artikel

Peter van Den Elzen, directeur Agrotechnology & Food Sciences Group, WUR

Algemeen

Maart 2007 werd Peter van den Elzen benoemd als directeur van AFSG. Hij stond aan de wieg van biotechbedrijf Mogen en ontwikkelde bij Unilever Knorr Vie. Dan is het niet vreemd dat hij research en development beter op elkaar wil laten aansluiten en van AFSG een meer ondernemende organisatie wil maken. Dat daarbij de consument voorop staat, is voor hem vanzelfsprekend.

Maart 2007 werd Peter van den Elzen benoemd als directeur van AFSG. Hij stond aan de wieg van biotechbedrijf Mogen en ontwikkelde bij Unilever Knorr Vie. Dan is het niet vreemd dat hij research en development beter op elkaar wil laten aansluiten en van AFSG een meer ondernemende organisatie wil maken. Dat daarbij de consument voorop staat, is voor hem vanzelfsprekend.

We spreken af in het Restaurant van de Toekomst, het nieuwe paradepaardje van Agrotechnology & Food Sciences Group (AFSG) van Wageningen Universiteit & Research Center. De eerste indrukken bevestigen zijn CV: strak in het pak, sterke persoonlijkheid die daadkracht uitstraalt. Gedurende de komende anderhalf uur zal hij vrijwel niet aarzelen. Alleen mijn vragen en het geboor en gezaag van de werklieden vlak voor de officiële opening van het restaurant zullen zijn betoog onderbreken.

Weg bij Unilever, zelfstandig consultant geworden en dan toch deze vaste baan met een veel lager salaris. Waarom?
“Ik zit hier midden tussen alle stakeholders, zoals overheid, industrie en een aantal uitstekende hoogleraren. We hebben hier binnen de kenniseenheid Agrotechnology en Food Sciences Group twee clubs: DLO, zeg maar het oude A&F, met 230 medewerkers en daarnaast 22 leerstoelgroepen met 50 hoogleraren en zo’n 650 – 700 mensen. Die beter op elkaar laten aansluiten, zie ik als een gigantisch mooie uitdaging. Bijna nergens in de wereld is die combinatie aanwezig.”

Welke situatie trof u bij uw komst aan?
“Waar ik erg blij mee was, al voordat ik kwam, is dat de WUR een strategie heeft. Wageningen focust zich daarmee op een aantal basale aandachtsgebieden die in de maatschappij spelen. Dat zijn Voedsel, gezondheid en gedrag, de Biobased economy en Klimaatbestendige kustzones.
Na mijn aanstelling heb ik een managementteam gevormd met voor het DLO-deel twee managers van business units, de directeur bedrijfsvoering en drie hoogleraren. Voor dit jaar hebben we een werkplan opgesteld. Drie toepassingsgebieden zijn voor de hele groep leidend: Voedsel en Gezondheid, Duurzame ketens en Bio-based producten.
We zijn nu bezig met een wat diepgaandere strategie voor de jaren 2008 – 2010. Zo willen we gebieden als bionanotechnologie en systeembiologie, een soort combinatie van wiskunde en moleculaire biologie, versterken. Deze nieuwe gebieden zullen op de langere termijn belangrijke wetenschappelijke kennis voortbrengen voor het meer toegepast onderzoek en zullen ook voor het onderwijs belangrijk zijn.”

Hoe luidt de nieuwe strategie?
“Excellente wetenschap en toegepast onderzoek willen we veel meer met elkaar verbinden. Voordeel daarvan is dat wij dan de gehele keten kunnen bekijken en problemen zowel vanuit een wetenschappelijk als meer toegepaste invalshoek kunnen benaderen. Als je die combinatie goed managet, is dat fantastisch!
Daarnaast moeten we, samen met de kenniseenheid Social Sciences, veel meer inspelen op de trends van consumenten. Wat zijn die trends? On-the-go, overgewicht, ouderdomsziekten, van droge naar verse voedingsmiddelen, duurzaamheid, de opkomst van internet ook bij de advisering. Al deze trends bieden zowel de wetenschap als de industrie tal van uitdagingen. Gezondheidstechnisch zie ik basale problemen in leefpatronen. Slechts 1,7 procent van de consumenten eet volgens de Richtlijnen Goede Voeding, terwijl iedereen die richtlijnen wel kent. Dat betekent dat er fundamenteel iets fout is met hun gedrag. Wat kunnen wij daar als AFSG aan doen? Kunnen we mensen verleiden met voedsel dat veel gezonder is of begrijpen ze niet wat het etiket zegt?
Ook is ons eten niet verzadigend genoeg. Mensen krijgen niet gauw het signaal ‘ik moet stoppen met eten’. Zowel bij de hoogleraargroepen als A&F, moet onderzoek hierna worden gestimuleerd. Met de fundamentele kennis die de hoogleraren opdoen, gaat de toegepaste kant nieuwe producten maken.
Er liggen dus kansen voor aanpassing van huidige en nieuwe producten, gebaseerd op fundamenteel onderzoek. We willen de industrie, maar ook overheid, beter helpen om dat soort issues op te pakken, niet vanuit één discipline, maar meer vanuit co-innovatie.
Bij dat alles moeten we altijd de consument centraal stellen. De agrofoodsector wordt nog heel erg gedreven vanuit de primaire sector. Wij willen veel meer andersom gaan werken. Dat adviseren we ook aan het ministerie.”

Met welke begroting werkt uw kenniseenheid?
“Met € 73 miljoen. We zijn nog niet winstgevend, maar het gaat wel de goede kant op. Zowel de wetenschap als het toegepast onderzoek moeten in staat zijn financiële buffers op te bouwen. Dat is voor mij een heel belangrijke doelstelling. Dat maakt onze positie, ook in economisch moeilijke tijden, veel sterker, onafhankelijker en kunnen we gemakkelijker pro-actief naar bedrijven en overheid toegaan, onafhankelijk advies geven en goede afspraken maken.”
Voor zo’n 10-20% van onze activiteiten vinden we financiering in de internationale markt. Maar ik denk dat we in Europa nog heel veel kunnen doen, zowel richting bedrijven als studenten.”

Wat zijn behalve rendement nog andere doelstellingen?
“Een tweede doelstelling is dat ik er voor wil zorgen dat, noem het maar het oude A&F, de commerciële ‘driver’ wordt voor de gehele kenniseenheid. Dat zij het venster naar de markt zijn. Dat wil zeggen dat zij professionele afspraken maken daarbij gebruikmakend van de hoge kwaliteit wetenschap die aan de andere kant van de organisatie aanwezig is zonder dat zij de hoogleraren dwingen om bepaald onderzoek uit te voeren.”

In hoeverre kunt u de hoogleraren daarin sturen?
“Je moet mensen stimuleren met een visie. Neem het voorbeeld van de veel te lage consumptie van groente en fruit. Wat kunnen we daar met zijn allen aan doen. De ideeën die helpen om mensen meer groente- en fruitachtige producten te laten eten, kun je dan weer in een thema onderbrengen.”

Hoe wilt u meer studenten trekken?
“Aan de voedingskant zijn we zeer populair. Afgelopen jaar is de instroom eerstejaars studenten bijna verdubbeld, maar gebieden als agrotechnologie hebben te weinig studenten. Dat heeft alles te maken met de woordkeuze. Agrotechnology is nu niet bepaald een aansprekende naam. Daarvoor moeten we snel een andere naam bedenken. . Bij ‘Agrotechnologie’ denkt men aan de boerderij. Als ik agrotechnologie koppel aan milieutechnologie en aan logistiek dan kan ik daarmee laten zien dat we onderzoek doen naar en onderwijs geven over duurzame voedselketens. Dat kan voor een student zeer aantrekkelijk zijn.”

Wat wilt u bij het toegepast onderzoek veranderen?
“Instituten zijn al behoorlijk goed gefocust op het binnenhalen van contracten, maar veelal gebeurt dit nog vanuit één discipline. Wat ik voorsta is dat zij meer dan nu zelf met ideeën voor nieuwe concepten bij bedrijven aankloppen en kijken hoe wij als partner multidisciplinair met hen kunnen samenwerken. De synergie gebruiken tussen de verschillende afdelingen die we zowel bij A&F als de hoogleraargroepen hebben, dat is mijn hoofdklus de komende jaren.
Die hoogleraargroepen moeten van topniveau zijn. Google ontstond op Stanford. Daarmee bedoel ik dat een topbedrijf ontstaat op een van de toptien van universiteiten in de wereld. Dat kan alleen maar daar. Ondernemerschap gecombineerd met hele goede wetenschap. Wij gaan hier waarschijnlijk geen Google maken, maar ik denk wel dat het goed is dat we zo denken. Dat je nadenkt over hoe je nog meer een ondernemende universiteit kunt worden.”

Dat is hard nodig?
“Sommigen doen het heel goed. Milieutechnologie doet fantastisch werk. Humane Voeding bijvoorbeeld ook en er zijn wel meer clubs die dat kunnen, maar het kan nog beter. We hebben ontzettend veel kennis op een breed terrein. Dat is de kracht van Wageningen. Die moeten we verder verdiepen en uitbuiten. Dat probeer ik te doen door thema’s neer te leggen over zowel de hoogleraargroepen als A&F heen en ook richting andere kenniseenheden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de consumentenwetenschappen die bij ‘Social Sciences’ zijn ondergebracht. De consument is immers het vertrekpunt bij innovatie.”

Kunt u andere kenniseenheden sturen?
“Ik ben naast directeur van deze kenniseenheid ook domeintrekker voor voeding, gezondheid en gedrag voor alle andere kenniseenheden van de WUR. Daarnaast zit ik in de besturen van TIFN, Food Valley, Health Valley, en het DSTI(scheidingsinstituut, red). Ik mag met de mensen die relevant zijn binnen de WUR een visie neerleggen en een strategie uitzetten over waar we ons op focussen. Een van de eerste beslissingen die ik binnen de WUR heb genomen, is verzadiging. Daar gaan we ons concernbreed en complementair aan ons werk met TIFN op focussen. Als je ziet hoeveel kennis er op dit terrein al is. Dat moet je gewoon uitbuiten.”

Wat is voor u de grootste uitdaging van deze baan?
“De WUR ondernemender te maken. Zowel in het wetenschappelijk onderzoek als door samen met bedrijven echte innovaties in de markt te zetten. Het commercieel opererende DLO-deel is deels verzelfstandigd en zal nog meer moeten leren commercieel te opereren, dit ondanks een aantal belemmerende overheidsregels.”

Heeft Nederland wel het klimaat om buitenlandse bedrijven aan te trekken?
“We kunnen op dit vlak nog stukken verbeteren, maar we doen het een stuk beter dan 20 jaar geleden. Op 8 oktober tekenden wij een samenwerkingscontract met Kikkoman over het gezamenlijk verrichten van research. Een deel van hun research hebben zij reeds overgebracht naar het complex van Biopartner in Wageningen.
We moeten wel meer stimuleren dat mensen risico’s nemen met het opzetten van nieuwe bedrijven. We discussiëren teveel over of mensen teveel verdienen. Dat veranderingsproces duurt jaren. Je vroeg me daarstraks waarom ik deze baan heb genomen. Nou, daarom. Omdat ik vind dat Nederland innovatiever en ondernemender moet worden en ik het leuk vind om er aan bij te dragen. Dat alles vanuit de consument geredeneerd. Dat laatste is een ander trefwoord dat ik altijd heel erg graag gebruik. Vanuit de consument geredeneerd!”

Reageer op dit artikel