebben, want dit creëert inzicht in de eigen milieusituatie, vindt Haverkamp. “En milieumanagementsysteem helpt om de milieuactiviteiten te structureren en continu te verbeteren.” R&D-afdelingen zijn niet altijd blij met aandacht voor het milieu. “Zij zijn bang dat het hun creativiteit belemmert. Dit is achterhaald, want het biedt juist kansen”, meent de wetenschapper.

Dat er meer aandacht komt voor milieu, is een onafwendbare ontwikkeling. “Het is de uitdaging om hier iets mee te doen en tegelijkertijd te vermarkten via stakeholders.” Uiteindelijk pleit Haverkamp voor een gesloten kringloop van producten. “Dus niet van wieg tot graf, maar van wieg tot wieg.” Volledig hergebruik van producten dus, zonder kwaliteitsverlies. Dat is de nieuwe uitdaging.

Reageer op dit artikel