artikel

Openbaarmaking controlegegevens VWA leidt tot felle discussie

Algemeen

Iedereen kan inspectieresultaten van de VWA op internet bekijken. Voedingsmiddelenbedrijven en toeleveranciers staan met naam en toenaam op de VWA-site. Heeft dit nog met voedselveiligheid te maken en staan de gevaren voor de consument in verhouding tot de gevolgen voor de genoemde bedrijven, ofwel: worden er grenzen overschreden? Momenteel evalueert de VWA deze aanpak. VMT peilde de reacties bij de industrie, de levensmiddelenhandel, de horeca en de consument.

“Openbaarmaking past bij een overheid die transparant is over wat ze doet. Daardoor kan de burger beter beoordelen of zij de taak die haar is toevertrouwd op een zodanig manier uitoefent dat essentiële belangen van de burger voldoende zijn geborgd. Transparantie is daardoor ook van belang bij inspectie en controle.” Aldus luidt het officiële standpunt van VWA, LNV en VWS waarmee zij hun streven naar openbaarheid verklaren.
Dat controle en transparantie noodzakelijk zijn, is geen discussiepunt. Maar het verloop van de openbaarmaking wel. Zo pleit de Consumentenbond al lang voor volledige openheid rond de inspectiegegevens. Woordvoerder Marcel van Beusekom: “Alleen dan kan de consument een weloverwogen keuze maken.” Ook uit een consumentenonderzoek door LNV (januari 2006) blijkt dat 89% voorstander is van openbaarmaking. “Het openbaar maken van controlegegevens op het gebied van voedsel- en productveiligheid is een belangrijke borging van het consumentenvertrouwen”, aldus VWA/LNV/VWS in een gezamenlijke reactie.
Marc Jansen, hoofd Consument en Kwaliteit bij het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) is niet overtuigd: “Vraag je consumenten of ze meer informatie willen, dan zeggen ze altijd ‘ja’.”

Voedselveiligheid
De FNLI is faliekant tegen de publicaties. Directeur Philip den Ouden: “Er wordt een vertekend beeld gegeven. De industrie spant zich al maximaal in voor een goed en veilig product en als de voedselveiligheid in het geding is, dan brengen we dat altijd meteen naar buiten.” Hij vervolgt: “Het huidige systeem van toezicht en handhaving werkt prima. Bovendien voegt het niets toe aan de autoriteit van de VWA: het is net of de politie bij een willekeurig stoplicht gaat staan en iedere auto die door groen rijdt het keurmerk ‘Houdt zich aan de verkeersregels’ toekent.”
Ook Jansen vindt dat de overheid met openbaarmaking van gegevens, zoals dat nu gebeurt, aan autoriteit verliest: “Ketenpartners hebben zelf al goede systemen om elkaar te informeren. Daarnaast hebben de pilots niets met voedselveiligheid te maken. Neem de residuenpilot [zie kader, red.]: voor sommige residuen van bestrijdingsmiddelen geldt een nultolerantie. Dus wordt er ook maar het geringste spoortje aan residuen aangetroffen, dan overschrijd je, strikt genomen, de wet. Terwijl het geen gevaar voor de volksgezondheid vormt. Bovendien is de uitslag van in het distributiecentrum genomen monsters pas weken later, als de betreffende producten al verkocht zijn, bekend. De consument kan dus niets met de informatie. Het leidt tot onterechte ongerustheid en uiteindelijk stompt dat af. Is er echt wat aan de hand, dan maakt niemand zich er meer druk over.”
VWA/LNV/VWS stellen dat het niet gaat om het laten zien van gevaren, maar om transparantie van het overheidstoezicht: “Recalls en publiekswaarschuwingen in de media staan los van de openbaarmaking van gegevens.”

Amerikaanse aanpak
Bert Urlings, director Quality Assurance bij VION, pleit er voor dat de VWA een voorbeeld neemt aan de professionele, Amerikaanse aanpak: “De Amerikaanse VWA kruist bijvoorbeeld aan wat gecontroleerd is en specifieke afwijkingen worden uitgebreid toegelicht. Ook staat de auditor op het document: ondenkbaar in Nederland. Zo’n auditrapport is goed bruikbaar om onze afnemers en het publiek te informeren. Tijdens de discussies voorafgaand aan de pilots brachten we dit continu in, maar tot onze verbazing is hier niets mee gedaan.”
Ook het CBL ervoer dat ze weinig kon inbrengen. Jansen: “De VWA zei hoe het ging gebeuren.”
De VWA voerde volgens Urlings en Jansen dus een eigen koers. Urlings: “De VWA kwam met een eigen cryptisch referentiekader waarbij niet de bedoeling van de wetgever, maar de letterlijke tekst van de wet uitgangspunt is. Een voorbeeld: wanneer wij in onze productielijn ergens vijftig monsters meer nemen, alleen twintig uur later dan wettelijk voorgeschreven, dan rapporteert de VWA dat als een afwijking… Het lijkt wel of het volgen van de juiste procedures belangrijker is dan de consument. Misschien is de VWA bang voor eventuele juridische gevolgen.”
Wat de FNLI een doorn in het oog is, is de willekeur en stigmatisering. Den Ouden: “De een wordt wel genoemd, de ander niet. En wanneer krijgt een slecht beoordeeld bedrijf eerherstel?”
VWA/LNV/VWS zeggen deze bedenkingen tegen openbaarmaking van gegevens te kennen, maar wijzen ook op de geluiden die zij van maatschappelijke organisaties krijgen die juist aangeven er blij mee te zijn. “Het bedrijfsleven hoeft niet bezorgd te zijn over rechtsongelijkheid. De VWA selecteert te controleren bedrijven op zorgvuldige wijze. Hierbij richt men zich op de risico’s.”

Negatieve beeldvorming
Waar de gesprekspartners geen probleem mee hebben, is publicatie van herhaaldelijk slecht presterende bedrijven. De preventieve werking – ook een van de doelen van de overheid – houdt bedrijven scherp. Maar niet al na één slechte beoordeling, vindt Anthony van der Klis van Koninklijke Horeca Nederland (KHN). “Het is een momentopname. Elk bedrijf kan een slechte dag hebben, bijvoorbeeld door ziekte of personeelgebrek.”
Van Beusekom (Consumentenbond) is het daarmee oneens: “Er zijn wel aspecten waar nog naar moet worden gekeken, zoals welke gegevens komen op de site (alleen die van de laatste inspectieronde?) hoe lang blijven ze zichtbaar en hoe gedetailleerd moet de informatie zijn. Maar een slechte reputatie heeft een bedrijf, dat verantwoordelijk is voor de eigen bedrijfsvoering, altijd aan zichzelf te wijten.”
Urlings nuanceert: “Een slechte naam heb je snel en de weg terug is moeilijk. De media spelen daarin een grote rol. Wij willen graag verantwoording nemen, maar dan moet de communicatie over controlegegevens wel zorgvuldig plaatsvinden. Juist omdat wij als vleesverwerker niet zichtbaar zijn voor de consument: het Europees Parlement stemde tegen een motie om de naam van de vleesverwerker op de verpakking te zetten. Over transparantie gesproken…”
Van der Klis: “Goed nieuws is vaak geen nieuws. Dat alle ondernemers in de pilot met vloeibaar vet bleken te werken, was blijkbaar niet interessant genoeg voor de media.” Ook Jansen merkt dat de pilots weinig oproepen: “We hadden meer commotie verwacht rond de bestrijdingsmiddelen. Blijkbaar bieden de publicaties voor NGO’s te weinig aanknopingspunten voor een negatief verhaal.”

Gebruiksvriendelijker
Jansen en Van Beusekom zijn het met Urlings eens dat de VWA veel meer moet communiceren over de context en de interpretatie van de gegevens. Van Beusekom: ” De pilotgegevens worden nauwelijks geraadpleegd. Er zijn weinig gegevens beschikbaar en wat er is kan gebruikersvriendelijker worden gepresenteerd zodat de consument het niet alleen kan vinden maar het ook begrijpt.” Den Ouden vindt de gegevens daarentegen ‘redelijk makkelijk’ te vinden en verwerpt publicatie in ‘Jip-en-Janneke-taal’.
Van Beusekom vervolgt: “Een online database is een mogelijke oplossing. Inclusief een publiciteitscampagne over het bestaan en de werking ervan.” Van der Klis vult aan: “Daarbij moet het bedrijf wel een reactie kunnen geven. En voor de consument moet duidelijk zijn dat een bedrijf dat negatief wordt beoordeeld, meerdere malen bezocht is en dat de situatie niet is verbeterd.”
Naast de manier van presenteren van de gegevens zal de VWA ook haar werkwijze moeten aanpassen. Verwees Urlings al naar het Amerikaanse model, Van Beusekom wil dat de VWA gegevens openbaar maakt waar de consument écht wat aan heeft: “Bijvoorbeeld informatie over hygiëne in slagerij of horeca. De gepubliceerde gegevens bieden de consument, uit oogpunt van keuze-informatie, relatief weinig meerwaarde.”
Jansen: “Voor optimale keuzevrijheid moet de VWA een echt representatief beeld geven en alle producten op alle eventueel aanwezige stoffen bij alle bedrijven, dus ook de groenteboer, de marktkraam en het voedsel in de horeca, onderzoeken.”
Meer inspecties zijn dan nodig, maar die brengen ook meer kosten met zich mee, zo verwacht Den Ouden. Terwijl de VWA juist probleemgericht wil opereren. De meningen zijn verdeeld, want Van Beusekom meent dat de bestaande inspecties genoeg informatie opleveren om, zonder extra kosten, aan de consument te presenteren.

Vertrouwen winnen
Tot slot heeft Urlings nog een advies voor de VWA: “Leg het accent niet op het uitlichten van slechte partijen, maar neem het winnen van vertrouwen als uitgangspunt voor transparantie.”
VWA/LNV/VWS onderschrijven dat: “Volgens ons voegt het veel toe om bedrijven die het goed hebben gedaan te vermelden, zodat zij zich daarmee in positieve zin kunnen onderscheiden. Sommige bedrijven deden dat ook in hun weerwoord op onze site. We denken dat veel van de zorgen bij het bedrijfsleven te maken zouden kunnen hebben met koudwatervrees voor deze nieuwe aanpak. Een goede communicatie met bedrijven en een zorgvuldige aanpak met heldere procedures is dus vereist. Overigens is de openbaarmaking gericht op ons gehele werkterrein: naast voedselveiligheid ook zaken als productveiligheid of eerlijke consumenteninformatie. Daarnaast willen wij informatie over bijvoorbeeld het interventiebeleid – het handhavings- en maatregelenbeleid – openbaar maken.”

Reageer op dit artikel